Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6111

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
C/03/252140 / FA RK 18-2502 en C/03/252219 / FA RK 18-2552
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag ondanks moeizame communicatie, parallel ouderschap, zorgregeling, alimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 18 augustus 2020

Zaaknummers: C/03/252140 / FA RK 18-2502 en C/03/252219 / FA RK 18-2552

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven

in de zaak met zaaknummer C/03/252140 / FA RK 18-2502:

[de vader] ,

verzoeker, verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat mr. S.T.M. Horst, kantoorhoudende te Maastricht,

tegen:

[de moeder] ,

wederpartij, verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat mr. C.A. Offermans, kantoorhoudende te Hoensbroek, gemeente Heerlen,

en in de zaak met zaaknummer C/03/252219 / FA RK 18-2552:

[de moeder] ,

verzoeker, verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat mr. C.A. Offermans, kantoorhoudende te Hoensbroek, gemeente Heerlen,

tegen:

[de vader] ,

Wederpartij verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat mr. S.T.M. Horst, kantoorhoudende te Maastricht,

In deze procedures zijn de volgende minderjarigen betrokken:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats] .

Met toepassing van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland, gevestigd te Maastricht,

verder te noemen: de raad, door de rechtbank als adviseur bij deze zaken betrokken.

Wederom gezien de stukken, waaronder thans ook de door deze rechtbank gegeven en op

9 april 2019 uitgesproken beschikking.

1 Verder verloop van de procedure

In zaaknummer: 252140:

1.1.

Het verder verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

  • -

    het rapport van de raad van 8 oktober 2019, ontvangen op 10 oktober 2019;

  • -

    de reactie van de moeder van 12 november 2019;

  • -

    de reactie van de vader van 13 november 2019;

  • -

    het aanvullend verzoek van de vader, ontvangen op 21 februari 2020;

  • -

    de brief van de moeder van 21 februari 2020;

  • -

    de brief van de vader van 25 februari 2020;

  • -

    de brief van de moeder van 3 maart 2020;

  • -

    de brief van de vader van 3 maart 2020;

  • -

    de bij e-mail van 10 maart 2020 van de vader overgelegde e-mail van 5 maart 2020 van [naam] ( medewerker school [minderjarige 2] );

  • -

    de reactie van de moeder bij brief van 10 maart 2020, ingekomen op 11 maart 2020;

  • -

    het verweerschrift van de moeder op het aanvullend verzoek van de vader, ingekomen op 25 maart 2020;

  • -

    de reactie van de vader bij brief van 19 mei 2020;

  • -

    de brief van de moeder van 9 juni 2020 (met bijlagen);

  • -

    de bij e-mail van 12 juni 2020 van de vader ingekomen intrekking primaire verzoek alsmede een voorwaardelijk verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);

- de door de vader bij brief van 23 juni 2020 overgelegde producties.

In zaaknummer: 252219

1.2.

Het verder verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het rapport van de raad van 8 oktober 2019, ontvangen op 10 oktober 2019;

  • -

    de reactie van de moeder van 12 november 2019;

  • -

    de reactie van de vader bij e-mail van 13 november 2019;

  • -

    de brief van 10 maart 2020 van de moeder, met bijlagen;

  • -

    de brief van de moeder van 9 juni 2020 (met bijlagen).

In zaaknummers 252140 en 252219

1.3.

De rechtbank heeft beide zaken gevoegd. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 juni 2020, waarbij zijn verschenen:

- de vader , bijgestaan door zijn

advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- een vertegenwoordigster van de raad.

1.4.

De advocaat van de vader heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

2 Verdere beoordeling (in beide zaken)

2.1.

De vader heeft in beide zaken bij e-mails van 17 en 20 juli 2020 nog producties overgelegd. Ter zitting van 16 juni 2020 is afgesproken dat de vader enkel nog salarisstroken zal overleggen. De rechtbank zal, als zijnde in strijd met de gemaakte afspraak en met een goede procesorde, met de inhoud van de bij voormelde e-mails overgelegde stukken dan ook geen rekening houden bij de verdere beoordeling.

