Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6327

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
C03/257032/HA ZA 18-563
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid voor alle getroffen (sanerings)maatregelen? Waardering rapport deskundigen. Toegelaten tot het leveren van bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/257032 / HA ZA 18-563

Vonnis van 26 augustus 2020

in de zaak van

ERVÉ B.V.,

gevestigd te Weert,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.J. Exterkate,

tegen

SOLAR ROOF INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Maastricht,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. H.H.T. Beukers.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans een in deze zaak op 13 mei 2020 gewezen vonnis, waarvan de nummering zal worden voortgezet.

12 De procedure

12.1

Het verloop van de procedure blijkt uit voornoemd vonnis van 13 mei 2020 waarin het verzoek om vonnis is toegewezen.

13 De beoordeling

in conventie en in reconventie

13.1

De in deze zaak in het tussenvonnis van 25 september 2019 benoemde drie deskundigen hebben de in dat tussenvonnis aan hen gestelde vragen in hun rapport van 5 maart 2020 beantwoord. In het hierna volgende zal de rechtbank telkens per vraag het daarop gegeven antwoord vermelden, vervolgens het eventuele commentaar van partijen op dat antwoord en tenslotte het oordeel van de rechtbank.

13.2.1

Vraag 1. welk commentaar heeft u op de wijze waarop de werkzaamheden zijn verricht zoals deze zijn te zien op bestand 2 (filmpje van opruimingswerkzaamheden). Beschrijf hierbij zo concreet en gedetailleerd mogelijk welke werkzaamheden u ziet en welk commentaar u daarop heeft;

Antwoord:

“• De video-opname is gemaakt op 7 september 2018 om 09.58 u (productie 3 Boels Zanders) en heeft een doorlooptijd van 95 seconden. Op deze datum vond de eerste eindcontrole plaats door Sanitas. Sanitas start de inspectie om 11.30 uur.

(Comm. desk: Vastgesteld is dat deze eindcontrole is uitgevoerd nà deze video-opname.

Het (open) werkgebied was ten tijde van deze video-opname derhalve logischerwijs nog niet vrijgegeven.)

• De video-opname begint met onduidelijke beelden waarop een witte afdekking (vocht op de folie?) te zien is dat op zanderige bodem ligt (PE folie?). Bij het begin van de film is de zandbodem niet volledig afgedekt met folie. Of dat eerder wel was blijkt niet uit de film.

• Op de video-opname, gefilmd vanuit de hoek van de rijbak, zijn vijf personen zichtbaar voorzien van ‘pak en masker’ (beschermde kleding en een volgelaatsmasker). Het dak boven het met linten en folie afgezette deel van de rijbak is open. De zandbodem is deels bedekt met folie, waarop duidelijk waarneembaar water aanwezig is. Eén van de zijwanden van folie is niet volledig gesloten. Er is een open verbinding waarneembaar tussen het gangpad naast de rijbak en de rijbak zelf. Het folie op de zandbodem wordt door vier van de vijf asbestsaneerders verwijderd. Dit gebeurt op een zodanige manier dat het water op de zandbodem terecht komt.

(Comm. desk.: Drie van de vijf saneerders dragen geen capuchon tijdens de werkzaamheden, hetgeen niet in overeenstemming is met geldende Arbo-voorschriften. Ook dragen enkele asbestsaneerders werkschoenen. Bij dit soort werkzaamheden behoren de saneerders veiligheidslaarzen te dragen.)

• Na 4 - 5 seconden is (zoals de Rb “in” leest) onder de letter “z” van het reclamebord een mestboy (poepschep) waarneembaar. Die had verwijderd moeten zijn voor de sanering

• Na 13 seconden is zichtbaar dat één van de saneerders een ladder, waarvan één sport lijkt te zijn afgebroken, tegen de muur van de rijbak legt.

Na 23 seconden pakt één van de saneerders een trap/opstapje van het folie en gooit dit op het gedeelte van de rijbak waar geen folie meer aanwezig is. Vervolgens wordt de folie op de zandbodem dat met duct tape tegen de folie aan de zijwand lijkt te zijn vastgeplakt, van de aan de zijkant hangende folie losgemaakt.

