Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6173

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
7985714 CV 19-5690
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van bewaarneming. Goederen zonder toestemming in gebruik genomen. Vordering tot betaling van een gebruiksvergoeding en schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 7985714 CV EXPL 19-5690

Vonnis van de kantonrechter van 19 augustus 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

COCON B.V. ,

statutair gevestigd te Naarden,

eiseres,

gemachtigde mr. H.J. Smit,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHELDEBOUW B.V.,

gevestigd te Heerlen,

gedaagde,

gemachtigde mr. M. van Sintmaartensdijk.

Partijen worden hierna Cocon en Scheldebouw genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 1 augustus 2019 met 14 producties,

  • -

    de conclusie van antwoord met 5 producties,

  • -

    de schriftelijke reactie van Cocon,

  • -

    de antwoordakte van Scheldebouw,

  • -

    de mondelinge behandeling van 12 mei 2020 en de voortzetting daarvan op 17 juni 2020, beide via Skype.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.2.

Cocon heeft als bedrijfsactiviteit het ontwerpen, verkopen en bemiddelen bij verhuur van zogenaamde spaceboxen.

2.3.

Scheldebouw is een onderneming die zich voornamelijk richt op het ontwerp, de engineering, de realisatie en plaatsing van gevels.

2.4.

Op 15 april 2014 hebben Cocon en Scheldebouw een overeenkomst gesloten genaamd “Proprietary Information Agreement” (hierna: PIA) (productie 4 dagvaarding). Deze overeenkomst werd gesloten met het oog op de productie door Scheldebouw van door Cocon ontwikkelde spaceboxen.

2.5.

In oktober 2014 heeft Cocon aan Scheldebouw twee spaceboxen in bewaring gegeven om als showmodel te tonen aan potentieel geïnteresseerden. Het betrof een oranje (grote) spacebox en een beige (kleinere) spacebox. De spaceboxen zijn op het terrein van Scheldebouw geplaatst.

2.6.

De besprekingen tussen partijen hebben in 2015 niet tot productieafspraken geleid.

2.7.

Op 8 januari 2016 stuurt Scheldebouw een e-mailbericht (productie 2 bij antwoord) aan Cocon met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

“(…)

Op dit moment hebben wij nog steeds 2 space boxen in opslag.

Zijn er op dit moment plannen mee ?

Is het probleem als ik deze 2 units tijdelijk ergens anders in opslag neem ?

Wij krijgen het de komende maanden bijzonder druk. Wij hebben een aantal grote projecten in London in opdracht.

(…)”

2.8.

Daarop reageert Cocon op 15 januari 2016, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

Ik heb de 2 units aan diverse gemeenten in Nederland aangeboden als onderdeel van een groter pakket.

a.s. maandag heb ik een eerste afspraak met een gemeente.

Ik hoop daarom spoedig met een oplossing te komen, als het mogelijk is zou ik je willen verzoeken nog even te wachten met de verplaatsing.

(…)”

(productie 2 bij antwoord)

2.9.

Op 18 januari 2016 reageert Scheldebouw als volgt:

“Beste [naam 1] ,

Ik ben genoodzaakt deze 2 units snel te verplaatsen.

Wat zijn de kosten als wij tijdelijk huur betalen voor de tijd dat wij ze ergens anders opslaan?”

(productie 2 bij antwoord)

2.10.

Daarop reageert Cocon per e-mail van 25 januari 2016 als volgt:

“Beste [naam directeur] ,

Als je een plekje weet waar de units (tijdelijk) kunnen staan verplaats ze dan.

Ik heb ook [naam adviseur] gevraagd met suggesties te komen.

Vandaag is mijn broer overleden, dus ik heb even andere prioriteiten, sorry!

[naam 1] ”

(productie 2 bij antwoord)

2.11.

Scheldebouw schrijft in haar e-mailbericht van 23 februari 2016 het volgende:

“(…)

Wat betreft de twee spaceboxen heb ik mogelijkheid om ze tijdelijk (ongeveer 1 jaar) ergens anders op te slaan.

Kosten voor transport etc zijn voor onze rekening.

Hoop dat je hiermee in kunt stemmen.”

(productie 2 bij antwoord)

2.12.