2.2.

De vader heeft ter zitting van 16 juni 2020 zijn verzoek in de zaak met zaaknummer252140 strekkende tot bepaling van het hoofdverblijf van de kinderen bij hem ingetrokken, zodat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.

2.3.

De rechtbank zal het door de vader op 12 juni 2020 in de zaak met zaaknummer:252140 ingediende (voorwaardelijk) verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, zoals door de vader verzocht, afwijzen, nu partijen, zoals hierna zal blijken, ter zitting afspraken hebben gemaakt over de wijze waarop - in afwachting van de beschikking van de rechtbank - voorlopig de contacten tussen de vader en de kinderen zullen plaatsvinden, een en ander zoals hierna zal worden vermeld. Verder in aanmerking genomen dat de rechtbank, zoals hierna zal blijken, een definitieve beslissing zal nemen omtrent de wijze van verdeling van zorg- en opvoedingstaken, heeft de vader geen belang meer bij het verkrijgen van een beslissing op dit verzoek.

Gezag, hoofdverblijf en omgangsregeling/verdeling van zorg- en opvoedingstaken

2.4.

Uitvoering gevend aan het betreffende verzoek van de rechtbank in de beschikking van 9 april 2019 heeft de raad geadviseerd:

- de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;

- te bepalen dat het hoofdverblijf van beide kinderen bij de moeder zal zijn;

- een verdeling van zorg- en opvoedingstaken te bepalen zoals door de raad in het rapport van 8 oktober 2019 op pagina’s 21 en 22 uitgewerkt.

2.5.

De vader heeft zijn standpunten ten aanzien van het gezag, de verdeling van zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie kenbaar gemaakt aan de hand van ter zitting voorgedragen pleitaantekeningen, waarvan de rechtbank de inhoud hier als herhaald en ingelast beschouwt. De vader heeft in zijn verdere verklaring ter zitting ten aanzien van het gezag onder meer het belang van parallel ouderschap benadrukt en wel omdat partijen slecht met elkaar communiceren. Onlangs nog hebben partijen hevige discussies gevoerd over onder meer de school van de kinderen en het door de vader inschakelen van de huisarts voor een van de kinderen. In de situatie van parallel ouderschap hoeven partijen geen overleg te voeren over aangelegenheden die de kinderen aangaan en hoeven zij evenmin te communiceren over de wijze van opvoeden, aangelegenheden waarover partijen steeds in discussie gaan. De vader is het niet eens met de vertegenwoordigster van de raad dat een aanvullend onderzoek nodig is ten aanzien van het gezag en de contacten tussen de vader en de kinderen. De vader verzet zich dan ook tegen een nadere aanhouding. De vader blijft erbij dat het in het belang van de kinderen is dat partijen gezamenlijk het gezag over de kinderen uitoefenen. In dat geval komen de vader en de moeder in een gelijke positie te verkeren voor wat betreft het nemen van beslissingen over aangelegenheden van de kinderen. In het geval de beslissing over het gezag wordt aangehouden, zoals de vertegenwoordigster van de raad voorstelt, blijft er ongelijkheid bestaan waarbij alleen de moeder beslist over belangrijke aangelegenheden van de kinderen en dit houdt de discussies tussen partijen alleen maar in stand. De vader wil thans duidelijkheid en vraagt de rechtbank uitdrukkelijk om thans een eindbeslissing te nemen over zowel het gezag als de verdeling van zorg- en opvoedingstaken. Ten aanzien van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken opteert de vader voor co-ouderschap. Vader is het uitdrukkelijk niet eens met de moeder waar zij stelt dat de contacten tussen de vader en de kinderen moet worden begeleid en al helemaal niet dat de omgang tussen de vader en de kinderen telkens slechts een paar uur zou mogen zijn.

2.7.

