Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6211

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
8680854 CV EXPL 20-3644
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Huurzaak. Kort geding. Afwijzing vordering tot ontruiming gegrond op overlast. Overlast is weliswaar aannemelijk maar het middel van ontruiming in kort geding dient een ultimum remedium te zijn en is pas aan de orde als alternatieve middelen om de overlast veroorzakende huurder tot ander gedrag te bewegen niet hebben mogen baten. Alternatieve middelen nog onvoldoende benut.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer 8680854 CV EXPL 20-3644

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 20 augustus 2020

in de zaak van

de stichting WONINGSTICHTING MEERSSEN,

statutair gevestigd en kantoorhoudend aan de Bunderstraat 28, 6231 EL Meerssen,

eisende partij,

gemachtigde mr. C.F.J. Leenarts,

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam], in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van de heer [naam onderbewindgestelde],

kantoorhoudende aan de [adres 1] , [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. R.A. Wijnands.

Partijen zullen hierna Woningstichting Meerssen, [gedaagde] q.q. en [naam onderbewindgestelde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de door Woningstichting Meerssen nagezonden producties

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de mondelinge behandeling van 17 augustus 2020

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[naam onderbewindgestelde] heeft met Woningstichting Meerssen een schriftelijke huurovereenkomst gesloten op grond waarvan hij per 29 oktober 2014 van Woningstichting Meerssen huurt de woonruimte aan de [adres 2] te [woonplaats] (verder: de woning). Op deze overeenkomst zijn de ‘Algemene Huurvoorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte’ van toepassing.

2.2.

In deze algemene huurvoorwaarden staat voor zover relevant:

“(…) 6.3. Huurder zal het gehuurde gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt. (…)

6.7.

Huurder dient ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door huurder (…) Tevens dient huurder zich als goed huurder te gedragen richting medewerkers van verhuurder en/of door verhuurder ingehuurde derden. Fysiek of verbaal geweld, agressiviteit, dan wel ander wangedrag leidt tot passende (juridische) maatregelen jegens huurder, die kunnen leiden tot beëindiging van de huurovereenkomst. (…)”

2.3.

Bij beschikking van 9 februari 2018 zijn de goederen van [naam onderbewindgestelde] vanaf 16 februari 2018 onder bewind gesteld met benoeming van [gedaagde] van [handelsnaam] tot bewindvoerder.

3 Het geschil

3.1.

Woningstichting Meerssen vordert de veroordeling van [gedaagde] q.q. - de facto [naam onderbewindgestelde] - tot ontruiming van de woning, nakoming van alle uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen waaronder betaling van (achterstallige) huur, vermeerderd met de wettelijke rente en betaling van de proceskosten en ontruimingskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

Woningstichting Meerssen legt aan haar vordering ten grondslag dat [naam onderbewindgestelde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en zich niet als goed huurder heeft gedragen. Daartoe voert Woningstichting Meerssen aan dat [naam onderbewindgestelde] vanaf eind 2018 overlast aan omwonenden veroorzaakt, welke overlast bestaat uit geluidsoverlast (stampen, schreeuwen, met spullen gooien), het zwaaien met een mes en agressief, intimiderend en bedreigend gedrag. Woningstichting Meerssen heeft [naam onderbewindgestelde] bij brief van 27 mei 2020 erop gewezen dat omwonenden overlast van hem ondervinden en [naam onderbewindgestelde] gesommeerd de overlast te staken, bij gebreke waarvan zij rechtsmaatregelen zal nemen welke kunnen leiden tot ontruiming van de woning en ontbinding van de huurovereenkomst. Volgens Woningstichting Meerssen is er sprake van een onhoudbare situatie en kan zij niet meer instaan voor het rustige en ongestoorde woongenot van haar andere omwonende huurders.

3.3.

[gedaagde] q.q. heeft verweer gevoerd, waarop hierna voor zover relevant nader zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vraag of Woningstichting Meerssen in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening dient te worden beantwoord aan de hand van de afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Voor wat betreft deze belangenafweging staat voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een ingrijpende maatregel is, die diep ingrijpt in het woonrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Om die reden moet telkens van geval tot geval en met inachtneming van alle betrokken belangen worden beoordeeld of er voldoende (zwaarwegende) bijzondere omstandigheden zijn, die de toepassing van een dergelijke, in de praktijk vaak definitieve maatregel, rechtvaardigen.

4.2.

Voorop wordt gesteld dat een huurder geen overlast of hinder mag veroorzaken aan medebewoners en omwonenden.

4.3.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is duidelijk geworden dat [naam onderbewindgestelde] kampt met psychische problemen en dat hij (hoogstwaarschijnlijk mede als gevolg van die problemen) ontoelaatbare overlast veroorzaakt. Daarmee schiet [naam onderbewindgestelde] toerekenbaar tekort in de nakoming van de op zijn uit artikel 7:213 BW en artikelen 6.3. en 6.7. van de algemene huurvoorwaarden voortvloeiende huurdersverplichtingen.