Op 23 februari 2016 schrijft Cocon het volgende:

“Excuses dat ik nog niet bij je teruggekomen ben op de spaceboxen. Ik vind het fijn dat je een oplossing gevonden hebt. Natuurlijk akkoord. Ik hoor graag de details.”

2.13.

Medio 2016 zijn de spaceboxen in een montagehal van Ferro Construct in Meulebeke (België) geplaatst, alwaar door Scheldebouw onderdelen werden geproduceerd voor hun project genaamd ‘AstraZeneca’ in Cambridge (Engeland).

2.14.

Eind 2017 zijn de spaceboxen verplaatst naar de firma [naam firma] te Hoensbroek (hierna: [naam firma] ).

2.15.

Begin 2018 heeft Cocon zich bij Scheldebouw gemeld en de spaceboxen teruggevorderd.

2.16.

Cocon stuurt op 27 februari 2018 aan Scheldebouw een brief met daarin, voor zover relevant, het volgende:

“(…)

  • -

    In 2014 werd CoCon B.V. geïntroduceerd bij Scheldebouw Heerlen, door de heer [naam adviseur] .

  • -

    De heer [naam adviseur] . was indertijd adviseur bij Scheldebouw.

  • -

    Diverse gesprekken vonden plaats tussen ondergetekende en de heer [naam directeur] , toenmalig directeur van uw Heerlen vestiging, met als doelstelling gezamenlijk vasttestellen of Spacebox door Scheldebouw geproduceerd kon worden.

  • -

    Op 15 april 2014 werd door partijen een “propriety information agreement” getekend.

  • -

    Besloten werd dat CoCon twee “show modellen” ter beschikking zou stellen. Het werd een ongebruikte compleet ingerichte (keuken, badkamer, verwarming elektra etc.) Spacebox, kleur oranje, maatvoering (lang. 7500 x breed 3500, hoog 2800) en een gebruikte maar lege Spacebox, kleur beige (6500 x 3000 x 2800).

  • -

    Hoewel de vooruitzichten voor de markt zeer gunstig waren (asielzoekers centra) besloot Scheldebouw, althans voorlopig, de productie niet te activeren. De voorkeur ging uit naar een “upmarket” versie van het product. De recessie stond echter de verkoop van deze versie in de weg. Bovendien kreeg Scheldebouw Heerlen een grote opdracht, die alle aandacht en ruimte opeiste.

  • -

    De heer [naam directeur] stelde op 23 februari 2016 voor de units tijdelijk elders op te slaan. (zie bijlage)

  • -

    Begin dit jaar werd CoCon benaderd door een potentiële klant voor twee Spaceboxen.

  • -

    Ondergetekende nam contact op met uw Heerlen vestiging op 30 januari j.l. en sprak met diverse medewerkers, waaronder een zekere [naam 2] , die verantwoordelijk zou zijn voor het terrein en de fabriekshallen. Helaas kon niemand vertellen waar de Spaceboxen zich bevinden.

  • -

    De inmiddels bij Scheldebouw vertrokken heer [naam directeur] informeerde mij vervolgens dat de units zich waarschijnlijk in België zouden bevinden bij uw vestiging Ferro Construct. Zij zouden daar in gebruik genomen zijn als tijdelijk kantoor.

  • -

    Tijdens een telefonisch onderhoud stelde een medewerker van Ferro Construct dat het afgelopen najaar (2017) de Spaceboxen terug vervoerd zouden zijn naar Nederland. Dit zou gebeurd zijn nadat zij een aanbod om de units te kopen hadden afgeslagen.

  • -

    Een zekere [naam 3] van de vestiging Heerlen bevestigde dat de Spaceboxen inderdaad zijn opgehaald, maar hij heeft geen idee waar zij thans zijn.

(…)”

2.17.

Scheldebouw heeft op 9 maart 2018 aan Cocon gemaild (productie 11 dagvaarding):

“We hebben de door u toegezonden documenten beoordeeld.

Hieruit blijkt niet zonder meer, dat u eigenaar zou zijn van de space boxen.

Niettemin zijn wij toch bereid om de spaceboxen aan u af te geven.

Daarover nog het volgende. Uw spaceboxen hebben lange tijd op ons terrein gestaan en ook nog op een andere locatie.

Al die tijd heeft u geen onderhoud aan de spaceboxen gepleegd en er verder niet naar omgekeken. Door het tijdsverloop is de staat van de spaceboxen natuurlijk niet meer exact dezelfde als voorheen.