(Comm. Desk.: Het trapje lijkt een paardrijdattribuut dat voor de sanering verwijderd had

behoren te zijn.)

Op 47 seconden verschijnt links in het beeld een vijfde asbestsaneerder die de toplaag van de zandbodem met een attribuut bewerkt. In de tussentijd wordt de folie op de zandvloer verder verwijderd.

(Comm. Desk.: Hoewel dit op de video opname niet goed kan worden vastgesteld, lijkt het

erop dat de zandbodem met een hark wordt bewerkt. Dit is een gangbare methode om te controleren of in de toplaag van de zandbodem al of geen asbestrestanten/scherven terecht zijn gekomen.)

• Op 59 seconden haalt de saneerder (die de zandbodem schijnbaar met een hark bewerkt) een bal die ter linkerzijde van de rijbak buiten het beeld ligt met de hark zijn kant op en schopt er met zijn linkervoet tegenaan. De bal komt bij één van de andere asbestsaneerders (die bij de folie wand staat) voor de voeten. Deze saneerder pakt de bal op en schopt deze buiten het beeld weg. De verwijdering van de folie op de zandbodem gaat verder.

• Op 77 seconden lijkt de saneerder die met de hark aan het werk is, iets aan één van zijn collega’s te geven. Het verwijderen van de folie van de zandvloer wordt vervolgd. De saneerder met de hark bewerkt de zandbodem voorlangs de ladder die tegen de muur ligt omdat deze (de ladder) niet wordt verwijderd.

• Op 95 seconden stopt de film.

Commentaar deskundigen:

Het algemene beeld van de video-opname getuigt naar het oordeel van de deskundigen van

een ongedisciplineerde en onzorgvuldige werkwijze door de saneerders. Dit kan uit het

volgende worden afgeleid:

• De saneerders voldoen niet volledig aan de voorschriften met betrekking tot het gebruik

van de persoonlijke beschermingsmiddelen (“PBM’s”);

• Op de zandbodem zijn voorafgaande aan de sanering van het dak niet alle losse materialen en goederen verwijderd;

• Het folie wordt op een dusdanige manier verwijderd dat het water dat erop ligt op de

onderliggende paardrijbodem wegstroomt. Dit gebeurt voordat het werkgebied door een

RvA geaccrediteerd laboratorium is vrijgegeven;

• De deskundigen zijn van mening dat in de ochtend van 7 september 2018 de folie op de

zandbodem door de saneerders werd verwijderd in verband met de op handen zijnde

eindcontrole. Deze zou kort daarop plaatsvinden. De eindcontrole zou worden uitgevoerd

door Sanitas conform de NEN 2990 (“eindcontrole na asbestverwijdering”). Deze verplichting vloeit voort uit het certificatieschema zoals vastgelegd in bijlage XIII van de

Arboregeling. Sanitas beschikt over de voorgeschreven accreditatie voor een inspectieinstelling voor asbest.

De saneerders hadden deze folie voorafgaande aan de eindcontrole op dat moment echter

nooit mogen verwijderen omdat dit in strijd is met artikel 7.3.4, 4e aandachtsstreepje van

de NEN 2990. Hierin is vastgelegd dat ‘bij de uiteindelijke eindcontrole de folie tijdens de

eindinspectie in het bijzijn van de inspecteur moet worden verwijderd zodat een volledige

inspectie mogelijk is’.”

13.2.2

Ervé merkt ten aanzien van het antwoord van de deskundigen op vraag 1 op dat de deskundigen bij de beantwoording geen rekening hebben gehouden met de opname die als depot 1 is gedeponeerd. Daarop zou volgens Ervé zijn te zien dat folie met vuil is verwijderd, waarna nieuw en schoon folie is gelegd. Op dat nieuwe en schone folie is “gevoetbald”.

SRI heeft geen relevante opmerkingen over het antwoord van de deskundigen op vraag 1.

