Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6075

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
C/03/247319 HA ZA 18-131
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijs van gesloten overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/247319 / HA ZA 18-131

Vonnis bij vervroeging van 12 augustus 2020

in de zaak van

de vereniging

[eiseres] ”,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,

eiseres,

advocaat mr. Th.J.H.M. Linssen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] , gemeente [gemeente 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.P. Macro.

Partijen zullen hierna de [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden. De nummering in het tussenvonnis van 29 mei 2019 zal worden voortgezet.

6 De procedure

6.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 mei 2019;

  • -

    de akte zijdens [eiseres] waarbij een productie is overgelegd;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 23 september 2019, waaruit blijkt dat twee getuigen zijn gehoord;

  • -

    de akte in geding brengen van stukken tevens akte uitlaten voortzetting enquête en opgave verhinderdata zijdens [eiseres] met producties 9 tot en met 13;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 13 maart 2020, waaruit blijkt dat twee getuigen zijn gehoord;

  • -

    de conclusie na enquête tevens akte in geding brengen van stukken zijdens [eiseres] met productie 14;

  • -

    de conclusie na enquête zijdens [gedaagde] ;

  • -

    de akte uitlating producties zijdens [gedaagde] .

6.2

Nadat vonnis is gevraagd, is vonnis bepaald.

7. De beoordeling

7.1

Bij het tussenvonnis van 29 mei 2019 is de [eiseres] toegelaten te bewijzen dat tussen de [eiseres] en [gedaagde] op 12 december 2016 een mondelinge koopovereenkomst tot stand is gekomen inhoudende dat de percelen kadastraal bekend: gemeente [gemeente 3] , sectie [sectieletter] , nrs. [sectienummer 1] , [sectienummer 2] , [sectienummer 3] , [sectienummer 4] , [sectienummer 5] , [sectienummer 6] , [sectienummer 7] en [sectienummer 8] (zijnde de parkeerplaats, het voetbalvel, het tennisveld, de weg onder het restaurant op het villapark, een aantal percelen en water) door [gedaagde] om niet zouden worden overgedragen aan de [eiseres] en op korte termijn zouden worden geleverd.

Naderhand is gebleken dat een schrijffout is gemaakt: het kadastrale nummer “ [sectienummer 7] ” moet zijn het nummer “ [sectienummer 9] ”. Partijen zijn gehoord over het herstel van deze schrijffout (zie proces-verbaal van 23 september 2019) en hebben laten weten geen bezwaar te hebben tegen herstel. Bij deze wordt die schrijffout hersteld, zodat in het lichaam en in het dictum van het vonnis van 29 mei 2019 daar waar is vermeld “ [sectienummer 7] ” moet worden gelezen “ [sectienummer 9] ”.

7.2.1

De op verzoek van de [eiseres] gehoorde getuige [getuige 1] , bestuurslid van [eiseres] sinds 2014 en sinds eind 2017 voorzitter van [eiseres] , heeft verklaard, voor zover hier van belang:

Ik ben sinds 2014 lid van het bestuur van de vereniging en op 12 december 2016 ten tijde

van het onderhavige gesprek was ik lid/secretaris van het bestuur. Het bestuur bestond toen

uit vier mensen en wel [getuige 3] als voorzitter, ik als lid/secretaris, [naam 2] en [naam 3] .

Wij waren gevolmachtigd om rechtshandelingen te verrichten tot een bepaald bedrag,

waarvan ik de hoogte niet meer weet. Wij wisten dat de leden graag wilden dat de

vereniging eigenaar werd van het voetbalterrein, tennisbaan, een stuk water en wat wij

noemden de parkeerterreinen en verder groenstroken en de weg en dan betreft het de weg

waarboven een stuk daarvan het restaurant is gebouwd. U ziet die hele weg op de

overgelegde kaart, aangeduid met perceelnummer [sectienummer 9] en dan loopt die weg ongeveer van

links onder naar halverwege rechtsboven. Iets voorbij de bocht staat het restaurant

ingetekend. Daarvan uitgaand hebben wij dat gesprek met [naam 4] gevoerd die toen nog