Verder constateren wij, dat uw spaceboxen al die tijd op onze terreinen hebben gestaan zonder dat daar enige stallingskosten voor zijn betaald.

Wij zijn dus bereid om de spaceboxen aan u af te geven doch op de volgende voorwaarden:

1. De spaceboxen dienen door u voor eigen rekening te worden opgehaald bij [naam firma] (…)

2. U dient de spaceboxen uiterlijk op 30 maart te hebben opgehaald.

3. U aanvaardt de spaceboxen in de huidige staat.

4. Nadat u de spaceboxen heeft opgehaald, is deze kwestie definitief (…) afgedaan.”

2.18.

Scheldebouw heeft per mail van 28 maart 2018 Cocon gesommeerd om de twee spaceboxen uiterlijk op 30 maart 2018 op te halen en Cocon - mede - bericht:

“Maandagmorgen 26 maart 2018 hebben we op ons kantoor in Middelburg gesproken over uw spaceboxen.

Hierbij bevestig ik het volgende:

Per e-mail van 9 maart 2018 (…) hebben wij aangegeven, dat u de spaceboxen uiterlijk op 30 maart 2018 voor eigen rekening kunt ophalen bij de firma [naam firma] in Hoensbroek.

Maandag gaf u aan, dat u van plan bent dit niet te zullen doen.

Wij hebben met de firma [naam firma] kunnen afspreken om de spaceboxen tot en met 30 maart 2018 voor u beschikbaar te houden om door u te worden afgehaald.

Na deze datum kunnen wij daar niet meer voor instaan en dient u daarover zelf afspraken te maken met de firma [naam firma] .

Vanaf 31 maart 2018 kunt u Scheldebouw niet meer aanspreken op het afgeven van de spaceboxen.

Ofwel u haalt de spaceboxen uiterlijk op 30 maart 2018 op bij de firma [naam firma] ofwel u maakt zelf afspraken met deze firma over het stallen van de spaceboxen op hun terrein vanaf 31 maart 2018.

Wij wijzen u erop, dat uw eigendommen (de 2 spaceboxen) op het terrein staan van [naam firma] en dat dit uiteraard niet kan voortduren zonder daarover concrete afspraken te maken.”

(productie 12 dagvaarding).

2.19.

Op 29 maart 2018 heeft Cocon aan Scheldebouw een factuur gestuurd voor een bedrag van € 21.780,00 inclusief btw ter zake huurpenningen voor beide boxen over de periode 1 maart 2016 tot en met 1 maart 2018 (productie 7 dagvaarding).

2.20.

Bij e-mailbericht van 13 april 2018 heeft ook [naam firma] aan Cocon verzocht de spaceboxen op te halen (productie 17 dagvaarding). [naam firma] stuurde daartoe een door Scheldebouw opgestelde tekst aan Cocon door waarin stond:

“De 2 spaceboxen waarvan u heeft aangegeven eigenaar te zijn staan bij mij gestald op het terrein. Scheldebouw heeft u gevraagd om deze spaceboxen uiterlijk eind maart 2018 op te halen van mijn terrein. Hieraan heeft u geen vervolg gegeven.

Via dit schrijven wil ik u nogmaals vragen deze spaceboxen uiterlijk 20 april 2018 van mijn terrein op te halen. Indien u dit niet doet, ben ik genoodzaakt stallingskosten in rekening te brengen van 50 Euro per spacebox per dag.”

2.21.

Cocon heeft bij dagvaardingsexploot van 11 april 2018 Scheldebouw in kort geding gedagvaard en gevorderd dat Scheldebouw zou worden veroordeeld om alle bescheiden met betrekking tot het project AstraZeneca aan Cocon beschikbaar te stellen, tot het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan de spaceboxen en tot betaling aan Cocon van € 83.406,00. Bij vonnis van 22 mei 2018 zijn de vorderingen van Cocon afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang (productie 21 dagvaarding en productie 3 bij antwoord). Bij datzelfde vonnis is Cocon in reconventie veroordeeld om binnen vijf dagen na betekening de beide spaceboxen terug te nemen, door deze op te halen bij [naam firma] .

2.22.

Cocon heeft beide spaceboxen teruggenomen en opgehaald.