4.4.

Vervolgens rijst de vraag of voormeld tekortschieten van [naam onderbewindgestelde] (een eventueel in een bodemprocedure gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en) de gevorderde ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Voorshands kan die vraag naar het oordeel van de kantonrechter niet bevestigend worden beantwoord, althans kan voorshands niet zonder meer gezegd worden dat de bodemrechter met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid tot het oordeel zal komen dat (ontbinding van de huurovereenkomst en de daarmee samenhangende) ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.

Ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde dienen een ultimum remedium te zijn. Deze middelen om de overlast te doen beëindigen, komen pas aan de orde als alternatieve middelen om de overlast veroorzakende huurder tot ander gedrag te bewegen niet hebben mogen baten. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter zijn de alternatieve middelen nog onvoldoende benut. Woningstichting Meerssen heeft aangevoerd dat [naam onderbewindgestelde] vanaf januari 2019 is besproken in het reguliere maandelijkse overleg dat met de gemeente, GGD Vangnet, GGZ en de wijkagent plaatsvindt, maar waarin deze overleggen concreet geresulteerd hebben is desgevraagd ter zitting onvoldoende gebleken. Verder heeft er een thuisbezoek plaatsgevonden, maar was een gesprek vanwege taalbarrière niet mogelijk. Het was wenselijk geweest indien bij dat gesprek de bewindvoerder van [naam onderbewindgestelde] en/of een tolk aanwezig was geweest, dan wel een vervolggesprek zou hebben plaatsgevonden in aanwezigheid van een tolk. Hoewel Woningstichting Meerssen op de hoogte was van het (beschermings)bewind, heeft zij om haar moverende redenen ervoor gekozen om pas zeer recent, anderhalve maand geleden, contact op te nemen met de bewindvoerder. Het was wenselijk geweest indien Woningstichting Meerssen in een eerder stadium de bewindvoerder had benaderd, zodat ook eerder hulpverlenende instanties ingeschakeld hadden kunnen worden. Nadat de bewindvoerder [gedaagde] in kennis is gesteld van het overlast veroorzakende gedrag van [naam onderbewindgestelde] heeft zij meteen hulpverlenende instanties benaderd, hetgeen erin geresulteerd heeft dat recent ambulante begeleiding vanuit Levanto, in de vorm van een woonbegeleider, is gestart en thans aan een plan van aanpak wordt gewerkt. Relevant in dit kader is eveneens dat [naam onderbewindgestelde] openstaat voor hulp en deze hulpverlening heeft aanvaard.

4.6.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter had van Woningstichting Meerssen verwacht mogen worden dat zij zich meer inspanningen getroost had om de door de omwonenden ondervonden overlast te doen eindigen alvorens in rechte ontruiming te vorderen. De kantonrechter wil hierbij echter benadrukken dat de door [naam onderbewindgestelde] veroorzaakte overlast ernstig is en [naam onderbewindgestelde] als een terdege gewaarschuwd man heeft te gelden. [naam onderbewindgestelde] dient ervoor zorg te dragen dat hij zijn leefgedrag als huurder verbetert, maar hij moet, gegeven de geschetste feiten en omstandigheden, waaruit volgt dat ook Woningstichting Meerssen steken heeft laten vallen, wel een (laatste) kans krijgen om dat met hulp van de recent ingeroepen instantie(s) te realiseren. Op dit moment is de gevorderde ontruiming te prematuur. Voorshands kan dan ook niet gezegd worden dat er een zeer grote mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de kantonrechter in een bodemprocedure de vorderingen tot ontbinding van de overeenkomst en ontruiming van het gehuurde zal toewijzen. De gevorderde ontruiming zal dan ook worden afgewezen.

4.7.

Niet gebleken is dat er sprake is van een huurachterstand dan wel dat de (betalings)verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst niet nagekomen zullen worden, zodat dit deel van de vordering eveneens zal worden afgewezen.

4.8.

Woningstichting Meerssen zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagde] q.q. worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 720,00 salaris gemachtigde. De gevorderde nakosten zullen op de hierna onder 5.3. weergegeven wijze worden toegewezen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Woningstichting Meerssen in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagde] q.q. tot op heden begroot op € 720,00,

5.3.

veroordeelt Woningstichting Meerssen, onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door [gedaagde] q.q. volledig aan de veroordeling onder 5.2. voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 120,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met de kosten van dat exploot,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.R.A. Timmermans-Vermeer en getekend en in het openbaar

uitgesproken door mr. E.V.L. Heuts.

CJ