[functie] van [bedrijf] was. Er was geen notulist aangewezen, maar zoals ik beroepsmatig gewoon was, heb ik van dat gesprek aantekeningen gemaakt en dat is die, wat ik nu noem notitie, die is overgelegd als productie 4 bij dagvaarding. Die notitie heb ik tijdens de bijeenkomst opgemaakt en hij is ook tijdens de bijeenkomst door [naam 4] geparafeerd en hij heeft toen ook het bedrag van 5.000,- erop geschreven. (…) De tekst is verder helemaal van mijn hand, behalve op de tweede pagina het onderstreepte bedrag 5.000,- en natuurlijk de paraaf van [naam 4] . Die laatste twee heeft [naam 4] erbij geschreven. Uit de lijst aanwezigen blijkt dat twee van de vier bestuursleden bij het gesprek aanwezig waren. De twee afwezige bestuursleden hadden ons niet van een schriftelijke machtiging voorzien, maar wij waren door hen wel mondeling gemachtigd. Het overleg vond plaats op 12 december 2016 en dat was dus met [naam 4] die toen nog [functie] van [bedrijf] was. Er waren in elk geval twee onderwerpen, en wel de pacht van een stuk van de plas voor onze leden om te zwemmen, verder wilde de vereniging graag eigenaar worden van de tennisbaan, voetbalveld, een stuk water en de parkeerterreinen en groenstroken en de daarnet genoemde weg. Deze feitelijke vermeldingen zijn kadastraal aangemerkt als de

nummers die zijn genoemd in de dagvaarding. Zoals gezegd bespraken wij onder meer deze

twee onderwerpen en na prijsonderhandelingen wat de pacht van het water betreft, bereikten wij overeenstemming over een bedrag van € 5.000,-. De vereniging heeft toen wel vermeld dat voor dit bedrag toestemming van de leden was verreist en wat dat betreft hebben wij een voorbehoud gemaakt. Zoals gezegd wilden de leden graag die percelen hebben en daarover hebben wij toen zonder meer overeenstemming bereikt. [naam 4] is geen kopie gegeven van de notitie op 12 december 2016. [naam 4] kwam vervolgens zelf met het e-mailbericht van 15 december 2016, dat is overgelegd als productie 5 bij dagvaarding. In dat bericht kwam hij plotseling met de opmerking over de twee kavels bij de ingang. Die kavels zijn geen gespreksonderwerp geweest op 12 december en zijn toen dus ook niet betrokken bij de gemaakte afspraak. De feestdagen waren zo een beetje gearriveerd dus wij hebben toen niet meteen op dat bericht van 15 december van [naam 4] gereageerd. Ik heb [naam 4] toen op 23 februari 2017 een e-mailbericht gestuurd, waarin ik heb meegedeeld dat de besprekingen zich niet hadden uitgestrekt over de twee bouwkavels bij de ingang. Op 24 februari kregen wij weer een bevestigingsmail van [naam 4] en in die e-mail deelde hij ook mee dat hij alles zou regelen, ook wat de notariële betrokkenheid betrof. [naam 4] zei hier nog wel bij dat die bouwkavelafspraak was gemaakt met het vorige of met een van de vorige besturen van de vereniging. Ik heb toen in onze stukken teruggezocht tot 2010 en ik heb nergens iets gevonden over een beweerdelijke afspraak wat die twee bouwkavels bij de ingang betreft. Verder heeft het bestuur overleg gehad met oude voorzitters over deze bouwkavels en geen van hen kende de beweerdelijke door [naam 4] gestelde bouwkavelafspraak. (…) Het bestuur was gemachtigd om de percelen om niet te verwerven. Dit was al bij de fase oplevering van het park in twee of drie eerdere fases ook al zo gebeurd.”.

