Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6406

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
8426743 CV EXPL 20-1502
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht. Welke prijs zijn partijen overeengekomen? Wettelijke handelsrente deels afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8426743 CV EXPL 20-1502

Vonnis van de kantonrechter van 19 augustus 2020

in de zaak van:

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WR. NL CONSULTANCY B.V., gevestigd te Rotterdam,

eisende partij,

gemachtigde K.W.A. van der Meer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LIMBURGSE KOELINDUSTRIE B.V.,

gevestigd te Heerlen,

gedaagde partij,

vertegenwoordigd door R.M.C. Rehaen.

Partijen zullen hierna WR en Liko genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 maart 2020

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek tevens akte vermeerdering en vermindering van eis

  • -

    Liko heeft geen conclusie van dupliek genomen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

WR en Liko hebben een overeenkomst gesloten onder toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van WR. Op grond van deze overeenkomst heeft WR omstreeks september 2019 in opdracht en voor rekening van Liko wervings- en selectiewerkzaamheden verricht. WR heeft in het kader daarvan de kandidaat [naam kandidaat] aan Liko voorgedragen. Liko heeft deze kandidaat geaccepteerd waarna deze bij Liko in dienst getreden is.

2.2.

Bij facturen van 23 september en 18 oktober 2019 heeft WR in totaal € 7.903,52 aan Liko gefactureerd voor de verrichte werkzaamheden (€ 3.951,76 per factuur).

2.3.

Nadat WR en haar incassogemachtigde Liko meermaals hadden aangemaand en gesommeerd tot betaling van de facturen, heeft Liko op 23 januari 2020 € 1.951,76 aan WR betaald.

2.4.

Na dagvaarding heeft WR bij factuur van 21 april 2020 nogmaals € 3.951,76 aan Liko in rekening gebracht.

2.5.

Op 13 mei 2020 heeft Liko € 3.975,88 aan WR betaald en op 14 mei 2020 € 770,18.

3 Het geschil

3.1.

WR vordert bij dagvaarding Liko te veroordelen tot betaling van :

  1. € 6.889,76, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding (26 maart 2020) tot de dag van betaling;

  2. de proces- en de nakosten.

3.2.

Bij repliek heeft WR haar vordering met € 770,18 verminderd.

4 De beoordeling

4.1.

Liko voert bij antwoord aan dat WR bij de berekening van de gefactureerde bedragen van een te hoog percentage is uitgegaan. Volgens Liko is overeengekomen dat zij 6% over het bruto maandsalaris (inclusief vakantiebijslag) van de in dienst getreden kandidaat aan WR verschuldigd is. Uit de berekening die Liko aan dit verweer ten grondslag heeft gelegd blijkt dat zij heeft bedoeld te stellen dat zij drie maal 6% over het bruto jaarsalaris (inclusief vakantiebijslag) verschuldigd is aan WR.

4.2.

Bij repliek heeft WR aangevoerd dat 18% het standaardtarief is indien als volgt gefactureerd wordt: de eerste factuur bij het tekenen van de arbeidsovereenkomst van de kandidaat, de tweede factuur bij de indiensttreding van de kandidaat en de derde factuur na de eerste maand van het dienstverband. WR verwijst in dit verband naar de algemene voorwaarden. Omdat Liko de drie facturen echter wilde spreiden over een langere periode, zijn partijen in afwijking van de algemene voorwaarden het hogere percentage van 24 overeengekomen. Daarom is per factuur het percentage van 8 gehanteerd en zijn de drie facturen verzonden bij respectievelijk de indiensttreding, na de eerste maand van het dienstverband en na de zevende maand van het dienstverband, zo voert WR aan.

4.3.

Liko heeft geen conclusie van dupliek genomen. De nadere onderbouwing van het door WR gehanteerde percentage heeft Liko dus niet betwist. Op grond van het onbetwiste betoog van WR staat daarom vast dat partijen 24% zijn overeengekomen. Hieruit volgt dat Liko de door WR gefactureerde bedragen (drie maal € 3.951,76) aan WR verschuldigd is.

4.4.

Het bedrag dat WR bij dagvaarding vordert is als volgt opgebouwd:

hoofdsom (facturen 23-9-19 en 18-10-2019) € 7.903,52

wettelijke handelsrente tot dagvaarding € 167,82

buitengerechtelijke incassokosten € 770,18

subtotaal € 8.841,52

af: betaald op 23-1-2020 € 1.951,76

totaal € 6.889,76.

4.5.

De betaling van € 1.951,76 heeft WR op grond van art. 6:44 BW eerst in mindering gebracht op de wettelijke handelsrente en de buitengerechtelijke kosten en voor het overige op de hoofdsom. WR heeft voldoende onderbouwd dat Liko de buitengerechtelijke kosten van € 770,19 alsmede de tot de dag van dagvaarding berekende wettelijke handelsrente van
€ 167,82 aan haar verschuldigd is. Omdat Liko daar geen verweer tegen gevoerd heeft, staat vast dat zij ook deze posten aan WR verschuldigd is geweest en dat WR de betaling terecht eerst op deze onderdelen in mindering heeft gebracht.

4.6.

Het bij dagvaarding gevorderde bedrag van € 6.889,76 bestaat dus op grond van voorgaande overweging alleen nog uit het restant van de bij facturen van 23 september en 18 oktober 2019 gefactureerde bedragen. Gelet op de eisvermindering bij repliek strekken de na dagvaarding door Liko betaalde bedragen van € 3.975,88 en € 770,18 derhalve in mindering op deze hoofdsom.

4.7.

Liko zal dus worden veroordeeld tot betaling aan WR € 2.143,70 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van voldoening.

4.8.

WR heeft bij repliek haar vordering vermeerderd met € 3.975,88. Hoewel hiertegen geen verweer gevoerd is, zal deze vermeerdering toch deels worden afgewezen. De vermeerdering is immers gebaseerd op het door WR na dagvaarding aan Liko gefactureerde bedrag van € 3.951,76. Er is geen grond aangevoerd waarom de vermeerdering dit bedrag overstijgt. Daarom wordt de eisvermeerdering slechts toegewezen tot een bedrag van

€ 3.957,88. Over dit bedrag kan de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding niet worden toegewezen omdat op dat moment dit bedrag nog niet was gefactureerd en uit geen enkele stelling van WR valt af te leiden dat de wettelijke handelsrente reeds verschuldigd was vóórdat het bedrag was gefactureerd. Omdat WR hier geen verdere stellingen over heeft ingenomen, kan verder ook niet worden vastgesteld vanaf welke andere datum Liko de wettelijke handelsrente verschuldigd is. De wettelijke handelsrente over dit bedrag is daarom niet toewijsbaar.

4.9.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Liko worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van WR tot op heden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 87,99

  • -

    griffierecht € 499,00

  • -

    salaris gemachtigde € 600,00 (2p. x € 300,00)

Totaal: € 1.186,99.

4.10.

Liko zal ook worden veroordeeld tot betaling van de nakosten, op de wijze als in de navolgende beslissing is bepaald.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt Liko tot betaling aan WR van € 2.143,70, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van betaling,

5.2.

veroordeelt Liko tot betaling aan WR van € 3.951,76,

5.3.

veroordeelt Liko tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van WR tot op heden begroot op € 1.186,99,

5.4.

veroordeelt Liko, onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door WR volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 120,00 aan salaris gemachtigde,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW