Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6074

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
19-08-2020
Zaaknummer
C/03/225175 HA ZA 16-513
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Immateriële schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0583
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/225175 / HA ZA 16-513

Vonnis van 12 augustus 2020

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

OPENBAAR LICHAAM op basis van de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke Regeling voor Sociale Kredietverlening en Schuldhulpverlening in Limburg, optredend in de hoedanigheid van bewindvoerder van [naam onderbewindgestelde] ,

zetelend te Geleen, gemeente Sittard-Geleen,

eiseres in conventie,

advocaat mr. A.P. Damen-Verstappen;

tegen:

[gedaagde in conventie] ,

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. R.W.J.L. Loonen.

Partijen zullen hierna [eiseres in conventie] en [gedaagde in conventie] genoemd worden.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 juli 2019;

  • -

    het deskundigenbericht van 16 januari 2020;

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres in conventie] van 19 februari 2020;

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde in conventie] van 1 april 2020.

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

De inhoud van het deskundigenbericht

2.1.

De deskundige heeft op 16 januari 2020 (abusievelijk gedateerd 16 januari 2019) het bij vonnis van 24 juli 2019 gelaste deskundigenbericht uitgebracht.

2.2.

De deskundige heeft de hem voorgelegde vragen – zakelijk weergegeven – als volgt beantwoord.

2.3.

Vraag 1a wordt door de deskundige, kort samengevat, als volgt beantwoord.
[naam onderbewindgestelde] stelt dat hij constant PTSS heeft. Hij onderbouwt dat met de stelling dat hij zich nergens thuis voelt en altijd op zijn hoede is. Vaak is hij onredelijk boos; hij voelt zich niet begrepen. Zijn moeder beweert dat misbruik voor een kind niet schadelijk is. Intussen kan hij niet tegen intimiteit en is ook zijn seksleven daarom niet normaal. Hij raakt van slag van de rechtszaak en van therapeuten die steeds maar weer van alles oprakelen. [naam onderbewindgestelde] heeft geen werk en sinds februari 2018 zit hij in de Ziektewet. Hij stelt paranoïde te zijn, waarmee hij bedoelt dat hij al snel denkt dat een ander tegen hem is. Hij stelt erg achterdochtig te zijn, hetgeen volgens hem komt omdat zijn moeder diepe wonden bij hem heeft achtergelaten, door hem als het ware een mes in de rug te steken door voor zijn stiefvader en zichzelf te kiezen en hem daarmee te verraden.

2.4.

Vraag 1b wordt door de deskundige, kort samengevat, als volgt beantwoord.
[naam onderbewindgestelde] is als zesjarige omstreeks maart 1990 verwezen naar een orthopedagoge, omdat hij brutaal zou zijn en slecht luistert en soms agressief is en moeilijk inslaapt. In 2001 is
als zeventienjarige door de RIAGG verwezen naar de afdeling psychiatrie van het Maaslandziekenhuis te Sittard, in verband met vertoond bizar gedrag, zoals plotseling schelden of het verscheuren van dingen. Volgens een schrijven van 31 december 2001 van
psychiater [naam psychiater] van datzelfde ziekenhuis is [naam onderbewindgestelde] in oktober 2001 opgenomen in verband met een overdosering Melleril. De MBO-opleiding van [naam onderbewindgestelde] is gestagneerd door de ziekte van Pfeiffer. Bij [naam onderbewindgestelde] zijn toen geen aanwijzingen gevonden voor een psychiatrische stoornis. Volgens een brief van 25 juli 2006 van de GGZ-instelling Prins Claus Centrum te Sittard is [naam onderbewindgestelde] op de spoedeisende hulp onderzocht door een
psychiater vanwege een suïcidepoging. Volgens een behandelbrief van 17 september 2014 van sociaalpsychiatrisch verpleegkundige [naam verpleegkundige] is [naam onderbewindgestelde] sedert oktober 2013 bij Orbis GGZ in Sittard in behandeling. De behandeling is gericht op het beter kunnen hanteren van heftige emoties. Als diagnoses worden genoemd een psychotische stoornis, niet anderszins omschreven, een posttraumatische stressstoornis en een borderline persoonlijkheidsstoornis als hoofddiagnose.

2.5.