13.2.3

Het komt de rechtbank logisch voor, ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van hetgeen Ervé aanvoert zoals vermeld in rov. 13.2.2, dat de nieuwe folie is gelegd om vuil op te vangen. Dat misschien veel vuil op de verwijderde folie is gevallen welke folie met vuil en al is afgevoerd, doet dus niet af aan het feit dat de vervolgens gelegde folie niet is verwijderd zoals had gemoeten. In het kader van de vraag hoe SRI mocht reageren nadat zij het filmpje depot 2 zag, doet dus niet af het feit dat de eerst gelegde folie kennelijk volledig en goed was gelegd en volgens de regels van de kunst zou zijn verwijderd. Aan de betreffende opmerking van Ervé wordt voorbijgegaan. SRI heeft geen relevant commentaar op het door de deskundige gegeven antwoord op vraag 1. De rechtbank zal daarom verder recht doen uitgaande van de juistheid van het antwoord.

13.3.1

Vraag 2. Hoe verhoudt zich de wijze waarop de werkzaamheden blijkens het filmpje zijn verricht tot de inhoud van de opdracht? Kan hierbij relevant zijn het asbestinventarisatierapport van Heijing (productie 1 dagvaarding)? Waarom wel of niet?

Antwoord:

De opdracht betrof de verwijdering van de volgende door Heijing geïnventariseerde asbestbronnen:

o Bronnen 1, 2 en 3 dakvlak C/D 1216 m2 golfplaten

144 m1 windveren

o Bronnen 4, 5 en 6 dakvlak W 165 m2 golfplaten

26 m1 windveren

o Bronnen 7 en 8 wandvlak W 62 m2 golfplaten

14 m1 windveren

o Afdekken rijbak met folie

• Opgemerkt wordt, dat de reiniging van de (zeer waarschijnlijk ernstig met asbest verontreinigde) dakgoten niet tot de opdracht behoorde. Niettemin behoren deze uiteindelijk wel tot de opdracht omdat de dakgoten zich binnen 5 m1 van de golfplaten bevinden. Hierover werd in het inventarisatierapport van Heijing ook geen gewag gemaakt. Niettemin heeft de woordvoerder van Ervé op 9 januari 2020 tijdens het bezoek van de deskundigen aan de locatie verklaard dat de dakgoten wèl onder asbestcondities gereinigd zouden zijn. Uit de onderliggende stukken hebben wij dit echter niet kunnen vaststellen.

• De deskundigen hebben tijdens hun bezoek op 9 januari 2020 de indruk gekregen dat de golfplaten dakbedekking van de paardenboxen (232 m2) niet is gesaneerd. Dit behoort echter tot dakvlak C/D en dus tot de opdracht De deskundigen hebben mondeling aanbevolen om door middel van één of twee monsteranalyses van dit dak vast te stellen of dit dak al of niet asbesthoudend is.

• Uit het filmpje kan worden afgeleid dat de zandbodem voor een deel was afgedekt met folie. Hieruit kan niet worden vastgesteld of de zandbodem voor de opname wel geheel was afgedekt met folie.

De deskundigen hebben desgevraagd de beschikking gekregen over filmbestand depot 1 (timelapse van de gehele sanering). Op enkele filmbeelden kan worden waargenomen dat de zandbodem op dat moment wel volledig was afgedekt met folie. Hieraan moet worden toegevoegd dat op de timelapse te zien is dat de folie meerdere keren ‘opwaait’ (tijdstippen 1:03 en 1:23) waarbij de zandbodem over de gehele periode niet voor 100% was afgedekt.

• Opgemerkt wordt, dat de inventarisatie door Heijing is uitgevoerd ongeveer een jaar voordat de sanering in uitvoering is genomen. Gedurende deze periode is de rijhal - naar de deskundigen op 9 januari 2020 hebben vernomen - volledig in gebruik geweest. De deskundigen hebben eveneens op 9 januari vernomen dat direct voorafgaande aan de sanering geen visueel onderzoek is uitgevoerd naar de eventuele asbestverontreiniging op de zandbodem van de rijhal gedurende deze periode. Het wordt dan ook niet ondenkbaar geacht, dat de zandbodem gedurende dat jaar verontreinigd zou kunnen zijn met asbest dat afkomstig is of zou kunnen zijn van de directe omgeving van de gebouwen (asbestrestanten van het dak dat via de dakgoten op de grond terecht kunnen zijn gekomen). Dit zou wel waargenomen behoren te zijn door Sanitas, maar daarover is in het eindrapport geen melding van gemaakt.”

