Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6247

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-08-2020
Datum publicatie
01-09-2020
Zaaknummer
AWB/ROE 20/423
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De korpschef heeft de jachtakte van eiser ingetrokken, omdat eiser het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Uit het mutatierapport volgt dat er een proces-verbaal tegen eiser is opgemaakt in verband met een overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994. Verweerder acht de inhoud van het mutatierapport terecht voldoende aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van eiser. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de omstandigheden van het geval, namelijk dat bij eiser meer dan het toegestane alcoholgehalte is geconstateerd, geen aanleiding heeft hoeven zien te volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 20/423

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr.drs. C.M.J.E.P. Meerts),

en

de Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: A.P.N. de Bruijn).

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2019 (het primaire besluit) heeft de korpschef de jachtakte van eiser

ingetrokken.

Bij besluit van 17 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft de minister het administratief

beroep van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden. Eiser is door de korpschef in het bezit gesteld van een jachtakte. De verleende jachtakte was geldig van 1 april 2019 tot en met 31 maart 2020. Eiser doet aan schadebestrijding op diverse percelen en heeft de beschikking over zeven (jacht)geweren.

2. Uit het mutatierapport van 18 juni 2019 volgt dat tijdens een grootschalige alcoholcontrole tegen eiser op 1 juni 2019 een proces-verbaal is opgemaakt wegens overtreding van artikel 8 tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994). Bij een ademanalyse heeft eiser 245 µg/l geblazen (toegestaan is 220 µg/l) . Eiser is een rijverbod van een uur opgelegd. De officier van justitie heeft eiser op 11 juli 2019 bovendien een strafbeschikking in de vorm van een geldboete van € 325,- aangeboden.

3. De korpschef heeft zich in het primaire besluit op het standpunt gesteld dat op grond van voormeld feit eiser het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd. De korpschef heeft de aan eiser verleende jachtakte op grond van artikel 5.4, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet natuurbescherming (Wnb) in samenhang gelezen met paragraaf 1.2 van de Circulaire Wapens en Munitie (Cwm 2018) ingetrokken, omdat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan eiser kan worden toevertrouwd.

4. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de korpschef terecht heeft geconcludeerd dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan eiser kan worden toevertrouwd en terecht de jachtakte heeft ingetrokken.

Verweerder acht het intrekken van de jachtakte een passende maatregel omdat van eiser mag worden verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde. Volgens verweerder kan overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994 als een dergelijke (ernstige) aantasting van de rechtsorde worden beschouwd. Volgens verweerder heeft de korpschef terecht de betrouwbaarheid van eiser in twijfel getrokken.

5. Eiser kan zich hier niet in vinden. Op hetgeen eiser heeft aangevoerd wordt hieronder – voor zover van belang – nader ingegaan.

Wettelijk kader

6. Op grond van artikel 5.4, vierde lid, onder c, van de Wet natuurbescherming (Wnb) wordt de jachtakte ingetrokken indien de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie dan wel van de bevoegdheid om wapens en munitie voorhanden te hebben, of indien anderszins aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd.

De Cwm 2018 vormt een geheel van algemene aanwijzingen voor ambtenaren, belast met de uitvoering van de wapenwetgeving.

In de Cwm 2018 onderdeel B/1.2 zijn de criteria opgenomen waaraan wordt getoetst of sprake is van een situatie dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd aan de houder.

Blijkens onderdeel B/1.2 van de Cwm 2018 komt degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde. Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering – ook naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) – voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering.

Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen. Bij dergelijk onderzoek kan blijken van veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken, en andere omtrent de aanvrager bekende feiten.

De vrees voor misbruik kan eveneens worden gebaseerd op een door de politie opgemaakt proces-verbaal dat (nog) niet tot een veroordeling heeft geleid of in het geval dat de persoon in kwestie in hechtenis heeft gezeten, zonder dat daar een onherroepelijke rechterlijke uitspraak aan ten grondslag ligt. Niet de veroordeling van de aanvrager of de vergunninghouder is immers de reden de vergunning te weigeren of in te trekken, maar de vrees voor misbruik. Die vrees kan er uiteraard ook al zonder veroordeling zijn.

Tevens is in onderdeel B van de Cwm 2018, beschreven dat ‘vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ twee verschillende omschrijvingen die inhoudelijk samenvallen. Hetgeen in de Cwm 2018 wordt opgemerkt met betrekking tot de invulling van het ‘vrees voor misbruik-criterium’ geldt daarom ook indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd.