7.2.2

De op verzoek van de [eiseres] als getuige gehoorde [getuige 2] , lid [eiseres] sinds 2017, heeft verklaard, voor zover hier van belang:

Ik ben sinds 2017 bestuurslid van de [eiseres] . Voor die tijd was ik en ik ben nog steeds

bestuurslid van de stichting [naam stichting] en die stichting opereert gelet op haar doelstelling in

innige samenwerking met de vereniging. Ik weet dat ik hier zit in verband met een

bijeenkomst met [naam 4] in december 2016. Ik heb geen precieze datum van die

bijeenkomst in mijn hoofd. Ik weet nog wel dat bij die bijeenkomst aanwezig waren [naam 5]

als parkmanager, [getuige 3] als voorzitter van de vereniging en [getuige 1] die ik naar ik

meen secretaris van de verenging was en [naam 4] . Verder ik dus als bestuurslid van de

stichting. Wij hebben toen onder andere besproken de pacht van een deel van een

waterperceel en de overdracht van een aantal percelen. Die percelen betroffen het

voetbalveld, tennisbaan, parkeerterreinen, de weg waarover een restaurant is gebouwd,

algemene gronden en daaronder was ook begrepen een perceel grond dat ongeveer 15m het

water in liep en die 15m in het water hoorde er ook bij. Het park was een groot project dat in fases werd opgeleverd. En in eerdere fases waren er ook al percelen om niet aan de

vereniging overgedragen. (…) Over de overdracht van de percelen om niet waren wij snel klaar, vooral bezien in het licht van het feit dat in eerdere fases net zo gehandeld was. Over de pacht van het water hebben wij langer gesproken, omdat er onderhandeld moest worden over de prijs en ook over de verdeling want het water moest gebruikt worden een deel door de duikvereniging, een deel door de duikvereniging en ons en een deel door alleen ons. Uiteindelijk bereikten wij oversteenstemming over de prijs en dat is € 5.000,-. [getuige 1] had tijdens de bespreking notitie gemaakt en dat is inderdaad de productie 4 bij dagvaarding die u mij nu voorhoudt. U ziet daarop op de tweede pagina de handtekening voor akkoord van [naam 4] . Volgens mij hadden wij afgesproken dat [naam 4] voor het einde van het jaar zou regelen, maar dat heeft hij niet gedaan. (…) Bij de besprekingen in december lag het kaartje met legenda, zoals overgelegd als productie 5 bij dagvaarding, letterlijk op tafel, dus iedereen wist over welke percelen wij aan het praten waren.

7.3.1

De op verzoek van [gedaagde] gehoorde getuige [getuige 3] heeft verklaard, voor zover van belang:

Ik ben bestuurslid geweest van [eiseres] . Ik denk dat dit omstreeks de periode 2009 tot ergens in 2017 is geweest. (…) Ik weet dat er besprekingen zijn geweest met in elk geval [naam 4] van [gedaagde] over koop van bepaalde percelen, maar ik heb in mijn herinnering niet staan dat er hele specifieke terreinen zijn gekocht. Er is regelmatig sprake geweest van aankoop van restgronden en ook wel van uitbreiding, maar meer concreets kan ik daar op dit moment niet over zeggen. U vraagt mij of de woorden “aankoop van bepaalde percelen” en het bedrag € 5.000,- een herinnering bij mij oproept. Ik heb daar wel iets van herinnering aan want ik meen dat wij besprekingen hebben gevoerd over de aankoop van de Plas en bepaalde rechten daarop en dat in dat kader ook het bedrag van € 5.000,- is genoemd. Ik heb geen herinnering aan de aankoop van andere terreinen dan de net genoemde Plas of bepaalde rechten daarop in samenhang met die € 5.000,-. Ik zeg u daarbij, in mijn hoedanigheid van jurist, dat wat dat betreft een betreffende koopovereenkomst als zodanig en voldoende duidelijk op schrift gesteld zou worden. U, rechter, leest mij nu voor “afspraak: de percelen, tennisbaan, voetbal, parkeerterreinen en water overdracht in principe naar [eiseres] onder financiële afspraken. Vóór 01/01/17 afspraken maken. € 5.000,-.” Ook als u mij dit zo opleest, heb ik geen herinnering aan het sluiten van een koopovereenkomst omtrent deze terreinen. Ik herhaal dat ik het bedrag € 5.000,- in mijn herinnering alleen maar combineer met Plas en eventuele rechten op die Plas. (…)”.