3 Het geschil

3.1.

Cocon vordert - na vermindering van eis - dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Scheldebouw veroordeelt om aan Cocon te betalen € 23.600,00, alsmede de proceskosten.

3.2.

Cocon legt - samengevat - aan haar vordering ten grondslag dat Scheldebouw onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld ten gevolge waarvan Cocon schade heeft geleden. Het onrechtmatig handelen van Scheldebouw bestaat erin dat zij geen, althans onvoldoende, informatie aan Cocon heeft gegeven ter zake de (actuele) standplaats van de spaceboxen, dat zij het bestaan van een relatie met Cocon heeft ontkend en het eigendomsrecht van Cocon heeft betwist, dat zij informatie heeft achtergehouden over het plaatsen van de spaceboxen bij Ferro Construct in België en de boxen aldaar in gebruik heeft genomen. Volgens Cocon is Scheldebouw daarom huur, dan wel een gebruiksvergoeding aan Cocon verschuldigd. Ook zijn de spaceboxen beschadigd zodat Scheldebouw gehouden is deze schade aan Cocon te vergoeden. Verder stelt Cocon dat Scheldebouw onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door de spaceboxen te koop aan te bieden en door de firma [naam firma] te vragen om stallingskosten bij Cocon in rekening te brengen.

3.3.

Cocon heeft haar vordering als volgt gespecificeerd:

Voortraject speurtocht naar Spacebox € 3.870

Huur gedurende 1 jaar € 9.000

Materiaal herstel € 4.705

Vervoer Hoensbroek / Dordrecht

50% van betwiste nota van € 2.300 € 1.150

Reiskosten Renesse/Dordrecht

(8x via Oosterhout 240 km en 2x direct 160 km) € 425

Arbeid 112 uur x € 50 € 5.600

Totaal € 24.750

De kosten ter zake het voortraject zijn als volgt gespecificeerd:

Lokaliseren spaceboxen 8 uur à € 100 € 800

Inspectie Hoensbroek 6 uur à € 100 € 600

Bezoek Scheldebouw de heer [naam 4] 2 uur € 200

Gegevens verzamelen juridische bijstand € 1.600

Totaal € 3.200

Btw 21% € 672

Totaal € 3.872 incl. btw.

3.4.

Scheldebouw voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De stellingen van Cocon dat Scheldebouw geen informatie zou hebben verstrekt met betrekking tot de standplaats van de spaceboxen, dat Scheldebouw het lokaliseren van de spaceboxen zou hebben tegengewerkt, dat zij informatie zou hebben achtergehouden ter zake het plaatsen van de boxen bij Ferro Construct, dat Scheldebouw de relatie met Cocon zou hebben ontkend en dat zij het eigendomsrecht van Cocon ter zake de boxen zou hebben betwist, vormen - gelet op de gemotiveerde betwisting aan de zijde van Scheldebouw - onvoldoende grondslag om een onrechtmatig handelen door Scheldebouw aan te nemen. De kantonrechter acht het niet onwaarschijnlijk dat na verloop van de jaren en nadat binnen Scheldebouw een wisseling van de wacht heeft plaatsgevonden (de heer B. [naam 4] heeft de heer [naam directeur] opgevolgd) niet - ook niet voor de personen werkzaam bij Scheldebouw - direct duidelijk was dat Scheldebouw over spaceboxen van Cocon beschikte en waar die spaceboxen zich dan bevonden. Ook de vraag naar een bewijs van eigendom van Cocon was daarom niet geheel misplaatst. Niet, althans onvoldoende, is gebleken dat Scheldebouw geen informatie heeft willen verstrekken aan Cocon, dan wel dat zij Cocon bewust heeft getracht te misleiden of tegen te werken.

De stelling dat Scheldebouw de boxen zou hebben verkocht aan (een) derde(n) of dat zij de boxen heeft willen verkopen, is - indien al juist - niet (meer) relevant nu Cocon de boxen inmiddels weer in haar bezit heeft. Niet gesteld of gebleken is dat Cocon daardoor enige schade heeft geleden. Evenmin is vast komen te staan dat Scheldebouw onoorbaar druk zou hebben uitgeoefend op de heer [naam directeur] en op de firma [naam firma] en is het - los daarvan - nog maar de vraag in hoeverre dat een onrechtmatig handelen jegens Cocon zou kunnen opleveren.