Oordeel rechtbank

- Toepasselijkheid Cwm 2018

7. Volgens eiser is in de Wnb niet geregeld dat de beleidsregels van de Cwm 2018 van overeenkomstige toepassing zijn op jachtaktehouders, waardoor deze beleidsregels ten onrechte aan eiser zijn tegengeworpen. Verweerder verwijst in het bestreden besluit ten onrechte naar onderdeel B/1.2 van Cwm 2018.

8. Op grond van artikel 5.4, vierde lid, onderdeel c, van de Wnb wordt de jachtakte in elk geval ingetrokken indien de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie dan wel van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of indien er anderszins aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Vorenstaande is uitgewerkt in beleidsregels, vastgelegd in Cwm 2018. Hoewel in de Wnb niet wordt verwezen naar de Cwm 2018 acht de rechtbank de beoordeling aan de hand van de Cwm 2018 door verweerder rechtens juist. De rechtbank verwijst in dit verband bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1126, waaruit dit ook duidelijk volgt. Het betoog faalt.

- Het toevertrouwen van het voorhanden hebben van wapens en munitie

9. Volgens eiser zijn er geen aanwijzingen dat aan hem het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Verweerder heeft de veronderstelde twijfel onvoldoende geconcretiseerd, waardoor deze niet objectief toetsbaar is. Voorts is er volgens eiser geen sprake van een (ernstige) aantasting van de rechtsorde. Het gaat om eenmalig rijden onder minimale invloed met een kort rijverbod en een boete van de laagste categorie. Eiser wijst er bovendien op dat hij verzet heeft aangetekend tegen de bij strafbeschikking opgelegde boete. Dit brengt met zich dat onduidelijk is op welke basis van de wet en de Cwm 2018 het bestreden besluit is genomen.

10. De rechtbank overweegt dat het intrekken van een jachtakte een ambtshalve – en voor de belanghebbende belastend – besluit is. Daarom berust de last voor het aannemelijk maken van feiten die aan zo’n intrekking ten grondslag worden gelegd, bij het bestuursorgaan dat de betrokken bevoegdheid hanteert. Gelet hierop ligt het op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer kan worden toevertrouwd aan eiser.

11. De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2026 en de hiervoor vermelde uitspraak van 10 april 2019 dat verweerder terecht heeft overwogen dat uit de Cwm 2018 volgt dat degene die wapens en munitie voorhanden mag hebben in een bijzondere positie verkeert ten opzicht van zijn medeburgers. In het algemeen geldt immers een wettelijk verbod op het voorhanden hebben van wapens en munitie. De bijzondere positie brengt met zich dat van de houder van een jachtakte stipte naleving van wettelijke voorschriften wordt verlangd, ook als deze niet zijn gerelateerd aan wapenwetgeving. Ook wordt van de houder verlangd dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde. Geringe twijfel aan het verantwoord zijn van een uitzondering op het verbod om wapens en munitie voorhanden te hebben is reeds voldoende voor intrekking van een jachtakte.

12. Tegen die achtergrond en het feit dat de intrekking van de jachtakte een maatregel is ter bescherming van de veiligheid in de samenleving, mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat door het in het mutatierapport van 18 juni 2019 ten grondslag gelegde feit geringe twijfel is ontstaan. Volgens de Cwm 2018 kan vrees voor misbruik ook worden aangenomen op basis van andere omtrent de betrokkene bekende feiten dan een veroordeling, afkomstig uit politiële informatie afkomstig uit verschillende bronnen, zoals in dit geval een mutatierapport. Uit het mutatierapport volgt dat er op 1 juni 2019 een proces-verbaal jegens eiser is opgemaakt in verband met een overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994. Verweerder acht de inhoud van het mutatierapport terecht voldoende aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van eiser. De rechtbank volgt het standpunt van eiser, dat verweerder de veronderstelde twijfel onvoldoende heeft geconcretiseerd, dan ook niet. Dat de overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994, in dit geval niet kan worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde volgt de rechtbank evenmin. Eiser ontkent niet dat hij onder invloed van alcohol heeft gereden. Eiser stelt echter dat hij onder minimale invloed was en dat door het feit dat zijn strafzaak nog niet is voorgekomen nog niet in rechte vast staat dat hij daadwerkelijk teveel had gedronken. Dit doet, naar het oordeel van de rechtbank, echter niet af aan de omstandigheid dat het mutatierapport zelf reeds voldoende grondslag biedt voor het genomen besluit (zie ook de uitspraken van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2829, r.o. 2.2 en 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3197, r.o. 6.1). Het rijden onder invloed van alcohol is gekwalificeerd als een misdrijf en hoeft niet te worden beschouwd als een lichte overtreding. Dat de strafbeschikking nog niet onherroepelijk is, doet er niet aan af dat eiser nog steeds verdachte van een misdrijf is dat maakt dat er twijfels zijn over het voorhanden hebben van wapens en munitie kan worden toevertrouwd. Het betoog faalt.