7.3.2

De op verzoek van [gedaagde] gehoorde getuigen [getuige 4] heeft verklaard, voor zover van belang:

Ik ben [functie] en aandeelhouder van een B.V. De B.V. is eigenaar van een restaurant en een jachthaven vlakbij/naast het [eiseres] . Mijn restaurant kunt u vinden op de grote kaart die u mij laat zien waar linksonder staat “eigenarenkaart”. U ziet daar een weg linksonder met kadastrale aanduiding [sectienummer 9] . Die weg is wat mij betreft een niet noodzakelijke, maar wel handige sluipweg voor een paar mensen die via die weg kort en snel hun bestemming kunnen bereiken. Mijn restaurant is over die weg heen gebouwd en u ziet dat restaurant ook ingetekend op die kaart en wel iets boven een bijna haakse bocht omhoog. Die weg is dus van [gedaagde] , maar ik had die weg graag willen hebben. De weg geeft namelijk ook toegang aan minder gewenst volk in nachtelijke uren die mijn restaurant kunnen bereiken. Als ik eigenaar zou kunnen zijn van die weg, zou ik de weg kunnen afsluiten. Ik heb een en ander met [naam 4] ook besproken omstreeks 2011/2012. Ik heb toen gezegd dat ik die weg graag wilde kopen, maar [naam 4] wilde hem toen nog niet kwijt in verband met de ontwikkeling, denk ik, van [eiseres] . Voor mijn gevoel heeft [naam 4] mij toen wel half/ half toegezegd dat ik de weg zou kunnen kopen als die hele ontwikkeling achter de rug was. (…) Op enig moment kreeg ik, naar ik vrij zeker meen, een mailtje waarin [naam 4] op een voor mij nieuwe want wat dwingende toon, mij meedeelde dat de weg door mij open moest worden gehouden. Hij kon dus niet helemaal leven met de wijze waarop ik de weg afsloot en de toon van het mailtje was zodanig dat ik besloot hem te bellen. In dat telefoongesprek heb ik [naam 4] proberen uit te leggen dat iedereen ermee was gediend als ik de weg zou krijgen en dat er best oplossingen waren te bedenken als ik de weg zou krijgen, die met zich brachten dat ook anderen die belang hadden bij het gebruik van die weg, de weg toch konden gebruiken. [naam 4] zei mij toen dat hij de weg nodig had voor een totaaloplossing met het [eiseres] . Ik denk dat tijdens dat telefoongesprek wij een afspraak hebben gemaakt om elkaar persoonlijk te treffen waarbij [naam 4] zou toelichten wat hij voor ogen had. Wij hebben die ontmoeting gehad en hij legde mij bij die ontmoeting aan de hand van een kaart het volgende uit. Hij wilde een aantal percelen, waaronder de weg waar ik belangstelling voor had en ik meen ook tennisbaan en voetbalveld en nog wat andere percelen, uitruilen met de [eiseres] waarbij de [eiseres] als ruil ook wat terug moest geven en dat waren in elk geval twee bouwkavels. Die twee bouwkavels waren volgens [naam 4] ten onrechte door [naam 6] verkwanseld aan [eiseres] . Ik kan niet zeggen of die ruilovereenkomst al dan niet tot stand is gekomen. Ik kan ook niet zeggen of de weg, park en tennisbaan en andere percelen, al dan niet verkocht zijn. U, rechter, leest mij uit de notitie voor “1. Afspraken [getuige 4] : … dan advocaat inschakelen”. Als ik u dit nu hoor voorlezen, begint mij wel iets duidelijk te worden in die zin dat ik denk dat dat mailtje waar ik het net over had, is opgesteld door [naam 4] nadat hij met [eiseres] heeft gesproken over openstelling van de weg. Dit is een vermoeden van mij want ik heb bij een en ander verder geen data paraat. Maar nu u concreet vraagt hoe dat zit met die data, kan ik u zeggen dat het net genoemde telefoongesprek is geweest toen [getuige 3] nog voorzitter was en de fysieke bespreking met [naam 4] die ik heb gehad, heeft binnen een week na dat telefoongesprek plaatsgevonden.”.