De deskundige concludeert dat het klachtenverhaal van [naam onderbewindgestelde] als betrouwbaar kan worden ingeschat. Naar zijn indruk is het consistent: [naam onderbewindgestelde] spreekt zichzelf niet tegen. Hoewel de medische gegevens in het dossier al van oudere datum zijn, komt het
klachtverhaal daarmee niet duidelijk in strijd. Het relaas van [naam onderbewindgestelde] is volgens de deskundige plausibel, in die zin dat de beschreven klachten inderdaad in een situatie als de zijne denkbaar zijn. De door [naam onderbewindgestelde] geuite klachten moeten volgens de deskundige worden aangemerkt als uiting van een psychiatrische stoornis, omdat de klachten leiden tot een
significant lijden of disfunctioneren. De klachten voldoen ook aan een in de psychiatrie herkenbaar patroon. Dat [naam onderbewindgestelde] zich niet in staat voelt om zonder extreme spanning alleen te zijn met een onbekende man of met een man samen te werken, of daarvan behandeling te ondergaan, kan goed passen bij een posttraumatische stressstoornis. Ook de door [naam onderbewindgestelde] beschreven achterdocht en de neiging steeds op zijn hoede te zijn, kunnen volgens de deskundige in die context worden begrepen. De herbelevingen zijn verminderd door een EMDR-behandeling. De klachten van [naam onderbewindgestelde] kunnen volgens de deskundige worden begrepen als nog actieve restsymptomen van PTSS. [naam onderbewindgestelde] lijdt verder volgens de deskundige aan somberheid, periodieke afkeer van het leven en gevoelens van uitzichtloosheid. Volgens de huidige criteria voor PTSS kunnen de klachten van [naam onderbewindgestelde] worden geclassificeerd onder de noemer PTSS. Thans kan de deskundige geen andere aandoeningen op zijn vakgebied ontdekken. Naar de indruk van de deskundige kunnen de klachten en symptomen het beste worden gebracht onder de gemeenschappelijke noemer van een post-traumatische stressstoornis van het complexe type. Indien er in een ziektegeschiedenis aan de ene kant complexe PTSS kan worden vastgesteld en er aan de andere kant een bewezen complex trauma (het langdurige seksuele misbruik in [naam onderbewindgestelde] ’ jeugd) is, ligt het aannemen van de causale relatie daartussen volgens de deskundige voor de hand. De deskundige ziet in ieder geval geen duidelijke andere oorzaken voor het ontstaan van zijn complexe PTSS dan het langdurige seksuele misbruik in zijn jeugd. In het dossier zit een brief uit 1990 van de RIAGG Westelijke Mijnstreek, waarin melding wordt gemaakt van gedragsproblemen in samenhang met de scheiding van zijn ouders, maar dat lijkt op zichzelf onvoldoende om er – het seksueel misbruik weggedacht – vanuit te gaan dat hij alleen op basis daarvan ook een complexe PTSS had kunnen krijgen. De in de diverse behandelbrieven genoemde diverse stressfactoren (problemen in de relatie met de toenmalige vriend, spanningen tijdens een stage, het hebben opgelopen van de ziekte van Pfeiffer en de conflicten met de moeder) kunnen volgens de deskundige in verband worden gebracht met de schade die toen al door het seksueel misbruik kan zijn aangericht aan de emotieregulatie, de beleving van persoonlijke en lichamelijke integriteit en het zich kunnen toevertrouwen aan anderen. Ook indien het seksueel misbruik wordt weggedacht, lijken de stressfactoren volgens de deskundige onvoldoende te zijn om alleen op basis daarvan de ontwikkeling van een complexe PTSS te kunnen verklaren. Concluderend acht de deskundige het causaal verband tussen de complexe PTSS en het seksueel misbruik in de jeugd van [naam onderbewindgestelde] waarschijnlijk.

2.6.

Vraag 1c wordt door de deskundige als volgt beantwoord. [naam onderbewindgestelde] is normaal georiënteerd. Er zijn geen aanwijzingen van dissociatie. De deskundige ziet geen tekenen van psychose, zoals wanen, hallucinaties of verwardheid. De achterdocht die [naam onderbewindgestelde] noemt, maakt geen psychotische indruk. Het beloop van het denken is ongestoord. Het geheugen is zowel op lange als op korte termijn intact. De emotionele uitingen van [naam onderbewindgestelde] passen bij zijn verontwaardiging over wat hem is aangedaan. Hij heeft die emoties goed in de hand.