De moeder heeft ter zitting bevestigd dat partijen slecht met elkaar communiceren. Ieder contact met de vader mondt uit in het over en weer maken van verwijten. De moeder pleit eveneens voor parallel ouderschap, nu dit volgens haar de meeste garantie biedt dat vader en moeder elkaar over en weer vrijlaten over de wijze van opvoeden van de kinderen.

Voor wat betreft de omgang tussen vader en de kinderen is de moeder van mening dat het contact tussen de vader en de kinderen onder begeleiding moet plaatsvinden. Uit het verslag van Yvoor blijkt dat ook Yvoor deze mening is toegedaan. Vanuit de door Yvoor voorgestelde begeleide contactregeling kan dan worden toegewerkt naar de regeling zoals door de raad in het rapport geadviseerd.

2.8.

De vertegenwoordigster van de raad maakt zich zorgen. De verhouding tussen de ouders is enkel verhard en daarvan hebben de kinderen last. De raad staat, gezien de ontwikkelingen na oktober 2019, niet meer achter het in het raadsrapport gegeven advies. De raad acht een aanvullend onderzoek nodig. Uit het verslag van Yvoor blijkt dat hulpverlening, voor vader meer dan voor moeder, nog steeds geïndiceerd is.

2.9.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Gezag

2.10.

Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Ingevolge lid 2 van voormeld artikel wordt het verzoek tot gezamenlijk gezag slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

2.10.

De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat er sprake is van gezamenlijk gezag van de ouders over hun kinderen. Het meest verstrekkend verweer van de moeder tot afwijzing van het verzoek van de vader komt - zakelijk weergegeven - erop neer dat vader in het verleden een goed onderling overleg tussen de ouders steeds in de weg heeft gestaan en dat moeder vreest dat vader bij het gezamenlijk gezag uitoefenen van het gezag zich nog minder zal aantrekken van de mening van de moeder aangaande de belangen van de kinderen. Verder staat volgens de moeder de volstrekt verstoorde communicatie tussen de ouders een toewijzing van het verzoek van de vader in de weg.

2.11.

Tijdens de mondelinge behandeling is de zittingsrechter gebleken dat de ouders moeizaam met elkaar communiceren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben daar ongetwijfeld last van, zoals ook meermaals wordt bevestigd door de raad in zijn rapportage van 8 oktober 2019.

De raad stelt echter ook in zijn rapport dat het gezamenlijk gezag tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Er is volgens de raad weliswaar nog onvoldoende sprake van een constructieve samenwerking en adequate communicatie, maar die is niet van dien aard dat gezamenlijk gezag niet mogelijk is. De kinderen kunnen uit hun klempositie geraken, wanneer middels gezamenlijk gezag recht wordt gedaan aan de rolverdeling die de ouders rondom de kinderen vervullen.

2.12.

De rechtbank stelt vast dat de ouders, sinds hun relatie in maart 2018 is beëindigd, strijd voeren. De aanhangige procedure loopt inmiddels meer dan twee jaar. Gedurende deze tijd heeft het tot dusverre door de moeder alleen uitgeoefende gezag niet geleid tot het staken van de strijd tussen de ouders. In tegendeel, de standpunten van partijen zijn in de loop van de procedure, ondanks ingezette hulp, alleen maar verhard. De raad vraagt vanwege deze verharding om opnieuw onderzoek te mogen doen. De rechtbank gaat hierin niet mee. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat er duidelijkheid komt, dat ouders en kinderen niet nog langer in onzekerheid verkeren en dat een einde komt aan de procedures.

2.13

De rechtbank gaat ook niet mee in het betoog van de moeder dat de vader zich bij gezamenlijk gezag niets zal aantrekken van haar mening. De moeder onderbouwt dit betoog niet. Bovendien is gebleken dat de moeder in haar rol van enig gezaghebbend ouder geen rekening houdt met de mening van de vader. De rechtbank overweegt dat, als beide ouders met het gezamenlijk gezag belast worden, zij beiden in een gelijkwaardige positie komen.