13.3.2

Ervé merkt ten aanzien van het antwoord van de deskundigen op vraag 2 op dat (a) de deskundigen zich, kort gezegd, ten onrechte bemoeien met de vraag wat de opdracht precies omvatte in de zin van welk (dak)deel en welke goten wel of niet binnen het bereik van de saneringsopdracht vielen en (b) dat de deskundigen verder geen antwoord op de vraag hebben gegeven.

SRI heeft geen relevant commentaar gegeven op het door de deskundigen gegeven antwoord op vraag 2.

13.3.3

Het commentaar van Ervé zoals dat hiervoor in 13.3.2 als a is vermeld, is juist. In dit geschil is niet in debat de vraag of alle overeengekomen werkzaamheden zijn uitgevoerd. In debat is de vraag of de verrichte werkzaamheden op de juiste wijze zijn uitgevoerd. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan hetgeen de deskundigen hebben opgemerkt over welke werkzaamheden binnen het bereik van de opdracht vielen. Anders dan Ervé stelt hebben de deskundigen vraag 2 wel beantwoord. De deskundigen hebben immers geantwoord dat de inhoud van de opdracht in die zin niet goed is uitgevoerd, omdat de zandbodem niet de hele tijd volledig afgedekt is geweest met folie. Die folie is, zo begrijpt de rechtbank, niet zodanig gelegd dat deze niet kon opwaaien. De folie is inderdaad opgewaaid. De deskundigen hebben verder geantwoord dat het niet ondenkbaar is dat de zandbodem al verontreinigd was met asbest voordat Ervé met haar werkzaamheden begon. De rechtbank stelt, gelet op het antwoord, als feit vast dat de opdracht niet goed is uitgevoerd omdat de rijbak bedekkende folie zodanig onzorgvuldig was gelegd, dat deze is opgewaaid en dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de zandbodem van de rijbak al asbestverontreiniging bevatte voordat Ervé met haar werkzaamheden begon.

13.4.1

Vraag 3. Na de onderhavige door Ervé uitgevoerde asbestverwijdering, zijn twee rapporten opgemaakt (productie 4 dagvaarding, rapporten Sanitas). Zouden deze rapporten door de rapporteur op dezelfde manier zijn opgemaakt en/of dezelfde inhoud hebben als de rapporteur voorafgaand kennis zou hebben genomen van de opruimingswerkzaamheden zoals te zien op het filmpje? Wat zou om welke reden in deze rapporten van Sanitas anders kunnen zijn? Welke graden van waarschijnlijkheid geeft u aan de punten/onderdelen/vaststellingen die volgens u anders zouden kunnen zijn indien de rapporteur van te voren kennis had gehad van de filmbeelden?

Antwoord:

“• Zoals eerder vastgesteld in het commentaar van de deskundigen onder vraag 1, had de folie op de zandbodem conform de NEN 2990 niet verwijderd mogen worden zònder de aanwezigheid van de inspecteur/rapporteur van Sanitas. Indien de inspecteur/rapporteur tijdens de verwijdering van de folie zoals te zien is op het filmpje wel aanwezig zou zijn geweest, zou naar de mening van de deskundigen een ander rapport behoren te zijn opgemaakt.

De inspecteur/rapporteur zou in dat geval niet hebben kunnen uitsluiten dat de zandbodem verontreinigd zou kunnen zijn geweest, tenzij hij/zij visueel had kunnen vaststellen dat het water op de folie ‘schoon’ was geweest.

Zou de inspecteur/rapporteur hebben vastgesteld dat de zandbodem wellicht wel verontreinigd zou kunnen zijn met asbest - hoewel dit mogelijk niet visueel waarneembaar was - had hij/zij kunnen besluiten om enkele monsters van de toplaag te nemen en te laten analyseren conform de NEN 5707 (“Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond”). Dit is een gevalideerde procedure om het asbestgehalte in bodem en partijen grond vast te stellen.