2.7.

In antwoord op vraag 1d stelt de deskundige dat hij niet op storende inconsistenties is gestuit. Daaruit volgt dat vraag 1e niet relevant is, en niet is beantwoord.

2.8.

In antwoord op vraag 1f stelt de deskundige dat hij concludeert tot een posttraumatische stressstoornis van het complexe type (DSM-5: 309.81).

2.9.

In antwoord op vraag 1g stelt de deskundige het volgende. [naam onderbewindgestelde] is aangewezen op duidelijk gestructureerd werk, zodat hij niet met onvoorziene situaties hoeft te worden geconfronteerd. Het medicatiegebruik van [naam onderbewindgestelde] brengt met zich dat hij niet professioneel een auto moet besturen, gevaarlijke machines kan bedienen of bijvoorbeeld op ladders of stijgers kan werken. [naam onderbewindgestelde] is niet geschikt om in werk conflicten te hanteren in persoonlijk of telefonisch contact. Hij kan niet samenwerken of zich in een ruimte bevinden met collega’s of leidinggevenden van het mannelijk geslacht. [naam onderbewindgestelde] is niet geschikt om leiding te geven. Omdat PTSS gepaard kan gaan met slaapproblemen, moet hij niet in de avond of de nacht werken of onregelmatige diensten verrichten. Indien met deze beperkingen rekening wordt gehouden, acht de deskundige een arbeidsduurbeperking niet noodzakelijk.

2.10.

In antwoord op vraag 1h stelt de deskundige dat er op binnen afzienbare termijn van enkele jaren geen structurele veranderingen in de toestand van [naam onderbewindgestelde] zijn te verwachten. Er kan dus worden uitgegaan van een eindtoestand. Dat betekent dat de vragen 1i t/m 1k niet relevant zijn.

2.11.

De deskundige beantwoordt vraag 2a als volgt. Hoewel [naam onderbewindgestelde] volgens de medische gegevens al voor het vastgestelde begin van het seksueel misbruik bij een hulpverleningsinstantie is geweest vanwege gedragsproblemen, hadden deze blijkens diezelfde gegevens niet de specifieke kenmerken van de complexe PTSS, die nu bij hem aan de orde is. Uit het antwoord op vraag 2a volgt, dat het antwoord op vraag 2b niet relevant is.

2.12.

In antwoord op vraag 2c stelt de deskundige dat er op zijn vakgebied geen klachten of afwijkingen zijn die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het misbruik op jonge leeftijd [naam onderbewindgestelde] niet was overkomen. Uit antwoord op deze vraag volgt dat de vragen 2d t/m 2i niet van toepassing zijn.

2.13.

De algemeen luidende slotvraag wordt door de deskundige ontkennend beantwoord.

De beoordeling van het deskundigenbericht

2.14.

De rechtbank stelt voorop dat thans nog geen oordeel hoeft te worden gegeven over de vraag of er causaal verband bestaat tussen het onrechtmatige handelen van [gedaagde in conventie] en de schade die [naam onderbewindgestelde] daardoor stelt te hebben geleden. Het deskundigenbericht dat nu ter beoordeling voorligt, dient enkel om aan de hand daarvan de vraag te kunnen beantwoorden – zakelijk weergegeven – of en, zo ja, aan welke psychische stoornissen [naam onderbewindgestelde] lijdt die het gevolg zijn van het onrechtmatige handelen van [gedaagde in conventie] en hoe de psychische gezondheid van [naam onderbewindgestelde] zou zijn geweest, indien [gedaagde in conventie] niet onrechtmatig jegens [naam onderbewindgestelde] zou hebben gehandeld. Wat [naam onderbewindgestelde] omtrent het causale verband tussen het onrechtmatige handelen en de beweerde schade in zijn conclusie na deskundigenbericht naar voren heeft gebracht, is derhalve thans nog niet van belang en hoeft dus thans nog niet te worden beoordeeld.

2.15.

Tegen de inhoud van het deskundigenbericht heeft [naam onderbewindgestelde] geen bezwaren naar voren gebracht. [gedaagde in conventie] van zijn kant heeft aangevoerd dat uit de inhoud van het deskundigenbericht niet volgt dat een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de PTSS (uitsluitend) is veroorzaakt door het seksuele misbruik. Volgens [gedaagde in conventie] is [naam onderbewindgestelde] derhalve niet geslaagd in het bewijs van het causale verband tussen dat misbruik en het ontstaan van het PTSS.

