Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6410

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
C/03/281521 / KG ZA 20-327
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geen schending door eiseres van haar verplichtingen als bedoeld in art. 21 Rv en art. 111 Rv. Afwijzen vordering van eiseres in kort geding. Gedaagde, de hypotheekhouder, is ex artikel 3:268 BW bevoegd tot executieverkoop van de woning van eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/281521 / KG ZA 20-327

Vonnis in kort geding bij vervroeging van 28 augustus 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. H. Giard te Utrecht (toevoeging),

tegen

de coöperatie Coöperatieve RABOBANK U.A.,

statutair gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. F.J. Laagland te Eindhoven.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Rabobank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 19 augustus 2020 met 12 producties

  • -

    de voor de mondelinge behandeling ingezonden productie 1 t/m 9 van de Rabobank

  • -

    de mondelinge behandeling, waarbij [eiseres] pleitnotities heeft voorgedragen en overgelegd en de Rabobank spreekaantekeningen mondelinge behandeling heeft voorgedragen en overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft in eigendom de appartementsrechten, kort gezegd rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning).

2.2.

De Rabobank (hypotheeknemer) heeft op 15 november 2010 ter financiering van de woning aan [eiseres] twee hypothecaire geldleningen (leningnummers 1252.905.548 en 1252.905.580) verstrekt voor een totaalbedrag van € 450.000,- (Hypotheekakte, productie 1 van de Rabobank).

2.3.

Bij brief van 17 mei 2017 (productie 2 van de Rabobank) heeft de Rabobank [eiseres] er op gewezen dat [eiseres] op de lening 1252905580 een achterstand van € 1.973,22 heeft laten ontstaan en dat [eiseres] die achterstand binnen tien dagen dient te voldoen. In de brief is tevens te lezen (pagina 1, vierde alinea) dat bij niet betaling de Rabobank de lening kan opeisen.

Op 3 juli 2018 (ook productie 2 Rabobank) heeft de Rabobank een brief met de aanhef: “Laatste kans voorkomen opeisen” aan [eiseres] gezonden. Ditmaal betreffende een betalingsachterstand van € 1.250,- (betalingskenmerk 1252905548 en 1252905580). De Rabobank heeft [eiseres] meegedeeld dat zij die achterstand uiterlijk op 15 juli 2018 moet hebben voldaan en dat indien [eiseres] niet betaald de Rabobank de lening, alsmede andere producten van [eiseres] bij de Rabobank, in één keer zal opeisen.

Op 21 mei 2019 (ook productie 2 Rabobank) heeft de Rabobank [eiseres] een brief gezonden met de aanhef: “lening terugbetalen of woning verkopen”. In die brief is te lezen dat de achterstand van [eiseres] € 5.924,83 is.

Bij brief van 21 juni 2019 (“Laatste kans voorkomen opeisen”, ook productie 2 Rabobank) heeft de Rabobank [eiseres] gesommeerd om de achterstand van in totaal € 7.903.23 uiterlijk op 28 juni 2019 te betalen en aangezegd dat als [eiseres] niet betaald de Rabobank de lening in één keer zal opeisen en de veiling van de woning zal starten.

2.4.

De Rabobank heeft bij aangetekende brief aan [eiseres] van 28 oktober 2019 (productie 8 van de Rabobank) [eiseres] het volgende bericht:

“(…) U heeft bij de bank:

- een lening met leningnummer 1252.905.548 met een oorspronkelijk bedrag van

- € 110.000,00. Hiervoor heeft u een overeenkomst getekend op 15 november 2010.

- een lening met leningnummer 152.905.580 met een oorspronkelijk bedrag van

- € 300.000,00. Hiervoor heeft u een overeenkomst getekend op 15 november 2010.

Deze leningen noemen wij in deze brief samen: uw lening.

Ook heeft u een betaalrekening (…). Op dit moment heeft uw betaalrekening een saldotekort van € 8,42 Dit saldotekort is voor een deel ontstaan door de automatische incasso van de rente en/of aflossing van uw lening.

De woning aan de [adres] , [woonplaats] geldt als zekerheid voor alles

wat u aan de bank moet betalen. Op 15 november 2010 heeft u de bank namelijk bij de

notaris een eerste hypotheekrecht gegeven op de woning. Het hypotheekrecht is gevestigd

tot een bedrag van € 450.000,00 plus 35% aan renten en kosten.

Waarom sturen wij u deze brief?

U heeft al langere tijd een achterstand op uw lening. Wij hebben u daar meerdere keren

een brief over gestuurd.

