Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6185

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
8648831 CV 20-3407
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzuimdatum onduidelijk, wettelijke rente vanaf datum dagvaarding, bik afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8648831 \ CV EXPL 20-3407

Vonnis van de kantonrechter van 19 augustus 2020

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ZILVEREN KRUIS ZORGVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eisende partij,

gemachtigde GGN Mastering Credit B.V.,

tegen:

[gedaagde] ,

h.o.d.n. [handelsnaam 1] , t.h.o.d.n. [handelsnaam 2] ,

in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [naam onderbewindgestelde],

mede kantoorhoudende [adres] ,

[vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

Op grond van artikel 111 lid 2 onder d Rv dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden en op grond van artikel 21 Rv dient eisende partij de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.

2.2.

De kantonrechter is van oordeel dat de dagvaarding aan de voormelde vereisten voldoet.

2.3.

Gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed een consument te zijn.

Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient de rechter de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht ook toe te passen als daar niet om gevraagd is (‘ambtshalve toepassing’).

2.4.

De kantonrechter is van oordeel dat in deze zaak geen beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht zijn geschonden.

2.5.

Eisende partij vordert – samengevat - veroordeling van gedaagde partij tot betaling van een bedrag van € 361,58, te vermeerderen met rente en kosten.

2.6.

Ter onderbouwing van haar vordering voert eisende partij (samengevat) het volgende aan.

Eisende partij heeft op grond van een met gedaagde partij gesloten zorgverzekeringsovereenkomst bedragen bij gedaagde partij in rekening gebracht. De totale achterstand bedraagt volgens eisende partij € 301,08. Daarnaast is gedaagde partij aan haar de wettelijke rente verschuldigd. Eisende partij berekent de wettelijke rente tot 24 juni 2020 op € 5,86. Voorts stelt zij dat gedaagde partij aan haar een vergoeding van € 54,64 voor buitengerechtelijke kosten inclusief btw verschuldigd is.

2.7.

De vordering ten aanzien van de hoofdsom staat als niet weersproken tussen partijen vast en behoort als onvoldoende betwist te worden toegewezen.

2.8.

Eisende partij stelt dat gedaagde partij wettelijke rente aan haar verschuldigd is vanaf de vervaldatum van iedere factuur, zijnde 30 dagen na factuurdatum. Uit de facturen blijkt echter dat de betaaltermijn 20 dagen bedraagt. Nu onduidelijk is met ingang van welke datum gedaagde partij met de betaling van de aan de hoofdsom onderliggende facturen in verzuim is, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. Door de daad van dagvaarding is in elk geval verzuim ingetreden.
2.9. Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Alvorens aanspraak bestaat op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, moet kunnen worden vastgesteld dat en met ingang van welke datum gedaagde partij in verzuim is. Nu, gelet op het vorenstaande, de verzuimdatum onduidelijk is kunnen de buitengerechtelijke incassokosten niet worden toegewezen.

2.10.

Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 105,09

  • -

    griffierecht € 124,00

  • -

    salaris gemachtigde € 72,00 (1 x tarief € 72,00)

totaal € 301,09

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 301,08, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2020 tot de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt gedaagde partij in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 301,09,

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.

type: JEC