De rechtbank gaat ook niet mee in het betoog van de moeder dat de verstoorde communicatie aan het gezamenlijk gezag in de weg staat. De rechtbank stelt namelijk vast dat een van de punten waarover de ouders het wel eens zijn en geen strijd voeren het parallel ouderschap is. Beide ouders hebben ter zitting aangegeven dat zij hiervoor kiezen. Niet is gebleken dat parallel ouderschap niet in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is. Integendeel, door het parallel ouderschap zal de nadruk komen te liggen op de ouder-kind relatie, dragen beide ouders ieder hun eigen verantwoordelijkheid, hoeft er tussen de ouders geen communicatie over alledaagse- en opvoedingzaken plaats te vinden en mag een ouder zich niet bemoeien met de manier van opvoeden door de andere ouder, waardoor de kinderen geen last meer zullen hebben van het ontbreken van samenwerking en goede communicatie tussen de ouders.

Ter zitting is gebleken dat Yvoor nog steeds betrokken is bij het gezin van de moeder en de kinderen. Vader heeft ter zitting uitdrukkelijk aangegeven open te staan voor ondersteuning door een jeugdhulpverlener. Gelet op verklaringen van beide ouders gaat de rechtbank er vanuit dat zij, in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , een traject van parallel ouderschap zullen aangaan onder begeleiding van Yvoor, dan wel onder begeleiding van een andere hulpverleningsinstantie, door partijen - voor zoveel nodig door tussenkomst van hun advocaten – nader af te spreken. Binnen dat traject zullen de ouders leren afspraken te maken over de wijze waarop er contact is tussen hen als ouders en over de wijze waarop zij elkaar over en weer informeren over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank geeft de vader en de moeder uitdrukkelijk mee dat het in het belang van de kinderen is dat de ouders over en weer leren vertrouwen in elkaar te krijgen en leren elkaar die ruimte te geven zodat zij er op ieders eigen wijze voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kunnen zijn. Beide ouders willen immers het beste voor de kinderen en het gaat dan niet aan dat de ouders elkaar telkens de maat nemen. Zij moeten leren de ander te accepteren en respecteren in het anders-zijn.

2.14.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank bepalen dat de ouders voortaan samen het gezag zullen uitoefenen over de kinderen.

Hoofdverblijf

2.15.

De vader heeft zijn aanvankelijk verzoek tot bepaling van het hoofdverblijf van de kinderen bij hem ingetrokken. De moeder heeft geen (zelfstandig) verzoek tot vaststelling van het hoofdverblijf van de kinderen bij haar ingediend, zodat de rechtbank over het hoofdverblijf van de kinderen geen beslissing hoeft te nemen.

Verdeling van zorg- en opvoedingstaken

2.16.

De vader heeft co-ouderschap verzocht.

Aangezien de hiervoor noodzakelijke goede communicatie tussen de ouders ontbreekt en aangezien beide ouders opteren voor parallel ouderschap, zal de rechtbank dit verzoek afwijzen.

2.17.

De rechtbank heeft bij beschikking van 9 april 2019 bepaald dat de kinderen, in afwachting van het onderzoek door de raad, één weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur en wekelijks van dinsdagavond 19.00 uur tot donderdagochtend voor school, dan wel in het geval de kinderen op donderdag niet naar school gaan tot donderdag 15.00 uur, bij vader zullen verblijven.

2.18.

Ter zitting is gebleken dat de moeder op advies van Yvoor deze contactregeling heeft stil gelegd. De rechtbank heeft daarover aangegeven dat het niet aan Yvoor is om dit advies te geven. Er ligt een duidelijke beschikking van de rechtbank en beide partijen moeten die beschikking nakomen.

2.19.

