Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6131

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
8692378 CV EXPL 20-3796
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet in kort geding. In de tussenliggende periode (na verstekvonnis) is beschikking gegeven die als bodemprocedure heeft te gelden in verhouding tot het kort geding. In verzet door opposant aangevoerd dat eiseres in het kort geding geen belang meer heeft bij toewijzing omdat in de beschikking de vorderingen zoals die in kg waren ingesteld geheel zijn toegewezen (en zelfs meer). Eiseres op die grond alsnog niet-ontvankelijk verklaard, waardoor rechtskracht aan het verstekvonnis is komen te vervallen. Dit impliceert tevens dat geen dwangsommen uit de tenuitvoerlegging van dat vonnis verschuldigd kunnen zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8692378 CV EXPL 20-3796

Vonnis van de kantonrechter van 18 augustus 2020

in het kort geding van

[opposant] , handelend als eenmanszaak onder de naam [handelsnaam],

wonend in [woonplaats 1] [land] aan de [adres 1] ,

opposant,

gemachtigde mr. P.C.W. Gubbels-Willems,

tegen

[geopposeerde] ,

wonend in [woonplaats 2] aan het [adres 2] ,

geopposeerde,

gemachtigde mr. Y. Kunze,

Partijen worden hierna [opposant] en [geopposeerde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

[opposant] heeft bij exploot van dagvaarding d.d. 14 juni 2020 verzet in kort geding ingesteld tegen een op vordering van [geopposeerde] door de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht, gewezen verstekvonnis van 7 november 2019 met registratienummer 7999914 CV EXPL 19-5820 en hij heeft alsnog verweer gevoerd.

1.2.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de van de zijde van [geopposeerde] ontvangen producties

  • -

    de mondelinge behandeling op 13 augustus 2020.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[handelsnaam] is resp. was een [bedrijf] , gevestigd te [vestigingsplaats] . [opposant] is resp. was eigenaar van deze eenmanszaak.

2.2.

[geopposeerde] was met ingang van 1 november 2007 in dienst van [opposant] in de functie van [functie] . Het overeengekomen loon bedroeg laatstelijk € 807,90 bruto per maand exclusief vakantiegeld. Zij heeft haar werkzaamheden steeds verricht te [vestigingsplaats] .

2.3.

Begin mei 2019 heeft [handelsnaam] haar activiteiten gestaakt en heeft [opposant] geen loon meer aan [geopposeerde] betaald.

2.4.

Bij voornoemd verstekvonnis in kort geding van 7 november 2019 heeft de kantonrechter op vordering van [geopposeerde] [opposant] veroordeeld tot:

  • -

    betaling van € 3.2231,60 brutoloon, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente;

  • -

    betaling van € 807,90 brutoloon per maand vanaf 1 september 2019 tot het einde van de arbeidsovereenkomst;

  • -

    verstrekking van deugdelijke loonspecificaties over de loontijdvakken vanaf 1 mei 2019, binnen twee weken na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom, gemaximeerd tot € 10.000,00;

  • -

    betaling van de proceskosten en de nakosten.

2.5.

Het vonnis van 7 november 2019 is op 20 december 2019 aan [opposant] betekend, doch niet in persoon.

2.6.

Bij beschikking van 14 juli 2020, met registratienummer 8478752 AZ VERZ 20-49, heeft de kantonrechter op verzoek van [geopposeerde] de arbeidsovereenkomst per die datum ontbonden en voorts - voor zover hier van belang - [opposant] veroordeeld tot betaling aan [geopposeerde] van:

  • -

    het achterstallig loon en de vakantiebijslag over de periode mei 2019 tot en met april 2020;

  • -

    de openstaande vakantiedagen tot einde arbeidsovereenkomst;

  • -

    de transitievergoeding;

  • -

    een billijke vergoeding;

alsmede om aan [geopposeerde] om aan deugdelijke loonspecificaties over de maanden mei 2019 tot en met april 2020, een deugdelijke fiscale jaaropgave en een overzicht van de openstaande vakantiedagen te verstrekken, binnen vijf werkdagen na betekening van die beschikking, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [opposant] daarmee in gebreke blijft tot een maximumbedrag van € 5.000,00.

3 De vordering

[opposant] vordert om van de veroordeling in het verstekvonnis te worden ontheven en [geopposeerde] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering althans die vordering af te wijzen, een en ander onder verwijzing van [geopposeerde] in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

Vaststaat dat de betekening van het verstekvonnis van 7 november 2019 niet in persoon is geschied. Van het plegen van enige daad waaruit noodzakelijk bekendheid bij [opposant] met dat vonnis voortvloeit, is niet gebleken. Uit de Whatsapp-conversatie zoals die door [geopposeerde] als productie 4 in het geding is gebracht, valt die bekendheid niet af te leiden. Van een eerdere bekendheid met het verstekvonnis dan op 25 mei 2020, zijnde de dag waarop [opposant] zelf stelt met het vonnis bekend te zijn geraakt, is niet gebleken, zodat de kantonrechter daarvan uit zal gaan. Dit betekent dat [opposant] met het exploot van

14 juni 2020 tijdig verzet ex art. 143 Rv heeft gedaan.

4.2.

Zoals ter zitting reeds is besproken is door het onderhavige verzet het eerder aanhangig gemaakte kort geding herleefd: het verzet-exploot is - materieel gezien - de conclusie van antwoord in dat kort geding. In de beschikking van 14 juli 2020, die als bodemprocedure heeft te gelden ten aanzien van het kort geding, is inhoudelijk ten gronde beslist op de vorderingen zoals die eerder in dit kort geding waren gevorderd en (deels) toegewezen, en is zelfs over een veel langere periode beslist. Met die beschikking is daarom het belang van [geopposeerde] aan een beslissing over de onderhavige vorderingen in kort geding komen te ontvallen. Op die grond zal de kantonrechter de vordering van [opposant] in verzet toewijzen in die zin, dat hij het verstekvonnis van 7 november 2019 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoend, [geopposeerde] in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren. Wellicht ten overvloede merkt de kantonrechter daarbij op dat daarmee de rechtskracht aan het vonnis van 7 november 2019 met terugwerkende kracht ontvalt (en geen dwangsommen uit de tenuitvoerlegging van dat vonnis verschuldigd kunnen zijn).

4.3.

De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

vernietigt het door de Rechtbank Limburg, locatie Maastricht, gewezen verstekvonnis van 7 november 2019 onder registratienummer 7999914 CV EXPL 19-5820 en de daarin uitgesproken veroordeling in de zaak van [geopposeerde] als eisende partij en [opposant] als gedaagde partij, en doet opnieuw recht in navolgende zin,

5.2.

verklaart [geopposeerde] niet-ontvankelijk in haar vordering,

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en is in het openbaar uitgesproken.

RK