Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6175

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
8255071 CV 20-155
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen hebben uitvoering gegeven aan hetgeen zij bij de comparitie zijn overeengekomen.De ingestelde vordering en de getroffen regeling is beperkt tot de buitenmuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8255071 CV EXPL 20-155

Vonnis van de kantonrechter van 19 augustus 2020

in de zaak van

1 [eiser] ,

2. [eiseres],

beiden wonend te [woonplaats 1] ,

eisers,

gemachtigde [naam gemachtigde] , handelend onder de naam [handelsnaam] ,

tegen

[gedaagde] ,

wonend aan de [adres 1] , [woonplaats 2] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna (eisers gezamenlijk en in enkelvoud) [eisers] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord

- de conclusie van antwoord

- de rolbeslissing waarbij een comparitie van partijen is bepaald

- de door [eisers] ten behoeve van de comparitie in het geding gebrachte aanvullende producties

- het proces-verbaal van comparitie van 14 mei 2020

- de akte uitlating van [eisers]

- de akte uitlating van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eisers] is eigenaar van het perceel gelegen aan de [adres 2] te [plaatsnaam] . [gedaagde] is woonachtig in het naastgelegen perceel, gelegen aan de [adres 1] te [woonplaats 2] . Tegen de buitenmuur van de woning van [eisers] is begroeiing geplant.

2.2.

Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert [eisers] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van [gedaagde] :

  • -

    de kadastrale erfgrens te respecteren en derhalve binnen zeven dagen na het vonnis alle klimop (heesters), boom en andere begroeiing die zijn geplant tegen de buitenmuur van de woning van [eisers] (binnen de wettelijk bepaalde afstand van 50 centimeter van de grenslijn van het erf van [eisers] ) te verwijderen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,00,

  • -

    om binnen zeven dagen na het vonnis alle door klimop (heesters), boom en andere begroeiing ontstane gaten in de buitenmuur van de woning van [eisers] te dichten bij voorkeur door een daartoe gespecialiseerd bedrijf, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,00,

  • -

    de kadastrale erfgrens in de toekomst te respecteren en dus geen heesters, bomen of heggen meer te planten binnen de wettelijk bepaalde afstand van de erfgrens van de woningen van partijen,

  • -

    tot betaling van de proceskosten en nakosten.

2.3.

[gedaagde] voert verweer.

2.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, worden ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Bij gelegenheid van de comparitie van 14 mei 2020 zijn partijen overeengekomen:

1. Partijen zullen woensdag 20 mei aanstaande samen de betreffende muur opnemen en bezien tot welk punt de muur vrij van begroeiing gemaakt moet worden in verband met eventuele wateroverlast (einde badkamer). [gedaagde] zal de begroeiing dan tot dat punt verwijderen binnen veertien dagen, waarna [eisers] binnen veertien dagen daarna de muur zal dichtmaken.

2. Partijen zullen de kantonrechter na uitvoering hiervan berichten of de procedure kan worden ingetrokken.

3. Na uitvoering van het in deze overeenkomst bepaalde, verlenen partijen elkaar over en weer finale kwijting ter zake van het onderhavige geschil.

4. Partijen doen afstand van het recht deze overeenkomst te ontbinden of te doen ontbinden.

5. Partijen verzoeken de procedure door te halen onder compensatie van kosten.

3.2.

Bij e-mailbericht van 14 juni 2020 deelt [gedaagde] aan [eisers] en de kantonrechter mee:

“(…) Op 2 juni jl heb ik u bericht dat de muur vrij is gemaakt van begroeiing. Op 9 juni bent u langsgekomen om de reparaties aan de muur te verrichten. Tijdens dit bezoek gaf u te kennen dat u het ook wenselijk achte de restant begroeiing in de rechter hoek te verwijderen. Aan dit verzoek heb ik inmiddels ook voldaan (…)

U heeft de plekken met openstaande voegwerk inmiddels ook netjes bijgewerkt, maar ik zag dat de u het voegwerk achter de regenpijp (de aanhechting van uw muur aan mijn pand) niet heeft gerepareerd. Voor mij is dit verder prima, maar ik wil het wel opgemerkt hebben mochten zich onverwijld in de toekomst alsnog vochtproblemen hier ten gevolge van voordoen. (…)”

3.3.

Bij e-mailbericht van 15 juni 2020 deelt [eisers] aan [gedaagde] en de kantonrechter mee:

“(…) de afspraak was dat u onze muur over de volledige lengte, zo bleek na bepaling vd badkamer/keuken, zou vrijmaken waarna wij de gaten in deze muur zouden dichten om toekomstige (water) schade te voorkomen.

Na het weghalen van de klimop komt u, als ik uw e-mail van zondag 14 mei goed begrijp, tot de conclusie dat uw begroeiing niet alleen onze muur heeft aangetast maar ook een stukje voegwerk tussen onze en uw muur.

Het repareren hiervan was niet overeengekomen en kan ook niet de verwachting zijn (…)”

3.4.

Met verwijzing naar de tussen partijen gevoerde (en hiervoor deels weergegeven) e-mailcorrespondentie bericht [eisers] de kantonrechter dat een en ander niet is opgelost en de procedure dus niet kan worden ingetrokken.

3.5.

De kantonrechter oordeelt dat de door [eisers] ingestelde vordering en de tussen partijen bij gelegenheid van de comparitie getroffen regeling is beperkt tot de buitenmuur van de woning van [eisers] . Dit brengt met zich dat de kantonrechter buiten de rechtsstrijd van partijen treedt indien hij een oordeel zou geven over het (niet gerepareerde) voegwerk achter de regenpijp. Die kwestie maakt immers geen onderdeel uit van de vordering van [eisers] en evenmin van de tussen partijen getroffen regeling. Nu uit de tussen partijen gevoerde e-mailcorrespondentie blijkt dat partijen uitvoering hebben gegeven aan hetgeen zij bij gelegenheid van de comparitie zijn overeengekomen, is de zaak afgedaan.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

stelt vast dat partijen uitvoering hebben gegeven aan de door hen op 14 mei 2020 getroffen regeling en dat de zaak daarmee is afgedaan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en is in het openbaar uitgesproken.

CJ