7.4

In het tussenvonnis van 29 mei 2019 oordeelde de rechtbank dat uit het overgelegde besprekingsverslag noch uit het e-mailbericht van 15 december 2016 noch uit deze twee stukken in onderling verband en samenhang bezien, valt af te leiden dat de door de [eiseres] gestelde overeenkomst is gesloten (rov. 4.1). Dit oordeel betekent niet dat deze twee genoemde stukken geen rol meer kunnen spelen. Bij de waardering van de vraag of het bewijs is geleverd, moet immers rekening worden gehouden met alles wat over en weer is gesteld, ingebracht en gebleken (HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017L:3263).

De getuigen van [getuige 1] en [getuige 2] verklaren onomwonden dat de betreffende overeenkomst is gesloten. Zo verklaart [getuige 1] “Zoals gezegd wilden de leden graag die percelen hebben en daarover hebben wij toen zonder meer overeenstemming bereikt. (…) [naam 4] kwam vervolgens zelf met het e-mailbericht van 15 december 2016, dat is overgelegd als productie 5 bij dagvaarding. In dat bericht kwam hij plotseling met de opmerking over de twee kavels bij de ingang. Die kavels zijn geen gespreksonderwerp geweest op 12 december en zijn toen dus ook niet betrokken bij de gemaakte afspraak.”. [getuige 2] verklaart: “Wij hebben toen onder andere besproken de pacht van een deel van een waterperceel en de overdracht van een aantal percelen. Die percelen betroffen het voetbalveld, tennisbaan, parkeerterreinen, de weg waarover een restaurant is gebouwd, algemene gronden en daaronder was ook begrepen een perceel grond dat ongeveer 15m het water in liep en die 15m in het water hoorde er ook bij. Het park was een groot project dat in fases werd opgeleverd. En in eerdere fases waren er ook al percelen om niet aan de vereniging overgedragen. (…) Over de overdracht van de percelen om niet waren wij snel klaar, vooral bezien in het licht van het feit dat in eerdere fases net zo gehandeld was. Over de pacht van het water hebben wij langer gesproken, (….). Uiteindelijk bereikten wij oversteenstemming over de prijs en dat is € 5.000,-. [getuige 1] had tijdens de bespreking notitie gemaakt en dat is inderdaad de productie 4 bij dagvaarding die u mij nu voorhoudt. U ziet daarop op de tweede pagina de handtekening voor akkoord van [naam 4] .”. De twee net genoemde stukken, die worden beschouwd als onvolledig bewijs, laten zich goed lezen conform hetgeen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard. In het handgeschreven verslag (rov. 2.5 vonnis 29 mei 2019) is de pacht van het water en de eventuele pachtprijs van € 5.000,- immers afzonderlijk vermeld van de overige percelen. De stelling van [gedaagde] (nr. 8 conclusie na enquête) dat [naam 4] het handgeschreven verslag alleen maar voor akkoord heeft getekend voor wat betreft de hoogte van de pachtsom is met niets onderbouwd, zodat alleen al daarom die stelling wordt gepasseerd. In het e-mailbericht van [naam 4] van 15 december 2016 schrijft hij zelf dat overeenstemming is bereikt: “Fijn dat we overeenstemming hebben bereikt om samen tot een oplossing voor de toekomst te komen. De volgende afspraken zijn gemaakt:

- Parkeerplaats, voetbalveld en tennisveld worden overgedragen aan [eiseres]

- Restpercelen. Op bijgevoegde foto staat aangegeven welke percelen kavels zijn en welke niet.

- De weg, gelegen onder het restaurant, welke de verbinding vormt met het [naam park] wordt overgedragen aan [eiseres] . (…)” [naam 4] schrijft verder in zijn e-mailbericht: “ De twee kavels welke destijds zijn overgedragen door [naam 6] worden teruggegeven aan [gedaagde] . Dit is het verleden reeds met [eiseres] besproken maar maandag jongstleden niet expliciet benoemd.”. Zo die afspraak tot teruggave al is gemaakt, is de uitvoering daarvan dus niet verdisconteerd in de gemaakte “levering om niet” afspraak tijdens de bespreking op 12 december 2016.