Gelet op het door Scheldebouw gemotiveerd gevoerde verweer en op het procesverloop acht de kantonrechter geen termen aanwezig om Cocon toe te laten tot nadere bewijslevering van deze stellingen.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst op basis waarvan de spaceboxen aan Scheldebouw ter beschikking werden gesteld, kwalificeert als een overeenkomst van bewaarneming (art. 7:600 BW). Niet, althans onvoldoende, gebleken is dat deze overeenkomst op enig moment is overgegaan in een huurovereenkomst op basis waarvan Scheldebouw aan Cocon huurpenningen verschuldigd zou zijn. De enkele vraag van de heer [naam directeur] in zijn e-mailbericht van 18 januari 2016 (productie 2 bij antwoord) aan Cocon “Wat zijn de kosten als wij tijdelijk huur betalen voor de tijd dat wij ze ergens anders opslaan?” kan niet leiden tot de conclusie dat een huurovereenkomst tot stand is gekomen.

Cocon behoefde er evenwel - gelet op de tussen partijen gemaakte afspraken en de tussen hen gevoerde correspondentie (zie e-mailberichten van 8, 15, 18, 25 januari 2016 en 23 februari 2016, productie 2 bij antwoord) - niet op bedacht te zijn dat Scheldebouw de boxen zelf in gebruik ging nemen. Anders dan Scheldebouw in haar conclusie van antwoord onder 3.5. stelt, is immers niet gebleken dat zij expliciet toestemming heeft gevraagd aan Cocon om de boxen te gebruiken. Voor het aannemen van een huurovereenkomst en derhalve het verschuldigd zijn van huurpenningen, heeft Cocon echter onvoldoende aangevoerd. Het voorgaande betekent dat de vordering tot betaling van huur van € 9.000,00 zal worden afgewezen. De kantonrechter acht wel termen aanwezig om aan Cocon een gebruiksvergoeding toe te kennen waarbij een vergoeding van € 100,00 per maand per box redelijk wordt geacht. Niet in geschil is dat de boxen van mei 2016 tot en met juli 2017 (14 maanden) in België door Scheldebouw zijn gebruikt zodat aan Cocon een gebruiksvergoeding van € 2.800,00 zal worden toegekend.

4.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter is op grond van de stukken en hetgeen partijen naar voren hebben gebracht wel gebleken dat de boxen door Scheldebouw in gebruik zijn genomen en dat daardoor de algehele staat van de spaceboxen is verslechterd.

Cocon verwijst voor wat betreft de beginstaat van de spaceboxen naar de foto’s overgelegd als productie 5 bij dagvaarding. Volgens haar was de oranje (grote) spacebox gloednieuw en ongebruikt. De kleinere, beige spacebox was niet nieuw en had op enkele beurzen gestaan. De foto’s overgelegd als productie 24 bij dagvaarding betreffen volgens Cocon de foto’s van de boxen nadat deze in 2018 weer in het bezit van Cocon kwamen.

Volgens Scheldebouw bestaat er onduidelijkheid over de begin- en eindstaat van de spaceboxen. Er is geen (begin- of eind)opname opgesteld met betrekking tot de staat van beide boxen en niet duidelijk is of de overgelegde foto’s als productie 5 bij dagvaarding daadwerkelijk de twee spaceboxen zijn, die aan Scheldebouw ter beschikking zijn gesteld, aldus Scheldebouw. Volgens haar waren beide boxen bij aanvang reeds gebruikt (en niet nieuw). Zij verwijst daarvoor naar een verklaring van de heer [naam directeur] (productie 4 bij antwoord) waarin hij verklaart: “Deze 2 spaceboxen waren verouderd en uitgeleefd. Met Cocon is toen afgesproken om deze spaceboxen gezamenlijk op te knappen zodat ze toonbaar waren voor mogelijke klanten.”