- Schriftelijke waarschuwing

13. Voorts had de korpschef volgens eiser moeten volstaan met een schriftelijke waarschuwing, omdat sprake is van een lichte overschrijding van het toegestane alcoholpercentage en dus van een lichte onregelmatigheid waarvan in de Cmw 2018 is aangegeven dat deze kan worden afgedaan met een waarschuwing.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de omstandigheden van het geval, namelijk dat bij eiser meer dan het toegestane alcoholgehalte is geconstateerd, geen aanleiding heeft hoeven zien te volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Volgens de Cwm 2018 kan met een waarschuwing worden volstaan als sprake is van een ‘lichte onregelmatigheid met betrekking tot de naleving van de aan een vergunning verbonden voorschriften en beperkingen.’ Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat van een dergelijke situatie in dit geval geen sprake is. Uit het mutatierapport van 18 juni 2019 volgt dat eiser bij een ademanalyse 245 µg/l heeft geblazen. Dit betreft weliswaar een geringe overschrijding (het alcoholgehalte van ervaren bestuurders mag niet hoger zijn dan 220 µg/l), maar het betreft een misdrijf, waarbij eiser, door zichzelf als bestuurder van een motorvoertuig met een dergelijke hoeveelheid alcohol in het verkeer te bewegen, gevaarzetting opleverde voor de verkeersveiligheid. Het betoog faalt.

- Belangenafweging

15. Verder betoogt eiser dat verweerder de belangen van eiser en van derden ten onrechte niet heeft meegewogen in de besluitvorming. Eiser heeft documenten overgelegd waaruit volgt dat zijn inzet ten behoeve van schadebestrijding dringend gewenst is.

16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser terecht niet gevolgd in zijn betoog dat de belangen van eiser en derden niet dan wel onvoldoende zouden zijn meegewogen. Gelet op het dwingende karakter van artikel 5.4, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wnb dient de korpschef de jachtakte in te trekken indien er aanwijzingen zijn dat het voorhanden hebben van wapens of munitie aan de betrokken persoon niet langer kan worden toevertrouwd. Dus ongeacht het belang dat eiser of anderen heeft/hebben bij het behoud daarvan. De rechtbank verwijst naar de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 10 april 2019 (ro. 4.1). Nu, zoals uit voorgaande overwegingen volgt, de rechtbank heeft vastgesteld dat er aanwijzingen zijn dat het voorhanden hebben van wapens of munitie eiser niet kan worden toevertrouwd, is er geen ruimte voor een belangenafweging. Het betoog faalt.

- Ontbreken stukken

17. Eiser heeft er verder op gewezen dat er stukken ontbreken. Volgens eiser zijn delen van stukken onleesbaar gemaakt, ontbreekt er een proces-verbaal en is de ademanalyse ten onechte niet overgelegd.

18. De rechtbank overweegt dat verweerder zich, zoals uit voorgaande overwegingen volgt, terecht heeft gebaseerd op het mutatierapport van 18 juni 2019, waaruit volgt dat tegen eiser op 1 juni 2019 een proces-verbaal is opgemaakt wegens overtreding van artikel 8 tweede lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het mutatierapport. Dat er delen onleesbaar zijn gemaakt, de ademanalyse en een proces-verbaal ontbreken bij de stukken is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet relevant, omdat het niet leidt tot het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest. Het brengt de rechtbank dan ook niet tot een ander oordeel. Het betoog faalt.

- Gelijkheidsbeginsel

19. Tot slot heeft eiser zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Volgens eiser is de korpschef in een vergelijkbaar – zelfs erger – geval overgegaan tot het opleggen van een waarschuwing. Volgens eiser is er blijkbaar dus wel ruimte om van de Cmw 2018 af te wijken en valt niet te begrijpen waarom er in zijn geval wordt overgegaan tot intrekking.

20. Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen naar de mate waarin zij met elkaar overeenkomen gelijk moeten worden behandeld. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel eerst ter zitting heeft gedaan en niet nader met stukken heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is het eerst ter zitting innemen van dit niet nader onderbouwde standpunt in strijd met de goede procesorde, omdat verweerder deze stelling daardoor niet op juistheid heeft kunnen onderzoeken en daarop ook niet meer naar behoren kan reageren. Om die reden zal de rechtbank deze stelling dan ook niet beoordelen. Het betoog faalt.

Conclusie

21. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de jachtakte terecht ingetrokken op grond van artikel 5.4, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wnb.

22. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.C.A. Wilschut, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.L. Kousen, griffier.

Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is buiten staat deze

uitspaak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 24 augustus 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.