• De deskundigen hebben uit de rapportage van Sanitas vastgesteld, dat de visuele inspectie van de zandbodem in de rijhal ongeveer 45 minuten heeft geduurd. Deze inspectietijd is naar het oordeel van de deskundigen veel te kort om een grondige visuele inspectie te houden op/in de gordingen, de zandbodem en het overige werkgebied. Voor een dergelijke inspectie zou tenminste 2-2,5 uur moeten worden uitgetrokken.

• De deskundigen zijn van oordeel, dat het rapport van 7 september 2018 niet volledig correct is:

o Op pagina 1/7 staat vermeld dat de ondergrond verhard is. Dat geldt niet voor de zandbodem in de rijhal;

o Op pagina 2/7 staat beschreven dat ruimte droog is. Gezien de kort voor de inspectie vastgelegde filmbeelden is dit onwaarschijnlijk. Ook op de foto’s op pagina 6/7 lijkt de zandbodem natte plekken te vertonen (twee foto’s “overzicht rijhal”).”

13.4.2

Ervé noch SRI hebben relevant commentaar gegeven op het door de deskundigen gegeven antwoord op vraag 3. Nu ook de rechtbank geen commentaar heeft op het antwoord op vraag 3, neemt de rechtbank dit antwoord over en tot de hare.

13.5.1

Vraag 4. heeft u verder nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor de onderhavige zaak?

Antwoord:

“• Direct nadat Sanitas op 7 september 2018 de eindcontrole conform NEN 2990 had voltooid en het werkgebied had ‘vrijgegeven’, hebben beide partijen op 9 januari 2020 mondeling verklaard dat de rijhal direct daarna in feitelijk gebruik is genomen. Volgens een verklaring van beide partijen op 9 januari zou er een wielvoertuig de rijhal zijn ingereden om veiligheidsnetten op te hangen onder het dak ter voorbereiding op de daarna uit te voeren werkzaamheden. Dit is echter niet waarneembaar op de timelapse. Een dag later heeft de eigenaar van de manege, aldus zijn verklaring, de rijhal tot ‘verboden gebied’ verklaard. Dit wielvoertuig heeft tijdens deze manoeuvre(s?) gereden over de zandbodem.

Het is zeer wel denkbaar dat op dat moment asbestrestanten op de zandbodem terecht kunnen zijn gekomen.

• Naar de deskundigen uit de stukken en uit de gesprekken op 9 januari 2020 is gebleken, waren er bij de opdrachtgever SRI en de eigenaar van de manege na de ‘vrijgave’ door Sanitas twijfels over de juiste uitvoering en het juiste eindresultaat van de uitgevoerde sanering door Ervé. Met name was men ongerust over (…) het antwoord op de vraag of en in hoeverre de zandbodem van de rijhal zou zijn verontreinigd met asbest, ondanks het positieve resultaat van de eindcontrole door Sanitas.

Om hierin duidelijkheid te verschaffen heeft SRI in eerste instantie een indicatief onderzoek laten verrichten door KIWA door het nemen van enkele monsters in de rijhal. De resultaten hiervan zijn op 20 september door KIWA gerapporteerd. Hieruit bleek dat onder andere in twee monsters van de bovenlaag van de zandbodem asbest was gedetecteerd (Ml en M2). De deskundigen veronderstellen dat dit resultaat aanleiding was voor SRI om KIWA opdracht te geven voor een volledige asbestinventarisatie van onder andere de zandbodem in de rijhal. Dit onderzoek is blijkens het KIWA rapport uitgevoerd conform bijlage XIIIa van de Arboregeling (het certificatieschema). Deze Arboregeling is gebaseerd op het

Asbestverwijderingsbesluit.