De rechtbank heeft ter zitting ook gesteld dat de contacten tussen de vader en de kinderen zo snel mogelijk weer moeten plaatsvinden. Na een korte onderbreking van de zitting voor overleg zijn de ouders overeengekomen dat de kinderen voorlopig, in afwachting van de beslissing van de rechtbank, met ingang van week 26 (week van 22 juni 2020 / 28 juni 2020) onder begeleiding van een medewerker van Humanitas twee uur per week contact zullen hebben met hun vader in de woning bij vader.

2.20.

Ter zitting zijn geen argumenten naar voren gekomen om voormelde, bij beschikking van 9 april 2019 vastgelegde, contactregeling, voor zover het betreft de contacten buiten vakanties en feestdagen, te wijzigen. Deze regeling hebben de ouders bij het einde van hun relatie afgesproken en naar het oordeel van de rechtbank is deze regeling in het belang van de kinderen. Het bezwaar van de moeder is dat de vader de kinderen belast met negatieve uitspraken over haar. De vader heeft aangegeven dat zijn uitspraken te maken hadden met bezorgdheid over de situatie van de moeder, maar dat hij inmiddels heeft begrepen dat deze zorgen niet gedeeld worden. De vader heeft benadrukt dat zijn geuite zorgen niet bedoeld zijn als diskwalificatie van de moeder. De rechtbank gaat ervan uit dat de vader zich verder onthoudt van deze uitingen, zeker nu parallel ouderschap zal worden ingezet. Een begeleide contactregeling, zoals de moeder voorstaat, is dan ook niet nodig.

2.21.

Beide ouders hebben ook aangegeven dat vakanties en feestdagen kunnen worden verdeeld op de wijze als door de raad in het rapport op pagina 22 vermeld. De rechtbank zal mitsdien met betrekking tot de vakanties en feestdagen dienovereenkomstig beslissen, met bepaling dat deze regeling voor zover die ziet op de vakanties zal ingaan per Herfstvakantie 2020.

2.22.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank beslissen als hierna in het dictum vermeld. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat de contacten die zij met hun vader hebben niet meer worden onderbroken. De kinderen hebben moeten meemaken dat zij van de ene op de andere dag niet meer bij hun vader mochten zijn en dat zij gedurende een flink aantal weken hun vader hebben moeten missen. Dat is zeker niet in hun belang geweest en daarom zal de rechtbank de verdeling van zorg -en opvoedtaken uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Kinderalimentatie

2.23.

De vader heeft bij aanvullend verzoek van 19 februari 2020 verzocht dat de rechtbank de door hem aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 4 februari 2020 nader bepaalt op € 167,- per maand per kind, althans op zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als door de rechtbank in goede justitie te bepalen.

Ter onderbouwing van dit verzoek stelt vader, kort zakelijk weergegeven, dat op [geboortedatum 3] zijn partner, mevrouw [naam partner] , is bevallen van [minderjarige 3] . De vader is thans onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en vader dient zijn draagkracht over deze drie kinderen te verdelen. De vader stelt de behoefte van [minderjarige 3] op € 531,- per maand. Volgens de vader bedraagt de draagkracht ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 4 februari 2020 € 493,- per maand. Daarop strekt in mindering de zorgkorting en alsdan is het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te stellen op € 167,- per maand per kind.

2.24.

De moeder heeft niet betwist dat in de geboorte van [minderjarige 3] een wijziging van omstandigheden is gelegen in die zin dat de draagkracht van de vader thans moet worden verdeeld over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De moeder erkent de door de vader gestelde behoefte van [minderjarige 3] van € 531,- per maand en erkent ook dat het aandeel dat de partner van de vader daarin dient bij te dragen € 25,- per maand bedraagt. De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt ingevolge indexering in 2020 € 449,- per maand per kind. Uit de door vader bij zijn aanvullend verzoek overgelegde salarisstroken blijkt dat op het salaris een inhouding plaatsvindt voor ouderschapsverlof. De moeder is het daar niet mee eens. Zij betwist de noodzaak voor vader om verlof op te nemen voor de zorg van [minderjarige 3] . De partner van vader heeft thans bevallingsverlof, zij werkt niet en heeft een Wajong-uitkering. De partner van vader is mitsdien volledig beschikbaar voor [minderjarige 3] .