Belastingdienst (Vzr: verbeterd gelezen) Maastricht heeft executoriaal beslag gelegd op uw woning. Dit betekent dat de beslaglegger uw woning kan veilen. Wij hebben u al eerder laten weten dat wij de

veiling overnemen.

Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen heeft executoriaal beslag gelegd op

uw woning. Dit betekent dat de beslaglegger uw woning kan veilen. Wij hebben u al

eerder laten weten dat wij de veiling overnemen.

De opstalverzekering voor de woning aan de [adres] , [woonplaats] is

beëindigd. Volgens onze gegevens is de woning niet meer verzekerd. Wij hebben u

meerdere keren gevraagd om een nieuwe verzekering af te sluiten en ons daar een bewijs

van te sturen. Dit heeft u niet gedaan. Volgens de algemene voorwaarden die gelden voor

het hypotheekrecht moet de woning altijd verzekerd zijn.

U heeft de woning aan de [adres] , [woonplaats] verhuurd. De bank

heeft geen toestemming gegeven voor verhuur van de woning.

U heeft al een langere tijd een ongeoorloofde debetstand. Dit betekent dat u meer rood

staat dan u met de bank heeft afgesproken.

U heeft onvoldoende medewerking verleend aan de onderhandse verkoop van uw woning.

In onze brieven van 3 juli 2018 en 21 juni 2019 hebben wij u aangegeven wat de gevolgen

zijn als er geen oplossing gevonden kan worden voor de problemen. Tot nu toe is dit niet

gelukt.

Er is geen oplossing gevonden. Daarom zeggen wij namens de bank bij deze uw krediet

direct op. Dit betekent dat het krediet stopt. Bovendien eisen wij dan uw hele financiering

direct op. Dit betekent dat u de hele financiering, inclusief rente, in één keer terug moet

betalen. U moet dan uiterlijk op 11 november 2019 een bedrag van € 381.647,75

overmaken op rekeningnummer [rekeningnummer 1] . Als betalingskenmerk

gebruikt u 1252.905.580/1252.905.548 Hieronder leest u hoe het bedrag is opgebouwd wat

u moet betalen. Daar staan ook P.M. posten bij vermeld. Dit zijn posten die u wel moet

betalen, maar waarvan het bedrag nog niet precies bekend is. Daarvoor krijgt u later nog

een afrekening.

Ook eisen wij het debetsaldo op de betaalrekening direct op. Dit bedrag moet u ook op

dezelfde datum betaald hebben.

Het bedrag is opgebouwd uit:

LENINGNUMMER 1252.905.548

Restanthoofdsom € 71.208,84

Achterstallige rente (…)

LENINGNUMMER 1252.905.580

Restanthoofdsom € 300.000,00

Achterstallige rente (…)

BETAALREKENING MET IBAN [rekeningnummer 2]

Roodstand per 28 oktober 2019 € 8,42

Totaal € 381.647,75 + P.M.

Wat gebeurt er als u niet betaalt?

Dan geven wij een notaris opdracht de veiling van de woning te starten.

De woning is verhuurd zonder toestemming van de bank. Bij de veiling kunnen wij

namens de bank een beroep doen op het huurbeding. Dit betekent dat wij de rechter

kunnen vragen om de huur te beëindigen. Als dit gebeurt kan het zijn dat u de huurder

een schadevergoeding moet betalen.

Is de opbrengst van de woning niet genoeg om alles terug te betalen? Dan blijft er een

restschuld over. Deze restschuld moet u ook terugbetalen. (…)”.

2.5.

De Rabobank heeft het onderpand op 29 januari 2020 laten taxeren. Van die taxatie is een rapport d.d. 5 februari 2020 opgemaakt (productie 9 van de Rabobank). In dit rapport is onder K vermeld dat [eiseres] geen medewerking wenste te verlenen aan de taxatie, zodat sprake is van een geveltaxatie.

2.6.

Bij beschikking van de voorzieningenrechter van 13 augustus 2020 (zaaknummer C/03/277203 / KG RK 20-283) is het verzoek van de Rabobank ex art. 3:264 leden 5 en 6 BW (beëindigen huur) toegewezen.

2.7.

De executieveiling van de woning staat gepland voor 1 september 2020.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert in kort geding dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Rabobank gebiedt de aangekondigde uitwinning van haar zekerheden op 1 september 2020 in te trekken / te staken, dan wel op te schorten, althans de Rabobank te verbieden over te gaan tot verkoop van het registergoed aan [adres] , [woonplaats] (Vzr: zoals “ [woonplaats] ” wordt gelezen), [woonplaats] gelet op alle omstandigheden van het geval, met veroordeling van de Rabobank in de integrale kosten van deze procedure.

3.2.