De resultaten van dit onderzoek zijn op 15 november 2018 gerapporteerd (Versie 2.0). Hieruit bleek dat er sprake zou zijn van een ‘direct risico’ vanwege een ‘ernstige verontreiniging’. Nadrukkelijk werd aanbevolen om de ruimte (de rijhal) af te sluiten en direct tot sanering over te gaan. De werkzaamheden zouden (conform de SMA-rt bijlagen) moeten worden uitgevoerd in risicoklasse 2. In geval de aangetroffen verontreiniging niet zou worden gesaneerd werd de opstelling van een beheersplan aanbevolen.

De deskundigen veronderstellen dat de resultaten van dit rapport en de gedane aanbevelingen voor SRI de directe aanleiding was om de rijhal in containment te laten saneren door ‘Asbestsanering Het Zuiden’.

Door de deskundigen is vastgesteld, dat de uitgevoerde asbestinventarisatie door KIWA van de zandbodem geheel in strijd was met het Asbestverwijderingsbesluit, en dus met bijlage XIIIa van de Arboregeling. In artikel 2 van het Asbestverwijderingsbesluit is bepaald dat dit besluit niet van toepassing is op puin, puingranulaat, bodem, grond, slib, baggerspecie en grondwater. Voor de bepaling van het asbestgehalte wordt voor dit (bulk)materiaal verwezen naar het Productenbesluit Asbest. De resultaten dienen te worden getoetst aan de

restconcentratienorm (‘rcn’) van 100 mg/kg droge stof, dit is een gewogen concentratie. Onderschrijding van de ‘rcn’ impliceert dat het betreffende materiaal als ‘asbestvrij’ mag worden beschouwd als het asbest niet opzettelijk is toegevoegd. Voor het be/verwerken en het hergebruik hiervan zijn geen beperkingen opgelegd.

Overschrijding van de ‘rcn’ impliceert dat het betreffende materiaal beschouwd dient te worden als ‘asbesthoudend’. Het be/verwerken van dit asbesthoudende materiaal dient te worden uitgevoerd conform de vigerende Arbowetgeving. Het risicoregime waaronder deze werkzaamheden mogen worden uitgevoerd is gebaseerd op een Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) dat door een gecertificeerd kerndeskundige moet worden vastgesteld. Het risicoregime zoals vastgelegd in het certificatieschema (risicoklassen 1, 2 en 2A zoals vastgelegd in de SMA-rt systematiek) is hierbij in het geheel niet van toepassing. Evenmin is er sprake van een certificatieplicht voor het be/verwerken van dit asbesthoudende

bulkmateriaal volgens het procescertificaat asbestinventarisatie en asbestverwijderen.

De deskundigen hebben vastgesteld dat de asbestinventarisatie van de zandbodem in de rijhal niet is uitgevoerd conform het Productenbesluit Asbest, zodat aan de resultaten en de aanbevelingen geen waarde kan worden toegekend.

De conclusies ‘direct risico’ op grond van ‘een ernstige verontreiniging’ als gevolg waarvan de rijhal zou moeten worden afgesloten en direct tot sanering over te gaan, zijn dan ook nergens op gebaseerd.

Niettemin zijn door KIWA en Geonius elk een bodemmonster genomen en geanalyseerd conform de NEN 5707 (inspectie en monsterneming) en de NEN 5898 (Bepaling van het gehalte aan asbest in grond, waterbodem, bouw- en sloopafval en granulaat). Hieruit is gebleken dat boven de detectiewaarde voor asbest van 0,8 mg/kg droge stof geen asbest was aangetroffen.

De deskundigen zijn op grond van de gepresenteerde analyseresultaten van KIWA en Geonius van oordeel, dat de kans op overschrijding van de ‘rcn’ van de zandbodem in de rijhal als verwaarloosbaar klein moet worden beschouwd.”

13.5.2

Ervé heeft ten aanzien van antwoord van de deskundigen op vraag 4 aangevoerd dat voordat de manege tot verboden gebied is verklaard, een groot voertuig in de manege heeft gereden om netten op te hangen en dat een nieuw dak op de manege is gelegd. Uit foto’s van Sanitas blijkt dat er op 7 september 2018 nog geen dak lag op de hal en op foto’s van Kiwa van 13 september 2018 blijkt dat de hal toen wel weer een dak had.