2.25.

Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht. De rechtbank zal hierop – voor zover van belang – hierna nader ingaan.

Behoefte [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

2.26.

Partijen zijn het erover eens dat de (geïndexeerde) behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 1 januari 2020 te stellen is op € 449,- per maand per kind en dat de behoefte van [minderjarige 3] te stellen is op € 531,- per maand, zodat ook de rechtbank van deze behoefte van de kinderen zal uitgaan.

Financiële situatie vader

2.27.

De rechtbank berekent de draagkracht van de vader op grond van de overgelegde salarisspecificaties over de maanden februari tot en juni 2020. Daaruit blijkt dat het salaris van de vader € 4.078,- bruto per maand bedraagt, te verminderen met de ‘vermindering ouderschapsverlof’ ad € 453,- bruto per maand (waarover hierna meer), en te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en de eindejaarsuitkering ad € 3.612,- bruto per jaar. Uit de salarisstroken blijkt dat vader in februari en in april 2020 extra ‘toeslagen bereikbaarheidsdienst’ heeft gehad ad in totaal € 502,-. Middeling over februari tot en met juni 2020 komt dit neer op afgerond € 100,- bruto per maand. Het vorenstaande levert een totaal bruto jaarinkomen van de vader op van € 51.792,-.

Ten aanzien van het ouderschapsverlof overweegt de rechtbank als volgt. De vader heeft vier uur per week ouderschapsverlof. De rechtbank is het niet eens met het standpunt van de moeder dat met de inhouding ter zake ouderschapsverlof geen rekening dient te worden gehouden. Niet gebleken is dat vader het ouderschapsverlof heeft opgenomen met een ander doel dan waarvoor het bedoeld is, namelijk om meer voor [minderjarige 3] te kunnen zorgen. Het kan de vader dan ook niet worden verweten dat hij ouderschapsverlof heeft opgenomen. Daarbij komt verder dat het recht om ouderschapsverlof op te nemen een in het belang van de kinderen wettelijk recht is.

2.28.

De rechtbank houdt – alles op jaarbasis – rekening met de pensioenpremies ad

€ 3.408,-, de algemene heffingskorting ad € 942,-, de arbeidskorting ad € 2.699,- en de inkomensheffing.

2.29.

Op basis van vorenstaande bedragen berekent de rechtbank het besteedbaar inkomen van de vader, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en door de griffier gewaarmerkte draagkrachtberekening A en die integraal deel uitmaakt van deze beschikking, ten behoeve van kinderalimentatie op € 2.760,- per maand.

Zorgkorting

2.30.

Partijen zijn verdeeld over de hoogte van de zorgkorting. De vader gaat uit van een zorgkortingspercentage van 35% en de moeder is van mening dat maximaal met 30% rekening mag worden gehouden. Uitgaande van de zorgregeling zoals de rechtbank die zal bepalen is het zorgkortingspercentage te stellen op 35% en van dit percentage zal de rechtbank uitgaan.

Financiële situatie partner vader

2.31.

De partner van de vader heeft een Wajong-uitkering. Uit de door de vader overgelegde – door de moeder niet betwiste – salarisspecificatie van 10 februari 2020 blijkt dat deze uitkering € 1.157,- bruto per maand bedraagt, ofwel € 13.884,- bruto op jaarbasis, te vermeerderen met € 1.111,- bruto vakantiegeld. Verder rekening houdend met de algemene heffingskorting ad € 2.265,- en de inkomensheffing is het netto besteedbaar maandinkomen van de partner van de vader blijkens de aangehechte draagkrachtberekening B, die integraal deel uitmaakt van deze beschikking en waarvan een door de griffier gewaarmerkt afschrift aan deze beschikking zal worden gehecht, te stellen op € 982,-.

Financiële situatie moeder

2.32.