De Rabobank voert verweer en heeft de voorzieningenrechter onder meer verzocht om [eiseres] niet ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen wegens schending van art. 21 Rv en art. 111 Rv.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de zaak en is overigens ook niet betwist.

4.2.

[eiseres] heeft niet zodanig onvoldoende aan de in art. 21 Rv en art. 111 lid 3 Rv neergelegde verplichtingen voldaan dat daaraan gevolgen verbonden zouden moeten worden. [eiseres] legt immers aan het gevorderde - kort gezegd - ten grondslag dat haar hypothecaire rentebetalingsachterstand, met inachtneming van bijzondere omstandigheden van [eiseres] , de uitwinning door de Rabobank van de woning niet rechtvaardigt. De feiten en omstandigheden ter onderbouwing hiervan heeft [eiseres] voldoende in de dagvaarding uiteengezet. [eiseres] heeft daarbij gesteld dat de Rabobank in redelijkheid geen te respecteren belang heeft bij de gebruikmaking van haar bevoegdheid om tot de executieverkoop van de woning over te gaan. [eiseres] heeft het verweer van de Rabobank, voor zover dit de grondslag van de dagvaarding betreft, voldoende in de dagvaarding weergegeven. Dat de Rabobank terecht, zie hierna, heeft aangevoerd dat de opzegging door de Rabobank van de hypothecaire leningen van [eiseres] en de uit hoofde daarvan opeisbare vordering op [eiseres] , reden is voor de executieverkoop van de woning, maakt niet per se dat [eiseres] gezien haar insteek van de vordering anders heeft gehandeld dan had gemoeten.

4.3.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:268 BW is een hypotheekhouder bevoegd om tot executieverkoop over te gaan indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van zijn hypothecaire verplichtingen. De hypotheekhouder is in beginsel vrij om te bepalen op welk moment hij tot executoriale verkoop overgaat. Dit is anders als de hypotheekhouder misbruik van recht maakt door tot uitwinning van het onderpand over te gaan. Voor de vraag wanneer sprake is van misbruik van recht door de hypotheekhouder kan aansluiting worden gezocht bij de vereisten die gelden voor een geslaagd beroep op misbruik van beslag- en executierecht. Slechts onder zeer bijzondere omstandigheden kan sprake zijn van misbruik van de bevoegdheid van de hypotheekhouder om tot parate executie over te gaan. Misbruik van recht kan onder meer worden aangenomen als de hypotheekhouder geen redelijk in recht te respecteren belang heeft bij de parate executie, mede gelet op de belangen aan de zijde van de schuldenaar die door de executie zullen worden geschaad, of als er daardoor aan de zijde van de schuldenaar een noodsituatie zou ontstaan (art. 3:13 BW).

4.4.

Mede gelet op de hiervoor onder 2.3 genoemde brieven en het feit dat [eiseres] geen polis heeft laten zien waaruit blijkt dat de opstal in elk geval ten tijde van de brief van 28 oktober 2019 (2.4) wel was verzekerd, is in dit kort geding voldoende aannemelijk dat de in de brief van 28 oktober 2019 genoemde opzeggingsgronden aanwezig waren ten tijde van de opzegging. Er moet in dit geding daarom van worden uitgegaan dat de Rabobank de leningen terecht heeft opgezegd en zij uit hoofde van die leningen als hypotheekhouder op 11 november 2019 een opeisbare vordering heeft op [eiseres] van € 381.647,75. Hierbij wordt meegewogen dat [eiseres] niet, ook niet op de mondelinge behandeling in dit kort geding, (met stukken) heeft onderbouwd dat:

- zij het saldo tekort op haar rekening bij de Rabobank heeft aangezuiverd,

- zij alsnog volledig aan de hypothecaire verplichtingen heeft voldaan,

- de derdenbeslagen niet meer op de woning liggen,

- zij een nieuwe relevante opstalverzekering op de woning heeft afgesloten.

Uit het feit dat de leningen terecht zijn opgezegd bij brief van 28 oktober 2019 volgt dat [eiseres] gerekend vanaf genoemde datum, voldoende tijd heeft gehad om met een - voor beide partijen passende - oplossing te komen ter afwending van de in die brief aangezegde executoriale verkoop (de veiling) van de woning. Er zijn inmiddels immers tien maanden verstreken gedurende welke [eiseres] bijvoorbeeld geen enkele poging heeft ondernomen om, al dan niet in overleg met de Rabobank, de woning onderhands te verkopen.

Gelet op dit alles is [eiseres] al geruime tijd in verzuim met de voldoening van haar aflossingsverplichting en is de Rabobank als hypotheekhouder op grond van art. 3:268 lid 1 BW in beginsel bevoegd om gebruik te maken van het haar toekomend recht van parate executie.