Volgens SRI heeft zij na de uitslag van de monsters terecht Kiwa opdracht gegeven voor een volledige asbestinventarisatie. Die asbestinventarisatie is volgens SRI vervolgens terecht uitgevoerd met als basis het van toepassing zijnde Asbestverwijderingsbesluit, zodat terecht is gehandeld conform de op dit Asbestverwijderingsbesluit gebaseerde bijlage XIIIa van de Arboregeling (certificatieschema). SRI is daarom van mening dat de deskundigen ten onrechte uitgaan van de toepassing van het Productenbesluit Asbest.

13.5.3

Wat de opmerking van Ervé betreft heeft te gelden dat zij haar werkzaamheden heeft uitgevoerd tussen 3 tot en met 7 september 2018 (zie nr. 7 antwoord conventie/eis reconventie). Uit productie 8 antwoord conventie/eis reconventie blijkt dat Kiwa op 13 september 2018 monsters heeft genomen, waarbij zij foto’s heeft gemaakt. Op foto 1 Rijhal 1 van die productie 8 is te zien dat het dak van de rijhal inmiddels dicht is. Terecht merkt Ervé dus op dat er tussen 7 en 13 september 2018 een dak is gelegd door anderen en dat daarbij in elk geval een groot voertuig door de rijbak is gereden. Bij de verdere oordeelsvorming zal met dit feit rekening worden gehouden. Voor zover SRI bewijs heeft aangeboden dat geen werkzaamheden zijn verricht nadat Ervé haar werkzaamheden had beëindigd, is dit aanbod onvoldoende toegelicht en wordt dit daarom gepasseerd. In dat kader had SRI tenminste een verklaring moeten geven voor de bandensporen in het zand van de rijbak terwijl de slotwerkzaamheden van Ervé bestonden uit het aanharken van het zand en had SRI moeten uitleggen hoe en wanneer het open dak dan is gedicht, gelet op genoemde foto gemaakt door Kiwa.

Ter zake de opmerking van SRI geldt het volgende. Art. 2 van het Asbestverwijderingsbesluit bepaalt onder a dat dit Besluit niet van toepassing is op “puin, puingranulaat, bodem, grond, slib, baggerspecie en grondwater”. De Nota van Toelichting vermeldt wat deze uitzondering betreft “Het onderhavige besluit ziet niet op puin, puingranulaat, bodem, grond, slib, baggerspecie en grondwater. Omtrent de verwijdering van dergelijke bulkmaterialen zullen regels worden gesteld in het kader van de uitvoering van het in de kabinetsnotitie Bodembeheer op goede gronden neergelegde beleid (Brief aan de Tweede Kamer van 7 oktober 2003 (Kamerstukken II, 2003–2004, 28 199 XI, nr. 5). Voor de verwijdering van asbest uit de bodem, grond en baggerspecie, is reeds de Wet bodembescherming van toepassing. (…)”. Wat “grond” is, is niet in dit Asbestverwijderingsbesluit gedefinieerd. Uit de zin in de NvT “Voor de verwijdering van asbest uit de bodem, grond en baggerspecie, is reeds de Wet bodembescherming van toepassing” volgt dat ook voor de uitleg van wat “grond” in de zin van het Asbestverwijderingsbesluit is, gekeken moet worden naar hetgeen in of bij de Wet Bodembescherming (WBb) hieromtrent is bepaald. De WBb geeft geen definitie van grond. Het mede op de WBb gebaseerde Besluit bodemkwaliteit kent wel een definitie van grond. Krachtens art. 1 van dit Besluit is grond “vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie”. De rechtbank ziet niet dat op de bodem liggend rijbakzand niet binnen het bereik van deze definitie valt. Het antwoord van de deskundigen ter zake wordt dan ook als juist door de rechtbank overgenomen en tot de hare gemaakt. Dit betekent dat een sanering had moeten plaatsvinden conform het Productenbesluit Asbest. Hieruit vloeit voort dat, als Ervé toerekenbaar te kort is geschoten omdat tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden asbest in de rijbak terecht is gekomen, zij de kosten moet vergoeden die zouden zijn gemaakt als was schoongemaakt conform de regels in of bij het Productenbesluit Asbest. De stelling van SRI dat Ervé ook kan worden aangesproken voor de kosten gemaakt op grond van het foute Kiwa-advies, waarbij zij heeft verwezen naar HR 24 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA4004 (nr. 11 conclusie na deskundigenbericht), is onjuist. Er is immers geen sprake van samenhang van oorzaken zoals is bedoeld in dat arrest. SRI heeft zelf Kiwa als deskundige benaderd en heeft haar, wat dit betreft dus niet juiste, saneringsadvies opgevolgd. De inhoud en juistheid van dat advies loopt niet samen met de mogelijke toerekenbare tekortkoming van Ervé.