2.16.

De rechtbank is van oordeel dat met de conclusie van de deskundige, dat het causale verband tussen [naam onderbewindgestelde] ’ complexe PTSS en het seksuele misbruik waarschijnlijk is, voldoende aannemelijk is dat die psychische stoornis is veroorzaakt door het onrechtmatige handelen van [gedaagde in conventie] , mede ook gelet op de aard, de duur en de ernst van de onrechtmatige daad die is gepleegd door [gedaagde in conventie] en de overige in het tussenvonnis van 8 mei 2019 geschetste omstandigheden. Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik als het onderhavige kan leiden tot ernstige psychische klachten bij het slachtoffer. Uit de inhoud van het deskundigenbericht volgt ook dat de psychische klachten die [naam onderbewindgestelde] vóór het omstreden misbruik had, de huidige psychische klachten niet verklaren en ten slotte heeft
[gedaagde in conventie] in zijn conclusie na deskundigenbericht ook geen andere oorzaak aangevoerd voor de huidige psychische klachten van [naam onderbewindgestelde] .

2.17.

[gedaagde in conventie] heeft verder nog gesteld dat de deskundige niet heeft aangegeven dat behandeling van [naam onderbewindgestelde] geen verandering kan brengen in de onmogelijkheid om bepaalde functies en werkzaamheden te vervullen, respectievelijk uit te voeren.

2.18.

Dat standpunt moet worden verworpen. Met zijn conclusie dat er op afzienbare termijn van enkele jaren geen structurele verandering in de toestand van [naam onderbewindgestelde] is te verwachten en dat dus kan worden uitgegaan van een eindtoestand, geeft de deskundige impliciet aan dat, anders dan [gedaagde in conventie] betoogt, er door behandeling geen verbetering valt te verwachten.

2.19.

Ten slotte heeft [gedaagde in conventie] aangevoerd dat op basis van het deskundigenbericht niet kan worden vastgesteld en daardoor ook niet worden bewezen dat sprake is van inkomensnadeel.

2.20.

Ook dit verweer moet worden verworpen. Het is aan de verzekeringsgeneeskundige om, aan de hand van het deskundigenbericht van de psychiater, vast te stellen welke beperkingen [naam onderbewindgestelde] heeft bij het uitoefenen van werkzaamheden.

2.21.

Op grond van het vorenoverwogene neemt de rechtbank de conclusies van de deskundige over en maakt die tot de hare.

Het verdere verloop van de procedure

2.22.

In het tussenvonnis van 24 juli 2019 heeft de rechtbank onder 8.13. en 8.14. uiteengezet hoe de procedure wordt voortgezet afhankelijk van de beoordeling van het deskundigenbericht van de psychiater. Uit de beoordeling van de inhoud van dat bericht volgt dat thans kan worden gehandeld als in 8.14. van dat vonnis beschreven.

2.23.

De eerder aangekondigde deskundigenberichten zullen nu worden bevolen. De rechtbank heeft kennis genomen van het tussen partijen gevoerde debat omtrent het aantal te benoemen deskundigen, de persoon van de deskundige(n) en de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Mede gelet op dat debat zal de rechtbank de onder de beslissing vermelde deskundigen benoemen. Aan deze deskundigen zullen de in de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd.

2.24.

Indien de verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige dat nuttig en/of wenselijk achten, kunnen zij hun onderzoeken op elkaar afstemmen. Indien zij dat doen, dan worden zij verzocht de rechtbank daarvan schriftelijk in kennis te stellen. In dat geval verzoekt de rechtbank de verzekeringsgeneeskundige verder om niet alleen de rechtbank te berichten dat zijn eindbericht klaar is, en een afschrift daarvan te zenden aan de rechtbank, maar in dat geval ook de arbeidsdeskundige in die zin te berichten en deze een afschrift daarvan te zenden en de rechtbank daarover schriftelijk te berichten. De termijn van drie maanden, bedoeld in 3.11., begint in dat geval te lopen na ontvangst van het deskundigenbericht van de verzekeringsgeneeskundige door de arbeidsdeskundige.