De getuige [getuige 4] is niet aanwezig geweest bij de bespreking van 12 december 2016 en evenmin heeft hij verklaard dat hij van enige deelnemer aan het gesprek van 12 december 2016 heeft gehoord dat niet dergelijke afspraken zijn gemaakt. De getuige [getuige 3] herinnert zich zo weinig van die bespreking van 12 december 2016 dat zijn verklaring niet kan ontkrachten hetgeen [getuige 1] en [getuige 2] expliciet hebben verklaard. Het feit dat [getuige 3] naar eigen zeggen een dergelijke overeenkomst op schrift zou hebben gesteld, maakt bezien in het licht van het feit dat ook andere bestuursleden aanwezig waren, niet dat er geen overeenkomst tot stand zou zijn gekomen. Nu verder nergens uit blijkt dat partijen tijdens die bespreking afspraken hebben gemaakt over het tijdstip van nakoming, heeft art. 6:38 BW te gelden. Daarmee staat vast dat de levering op korte termijn zou plaatsvinden na december 2016. Die korte termijn is inmiddels wel verstreken. De conclusie is dan ook dat de [eiseres] is geslaagd in de bewijsopdracht. De stelling van [gedaagde] dat het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:2 BW van toepassing is op dit geval vindt geen steun in de tekst van dit artikel noch overigens in het geldende recht.

7.5

De stelling van [gedaagde] dat het bestuur niet bevoegd was om genoemde overeenkomst te sluiten wordt gepasseerd als te laat ingenomen (zie art. 128 Rv). Aldus hoeft niet te worden besproken of een partij als [gedaagde] met succes een dergelijk beroep kan doen. Evenmin hoeft te worden geoordeeld of een overeenkomst om niet als de onderhavige wel valt binnen het bereikt van art. 11 van de statuten van de [eiseres] .

7.6

Al met al ligt de vordering sub 1 voor toewijzing gereed, met dien verstande dat de boete zal worden gematigd en gemaximeerd. Vordering sub 2 zal worden afgewezen omdat onvoldoende duidelijk is dat hetgeen daar is gevorderd niet valt binnen het bereik van de proceskosten. [gedaagde] heeft onvoldoende zwaarwegende redenen aangevoerd om af te wijken van de in art. 233 Rv neergelegde hoofdregel dat een veroordeling des gevorderd uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Ook dat deel van de vordering zal worden toegewezen. [gedaagde] heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij en zal in de kosten van dit geding worden veroordeeld. Aan de zijde van de [eiseres] worden die kosten begroot op € 1.950,- aan griffierecht, € 111,32 kosten betekening dagvaarding en € 2.443,50 (4,5 pnt tarief II) voor salaris advocaat.

8 De beslissing

De rechtbank

8.1

veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de koopovereenkomst na te komen door mee te werken aan de levering van de onroerende zaken, kadastraal bekend: gemeente [gemeente 3] , sectie [sectieletter] , nrs. [sectienummer 1] , [sectienummer 2] , [sectienummer 3] , [sectienummer 4] , [sectienummer 5] , [sectienummer 6] , [sectienummer 9] , [sectienummer 8] , zijnde onder andere de parkeerplaats, het voetbal en tennisveld, de weg onder het restaurant op het villapark en een aantal percelen park en groen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel dat [gedaagde] nalaat haar medewerking te verlenen met een maximum van € 2.500,-, en bepaalt dat dit vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke medewerking/handtekening/wilsverklaring van [gedaagde] indien zij niet binnen tien dagen na betekening van dit vonnis haar medewerking heeft verleend;

8.2

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 4.504,82, vermeerderd met de nakosten van € 131,- (zonder betekening) respectievelijk € 199,- (met betekening) en met de wettelijke rente over de proces- en nakosten als [gedaagde] deze niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak heeft betaald;

8.3

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

8.4

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2020.