13.6

Uit de hiervoor weergegeven antwoorden van de deskundigen voor zover de rechtbank die juist heeft bevonden en tot de hare heeft gemaakt, volgt het volgende. Ervé heeft haar opdracht niet uitgevoerd volgens de regels van de kunst. Dat hierdoor asbesthoudende mos in de rijbak is gevallen (bron 1) en asbesthoudende stof is aangetroffen in de rijbak en (pag. 10 productie 8 dagvaarding) en asbesthoudend mos op het verlaagde plafond van de eerste verdieping boven de kantine terecht is gekomen, volgt hier nog niet uit. De deskundigen hebben immers ook vermeld “Het wordt dan ook niet ondenkbaar geacht, dat de zandbodem gedurende dat jaar verontreinigd zou kunnen zijn met asbest dat afkomstig is of zou kunnen zijn van de directe omgeving van de gebouwen (asbestrestanten van het dak dat via de dakgoten op de grond terecht kunnen zijn gekomen”. Verder hebben de deskundigen vermeld “Volgens een verklaring van beide partijen op 9 januari zou er een wielvoertuig de rijhal zijn ingereden om veiligheidsnetten op te hangen onder het dak ter voorbereiding op de daarna uit te voeren werkzaamheden. (…). Een dag later heeft de eigenaar van de manege, aldus zijn verklaring, de rijhal tot ‘verboden gebied’ verklaard. Dit wielvoertuig heeft tijdens deze manoeuvre(s?) gereden over de zandbodem.

Het is zeer wel denkbaar dat op dat moment asbestrestanten op de zandbodem terecht kunnen zijn gekomen.”. Al met al voert het dan ook te ver om alleen uit het filmpje af te leiden dat Ervé aansprakelijk is voor alle getroffen (sanerings)maatregelen. Daarvoor moet eerst komen vast te staan dat tijdens de door Ervé uitgevoerde werkzaamheden tussen 3 tot en met 7 september 2018 asbesthoudende mos in de rijbak is gevallen en/of asbesthoudende stof in de rijbak is gevallen en/of asbesthoudend mos op het verlaagde plafond van de eerste verdieping boven de kantine terecht is gekomen. Dit feit ligt ten grondslag aan het bevrijdende verweer van SRI en ten grondslag aan de vordering van SRI, zodat zij die feiten op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv moet bewijzen. SRI zal worden toegelaten tot het leveren van dit bewijs.

13.7

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

14 De beslissing

De rechtbank

in conventie en reconventie:

14.1

Laat SRI toe tot het leveren van bewijs van het feit dat tijdens de door Ervé verrichte werkzaamheden in de periode 3 tot en met 7 september 2018 asbesthoudende mos in de rijbak is gevallen en/of asbesthoudende stof is gevallen in de rijbak en/of asbesthoudend mos op het verlaagde plafond van de eerste verdieping boven de kantine terecht is gekomen;

14.2

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 september 2020 voor uitlating door SRI of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;

14.3

bepaalt dat SRI indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen;

14.4

bepaalt dat SRI, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen, hun advocaten en de getuigen in de maanden april 2021 tot en met juli 2021 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;

14.5

bepaalt dat de getuigenverhoren zullen plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.R. Sijmonsma in het gerechtsgebouw te Maastricht aan St. Annadal 1;

14.6

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;

14.7

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2020.