2.25.

In de vorige beslissing is al aangekondigd door welke partij het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden gedeponeerd. Zonder schriftelijk en gemotiveerd tegenbericht binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, wordt ervan uitgegaan dat partijen geen bezwaren hebben tegen de gevraagde voorschotten.

2.26.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundigen. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

2.27.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundigen doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

2.28.

De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep van deze tussenbeslissing toe te staan. Zij zal de beslissing over het voorschot ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

benoemt tot deskundigen:

als verzekeringsgeneeskundige:

mr. drs. J.H.M. de Brouwer;

Papenhoeflaan 32;

3421 XR Oudewater;

telefoon: 0644244050;

e-mail: jhmdebrouwer@gmail.com;

als arbeidskundige:

A.L van Summeren;

A.L. van Summeren Management B.V.;

Raamsingel 122;

5403 TZ Uden;

telefoon: 06-53548826;

e-mail: tvansummeren@kpnmail.nl;

als rekenkundige:

X.I. Waaijenberg-Laumen;

Da Vincilaan 33;

6716 WC Ede;

telefoon: 0318-629429;

e-mail: x.waaijenberg@laumenreo.nl;

3.2.

beveelt een onderzoek door de respectieve deskundigen ter beantwoording van de volgende vragen:

T.a.v. de verzekeringsgeneeskundige

  1. Welke belemmeringen geeft [naam onderbewindgestelde] aan te ondervinden bij het volgen van een studie?

  2. Wilt u, na kennis genomen te hebben van het deskundigenbericht van de psychiater, op basis van zijn bevindingen in zijn vakgebied een belastbaarheidspatroon opstellen op de in uw beroepsgroep gebruikelijke wijze, bijvoorbeeld aan de hand van een zogenaamde “functionele mogelijkhedenlijst”? U wordt verzocht dit te doen voor de situatie met misbruik en – zo mogelijk – voor de situatie zonder misbruik.

  3. Heeft nu naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

T.a.v. de arbeidsdeskundige

  1. Wat zou naar uw inschatting het carrièreverloop van [naam onderbewindgestelde] zijn geweest indien het misbruik hem niet zou zijn overkomen? Wilt u bij beantwoording van deze vraag ook de te verwachten arbeidsduur per week aangeven en de periode(n) waarover [naam onderbewindgestelde] in dat geval vermoedelijk op de arbeidsmarkt werkzaam zou zijn geweest?

  2. Kunt u aangeven wat – uitgaande van uw antwoord op de voorgaande vraag – het reële verdienvermogen, zowel bruto als netto, van de door [naam onderbewindgestelde] te verrichten arbeid zou zijn geweest, zonder het misbruik, rekening houdend met de door [naam onderbewindgestelde] genoten opleiding en het arbeidsverleden?

  3. Kunt u aangeven welk opleidingsniveau [naam onderbewindgestelde] had kunnen volgen zonder beperkingen?

  4. Kunt u aangeven wat – uitgaande van uw antwoord op de eerste vraag – het reële verdienvermogen, zowel bruto als netto, van de door [naam onderbewindgestelde] te verrichten arbeid zou zijn geweest, zonder het misbruik, er vanuit gaande dat [naam onderbewindgestelde] de opleiding uit de derde vraag had gevolgd?

  5. Zijn er, rekening houdend met de beperkingen, zoals die blijken uit het rapport van de verzekeringsgeneeskundige, passende arbeidsmogelijkheden voor betrokkene te duiden? Zo ja, welke en voor hoeveel uur per week? Zo nee, waarom niet?

  6. In het geval u vraag 5 bevestigend beantwoordt: wat is het reële verdienvermogen, zowel bruto als netto, van de door bij dat antwoord aangegeven arbeid?

  7. In het geval u vraag 5 ontkennend beantwoordt: ziet u, rekening houdend met de beperkingen van [naam onderbewindgestelde] , zoals die blijken uit het rapport van de verzekeringsgeneeskundige, en de door [naam onderbewindgestelde] genoten opleiding, mogelijkheden tot (verdere) omscholing? Zo ja, welke opleiding(en) kom(t)(en) daarvoor in aanmerking, wat is de duur en wat zijn de kosten van die opleiding(en)?