4.4.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan, ondanks de onduidelijkheid over de exacte begin- en eindstaat van de spaceboxen - gelet op de stellingen van partijen te dier zake over en weer - ervan uit worden gegaan dat de boxen op het moment dat deze bij Scheldebouw werden geplaatst, in goede staat verkeerden. Doel was immers de boxen te gaan gebruiken als showmodel en dan is niet goed voorstelbaar dat Cocon daarvoor uitgeleefde boxen ter beschikking zou stellen. Uit de verklaring van de heer [naam adviseur] , die de spaceboxen nadat deze door Cocon bij [naam firma] waren weggehaald, heeft geïnspecteerd (productie 23 dagvaarding), blijkt verder genoegzaam van de slechte staat waarin de boxen in 2018 werden opgeleverd, wat ook overeenstemt met de foto’s overgelegd als productie 24 bij dagvaarding. Weliswaar verklaart de heer [naam directeur] (productie 4 bij antwoord) dat de boxen door partijen gezamenlijk zijn opgeknapt (wat door Cocon op haar beurt weer wordt betwist), echter daaruit volgt niet dat de boxen reeds bij aanvang in zodanig slechte staat verkeerden als thans blijkt uit de verklaring van de heer [naam adviseur] en de foto’s. Scheldebouw heeft (de inhoud van) de verklaring van [naam adviseur] niet, althans onvoldoende, gemotiveerd betwist zodat naar het oordeel van de kantonrechter vast staat dat de boxen in die staat zijn opgeleverd. Tijdens het verhandelde ter zitting is verder nog gebleken dat de boxen gedurende de periode dat deze in België gebruikt werden, (ook) zijn gebruikt door het aldaar werkzame productiepersoneel, wat een geheel ander gebruik betreft, dan (slechts) het gebruik als kantoor. Scheldebouw zal derhalve de schade die Cocon dientengevolge heeft geleden, dienen te vergoeden.

4.5.

Cocon vordert € 4.750,00 aan vergoeding kosten voor herstel van de boxen. Zoals hiervoor is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat Scheldebouw de boxen niet in dezelfde staat heeft opgeleverd als waarin zij ze ontvangen heeft. Cocon heeft deze schadepost in de dagvaarding gespecificeerd, maar heeft de afzonderlijke herstelkosten verder niet met bescheiden onderbouwd. Vast staat echter dat de boxen in slechte(re) staat zijn opgeleverd zodat de kantonrechter de schade ex aequo et bono schat op € 2.500,00.

4.6.

Ter zake de gevorderde kosten met betrekking tot het voortraject en het lokaliseren van de boxen van € 3.870,00 oordeelt de kantonrechter dat enerzijds Scheldebouw niet, althans onvoldoende, de zorg van een goed bewaarder in acht heeft genomen. Anderzijds heeft Cocon ook nagelaten eerder tot actie over te gaan en heeft zij de boxen voor nagenoeg vier jaren bij Scheldebouw achtergelaten zodat naar het oordeel van de kantonrechter Cocon deze kosten deels zelf dient te dragen. Ter zake de tijd en kosten gemoeid met het lokaliseren van de boxen, de inspectie in Hoensbroek en de bespreking met Scheldebouw (in totaal € 1.600,00) zal de kantonrechter de helft van die kosten toewijzen, zijnde € 800,00, waarbij de kantonrechter het gehanteerde uurtarief door Cocon van € 100,00 per uur redelijk acht.

De gevorderde vergoeding voor kosten verzamelen juridische bijstand van € 1.600,00 zullen worden afgewezen, nu deze kosten niet, althans onvoldoende, zijn onderbouwd. Deze werkzaamheden vormen verder de vereiste voorbereiding van deze procedure, waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te sluiten.

4.7.

De gevorderde reiskostenvergoeding van € 425,00 zal worden afgewezen nu niet, althans onvoldoende, is gesteld waarom deze voor rekening van Scheldebouw dienen te komen. Met betrekking tot de schadepost “reiskosten Hoensbroek / Dordrecht 50% van betwiste nota € 2.300” heeft Cocon tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd aangegeven dat dit deel van de vordering per abuis is opgenomen en de totale vordering met dat bedrag verminderd kan worden waardoor de totale vordering alsdan nog € 23.600,00 bedraagt.

4.8.

De gevorderde vergoeding voor arbeidsuren (112 uur x € 50,00, zijnde € 5.600,00) zal worden toegewezen aangezien Scheldebouw deze kosten niet, althans onvoldoende, gemotiveerd heeft betwist.

4.9.

Nu partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt Scheldebouw om aan Cocon te betalen € 11.700,00,

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.3.

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken.

RJ