Uit de door de moeder overgelegde jaaropgaaf 2019 blijkt dat moeder een Wajong-uitkering heeft van € 15.783, - bruto op jaarbasis. Verder rekening houdend met het kindgebonden budget waar de moeder recht op heeft van € 5.230,-, de algemene heffingskorting ad € 2.265,-, de inkomensafhankelijke combinatiekorting ad € 1.720,- en de inkomensheffing is het netto besteedbaar maandinkomen van de moeder blijkens de aangehechte draagkrachtberekening C, die integraal deel uitmaakt van deze beschikking en waarvan een door de griffier gewaarmerkt afschrift aan deze beschikking zal worden gehecht, te stellen op € 1.602,- per maand

Eigen aandeel vader, moeder en partner vader

2.33.

Uit de aan deze beschikking gehechte ‘Berekening en verdeling van de kosten van de kinderen’, die integraal deel uitmaakt van deze beschikking en waarvan een door de griffier gewaarmerkt afschrift aan deze beschikking zal worden gehecht, blijkt een ten laste van de vader te bepalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (draagkracht minus ((zorgkorting minus gedeelde tekort aan draagkracht) van € 142,- per maand per kind en dat het aandeel dat de moeder dient bij te dragen € 71,- per maand per kind bedraagt. Daaruit blijkt verder een ten laste van de vader komende bijdrage ten behoeve van [minderjarige 3] van € 274,- per maand en een ten laste van de partner van de vader komend aandeel van € 25,- per maand.

2.34.

Als hierboven vermeld heeft de vader bij aanvullend verzoek verzocht de door hem ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te betalen kinderalimentatie nader te bepalen op € 167,- per maand per kind, althans op zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als door de rechtbank in goede justitie te bepalen. De vader heeft ter zitting de rechtbank verzocht op basis van zijn draagkracht het aandeel in de kosten van de kinderen vast te stellen. De rechtbank zal daarom de door de vader te betalen bijdrage vaststellen op € 142,- per maand per kind.

Ingangsdatum

2.35.

Het aanvullend-/wijzigingsverzoek is door vader ingediend op 21 februari 2020. Uit de reactie van de advocaat van de moeder bij brief van 21 februari 2020 leidt de rechtbank dat de advocaat van de moeder het aanvullend-/wijzigingsverzoek, gelijk de rechtbank, op 21 februari 2020 heeft ontvangen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om de wijzigingsdatum vast te stellen op 1 maart 2020, zijnde de datum waarop de moeder naar het oordeel van de rechtbank ermee rekening kon houden dat de door de vader te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zou kunnen wijzigen.

2.36.

Tot slot overweegt de rechtbank dat zij zal bepalen dat, in het geval de vader na 1 maart 2020 meer heeft betaald voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan € 142,- per maand, het door de vader te veel betaalde niet door de moeder hoeft te worden terugbetaald, nu alimentatiegelden van maand tot maand plegen te worden verbruikt voor het doel waarvoor zij worden verstrekt.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1.

wijst af het voorwaardelijk verzoek van de vader tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv.;

3.2.

belast de vader en de moeder met het gezamenlijk gezag over:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats] ;

3.3.

bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken als volgt bij partijen zullen verblijven:

- bij vader gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur en wekelijks van dinsdagavond 19.00 uur tot donderdagochtend voor school, dan wel in het geval de kinderen op donderdag niet naar school gaan tot donderdag 15.00 uur;

- vakanties, met ingang van de herfstvakantie:

- vakanties die één week duren: volgens boven vermelde verdeling;

- vakanties die twee weken duren: in de even jaren de eerste week bij vader en de tweede

week bij moeder, waarbij de ouder die de kinderen de eerste week heeft op vrijdag

voorafgaand aan de vakantie de kinderen van school haalt tot de daaropvolgende vrijdag

19.00

uur.