4.5.

Resteert de vraag of gebruikmaking van het recht van parate executie misbruik van recht van de Rabobank oplevert, dan wel dat de Rabobank hierdoor haar bancaire zorgplicht schendt. Volgens [eiseres] is daarvan sprake omdat niet alleen zij haar woonruimte bij executie verliest, maar ook haar zwaar gehandicapte dochter. Het woonruimteverlies van [eiseres] is geen bijzondere omstandigheid, maar inherent aan een executieveiling door een hypotheekhouder van een woning. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Rabobank aangevoerd dat [eiseres] in 2019 gedetineerd is geweest (volgens [eiseres] , nr. 6 van haar pleitnotities, langere tijd) en dat de woning toen leegstond en dus haar dochter kennelijk ergens anders onderdak had gevonden. Gesteld noch gebleken is dat die mogelijkheid nu niet meer bestaat. Het moet er dus voor worden gehouden dat deze dochter ook nu ander onderdak weet te vinden bij veiling van de woning.

[eiseres] heeft verder aangevoerd dat haar betalingsproblemen haar oorzaak vonden in het feit dat de PGB-uitkering van haar dochter af en toe buiten de schuld van haar dochter of van [eiseres] zelf, niet werd uitbetaald. Haar dochter betaalde met die PGB-uitkering als “werkgever” het salaris van [eiseres] die dus bij haar dochter “in dienst” was. Dit is evenmin een bijzondere omstandigheid die de veiling kan tegenhouden omdat een dergelijke “ik kan niet betalen”-oorzaak volledig voor rekening van de debiteur komt. In die zin ziet de voorzieningenrechter in dit kader ook niet waarom het van belang is dat de Rabobank in 2010 bij de hypothecaire leningen op de hoogte was van deze PGB-constructie. Indien hetgeen hiervoor is geoordeeld omtrent de haperende PGB-uitkering al anders is, blijkt uit de in 2.3 genoemde brieven dat [eiseres] zo vaak niet aan haar verplichtingen heeft voldaan, dat ook daarmee de oorzaak van het feit dat [eiseres] niet over geld beschikte, geen bijzondere omstandigheid is. Voor zover dit allemaal al anders is, heeft de Rabobank het bestaan van deze reden betwist en aangevoerd dat [eiseres] een slechte betalingsmoraal heeft. [eiseres] heeft daartegenover niet aannemelijk gemaakt dat de PGB-uitkering enkele malen is stopgezet en evenmin dat die stopzetting niet aan (haar) dochter kan worden toegerekend. Daarmee heeft zij niet voldoende onderbouwd betwist de stelling van de Rabobank dat de niet betalingen en de te late betalingen door [eiseres] niet hebben te maken met de PGB-uitkeringen, maar met een slechte betalingsmoraal van [eiseres] . De algemene verwijzing door [eiseres] naar “de toeslagenaffaire” wordt gepasseerd als te abstract om in dit geding een rol te kunnen spelen.

Tenslotte speelt bij de te maken afweging mee dat [eiseres] onvoldoende toekomstperspectief heeft geboden. Gelet op het feit dat van haar kan worden verlangd dat zij al vanaf 1 november 2019 verkoopinspanningen had ondernomen, kan niet worden gezegd dat er een redelijke kans van slagen is dat [eiseres] vanaf heden tot de afloop van de 10-jarige termijn van de leningsovereenkomsten in november 2020 (daargelaten dat die overeenkomsten al zijn opgezegd bij brief van 28 oktober 2019) zelf een koper weet te vinden. Dit betekent dus dat er serieus rekening mee moet worden gehouden dat toewijzing van de vordering alleen maar uitstel van executie oplevert, tijdens welk uitstel de schuld alleen maar verder oploopt. Ook een belangenafweging brengt dus niet mee dat de vordering moet worden toegewezen. De Rabobank heeft een in redelijkheid te respecteren belang bij voorzetting van de veiling en dat belang weegt in dit geval meer dan voldoende zwaarder dan de door [eiseres] gestelde belangen. Uit het vorenstaande blijkt dat voor zover die gestelde belangen op feiten berusten, die feiten onvoldoende aannemelijk zijn geworden. Van misbruik van recht, dan wel schending van de bancaire zorgplicht is dan ook niet gebleken.

4.6.

De vorderingen van [eiseres] moeten gelet op al het vorenoverwogene worden afgewezen.

4.7.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Rabobank worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat € 633,00

totaal € 1.289,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de Rabobank tot op heden begroot op € 1.289,00, te vermeerderen met de na dit vonnis ontstane kosten, alsmede die proceskosten en nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2020.1

1 type: CM