  8. Indien vraag 7 aan de orde is en door u in bevestigende zin is beantwoord, wat zou zijn te verwachten verdienvermogen, zowel bruto als netto, zijn na voltooiing van de door u in dat antwoord genoemde nadere omscholing en aan welk carrièreverloop zou dan volgens u gedacht kunnen worden?

  9. Zijn er werk- en ADL-voorzieningen te treffen die het verdienvermogen, al dan niet na omscholing als hiervoor onder 7 bedoeld, kunnen verhogen? Zo ja, welke voorzieningen zijn dat en wat zijn de kosten daarvan, voor zover niet vallend onder de AWBZ, Wmo, UWV en dergelijke?

  10. Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang (kunnen) zijn?

T.a.v. de rekenkundige

  1. Wilt u met inachtneming van hetgeen door de arbeidsdeskundige is overwogen de totale arbeidsvermogensschade (verlies verdienvermogen plus pensioenschade) van [naam onderbewindgestelde] berekenen?

  2. Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang (kunnen) zijn?

De voorschotten

3.3.

stelt de hoogte van de voorschotten op de kosten van de diverse deskundigen vast op het door de respectieve deskundigen begrote bedrag van:

€ 3.049,20 (inclusief btw) ten behoeve van de verzekeringsgeneeskundige;

€ 7.550,40 (inclusief btw) ten behoeve van de arbeidsdeskundige;

en € 6.352,50 (inclusief btw) ten behoeve van de rekenkundige;

3.4.

bepaalt dat [gedaagde in conventie] het totaal van de voorschotten van de kosten moet dragen, doch bepaalt dat dit totaal, nu aan [gedaagde in conventie] een toevoeging is verleend, voorlopig ten laste van ’s-Rijks kas komt;

3.5.

wijst partijen op het overwogene onder 2.25.;

3.6.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot;

Het onderzoek

3.7.

bepaalt dat [naam onderbewindgestelde] zijn procesdossier in afschrift aan de deskundigen dient te doen toekomen;

3.8.

bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig zullen instellen op de door hen in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats;

3.9.

wijst de deskundigen er op dat:

  • -

    de deskundigen voor aanvang van het onderzoek dienen kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie);

  • -

    de deskundigen het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dienen aan te vangen;

  • -

    de deskundigen het onderzoek onmiddellijk dienen te staken en contact dienen op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;

3.10.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundigen dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundigen toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundigen ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek;

Het schriftelijk rapport

3.11.

draagt de verzekeringsgeneeskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier dat hij kan aanvangen met zijn werkzaamheden een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;

3.12.

draagt de arbeidsdeskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier dat hij kan aanvangen met zijn werkzaamheden, dan wel indien het in 2.24. bedoelde van toepassing is, na ontvangst van het bericht van de verzekeringsgeneeskundige dat hij zijn eindbericht klaar heeft, een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;

3.13.

draagt de rekenkundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier dat zij kan aanvangen met haar werkzaamheden een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;

3.14.

wijst de deskundigen er op dat:

  • -

    uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd;

  • -

    dat de deskundige [naam onderbewindgestelde] in de gelegenheid moet stellen om gebruik te maken van zijn inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b BW en, indien
    als eerste kennis wenst te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan [naam onderbewindgestelde] (eventueel onder gesloten couvert via zijn advocaat) moet toesturen en [naam onderbewindgestelde] daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of [naam onderbewindgestelde] gebruik wil maken van zijn blokkeringsrecht (waarbij [naam onderbewindgestelde] zich van commentaar op het concept moet onthouden);

  • -

    dat, indien [naam onderbewindgestelde] binnen die termijn mededeelt gebruik te maken van zijn blokkeringsrecht, de deskundige de werkzaamheden onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen;

  • -

    dat, indien [naam onderbewindgestelde] geen gebruik maakt van zijn inzage- of blokkeringsrecht, de deskundige het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moet toezenden;

3.15.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de respectieve deskundigen nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundigen geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;

Overige bepalingen

3.16.

draagt de griffier op de zaak op de rol te plaatsen:

- na ontvangst ter griffie van het laatste deskundigenbericht (rapport rekenkundige): voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [naam onderbewindgestelde] en [gedaagde in conventie] op een termijn van vier weken;

3.17.

verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad;

3.18.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra, mr. J.R. Sijmonsma en mr. I.M. Etman, rechters, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: MT