Daarna wordt de boven vermelde verdeling hervat;

- zomervakantie: in de even jaren de eerste twee weken bij vader, vervolgens

twee weken bij moeder, daarna een week bij vader en vervolgens een week bij

moeder. In de oneven jaren de eerste twee weken bij moeder, vervolgens twee

weken bij vader, daarna een week bij moeder en vervolgens een week bij vader.

De wisselingen vinden plaats op de zondag om 19.00 uur, waarbij de ouder waar

de kinderen op dat moment verblijven, zorgt voor het vervoer naar de andere

ouder. De ouder waar de kinderen voor de eerste schooldag verblijven, brengt de

kinderen naar school. Daarna wordt de boven vermelde verdeling hervat;

- Feestdagen:

- Vaderdag en verjaardag vader: bij vader;

- Moederdag en verjaardag moeder: bij moeder;

- Verjaardag [minderjarige 1] en [minderjarige 2] : even jaren bij vader, oneven jaren bij moeder;

- Hemelvaart: even jaren bij vader, oneven jaren bij moeder;

- Koningsdag: even jaren bij vader, oneven bij moeder;

Wanneer de dag in de regeling van de andere ouder valt, zijn de kinderen na

schooltijd tot 19.00 uur bij de andere ouder of in vakanties van 10.00 - 19.00 uur

bij de andere ouder, waarbij de ouder waarbij de kinderen volgens regeling zijn

het vervoer regelt.

- Sinterklaas: op 5 december even jaren bij vader, oneven bij moeder. Op

schooldagen haalt de ouder waar Sinterklaas gevierd wordt de kinderen van

school en brengt ze de volgende dag naar school, waarna de regeling hervat

wordt. Wanneer Sinterklaas in het weekend valt of op een vrije dag van school

verblijven de kinderen van 10.00 uur tot de ochtend erna 10.00 uur bij de ouder

waar dit gevierd wordt. De ouder bij wie de kinderen zijn, regelt vervoer;

- Pasen en Pinksteren: de eerste feestdag in de even jaren bij vader en oneven jaren bij

moeder. De tweede feestdag in de oneven jaren bij vader en in de even jaren bij moeder.

Wanneer de dag in de regeling van de andere ouder valt zijn de kinderen van

10.00 - 19.00

uur bij de andere ouder. De ouder bij wie de kinderen zijn, regelt

vervoer.

- Kerst: kerstavond vanaf 17.00 uur tot tweede kerstdag 10.00 uur in de even jaren bij

vader en oneven jaren bij moeder. De tweede kerstdag van 10.00 uur tot de dag erna

10.00

uur (of volgens regeling) op de oneven jaren bij vader en de even jaren bij moeder.

De ouder bij wie de kinderen zijn regelt het vervoer naar de andere ouder;

- Oudjaarsavond en nieuwjaarsdag: op oudjaarsavond vanaf 17.00 uur tot nieuwsjaardag

14.00

uur zijn de kinderen in de even jaren bij vader en de oneven jaren bij moeder.

Daarna volgens regeling. De ouder bij wie de kinderen zijn regelt het vervoer.

In onderling overleg kunnen ouders onder eigen verantwoordelijkheid van bovenstaande regeling afwijken;

3.4.

wijzigt de beschikking van 9 april 2019 voor zover daarin is bepaald dat de vader met ingang van 1 augustus 2019 met een bedrag van € 246,- per maand per kind bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en bepaalt nader dat de vader met ingang van 1 maart 2020 aan de moeder ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een bedrag van

€ 142,- per maand per kind betaalt, de niet verschenen termijnen bij vooruitbetaling te

voldoen;

3.5.

bepaalt dat in het geval de vader na 1 maart 2020 meer ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de moeder heeft betaald dan € 142,- per maand per kind, de moeder het door vader teveel betaalde niet hoeft terug te betalen.

3.6.

verklaart deze beschikking tot hiertoe uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal zenden aan het gezagsregister om daarin aantekening te houden van de gewijzigde gezagssituatie met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

3.8.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Salemans-Wijnen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

mv

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.