Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:6051

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
8287191 \ CV EXPL 20-258
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6:96 lid 2 onder c BW.

Buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.

Eisende partij heeft de vordering te snel ter incasso uit handen gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 8287191 \ CV EXPL 20-258

Vonnis van de kantonrechter van 19 augustus 2020

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MEDIA MARKT VENLO B.V.,

gevestigd te Venlo,

eisende partij,

gemachtigde: Flanderijn Gerechtsdeurwaarders,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde partij],

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

gedaagde partij,

procederende in persoon (bij monde van [naam] , directeur).

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    het mondeling antwoord;

  • -

    de beslissing waarbij een mondelinge behandeling is bepaald.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Eisende partij heeft van gedaagde partij op 5 februari 2018 een factuur ontvangen voor een bedrag van € 6.360,00. Eisende partij heeft deze factuur tweemaal voldaan, namelijk op 27 februari 2018 en op 30 april 2018.

3 Het geschil

3.1.

Eisende partij vordert - samengevat - veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 6.339,39, vermeerderd met rente en kosten.

Zij stelt daartoe - samengevat - het volgende. Gedaagde partij dient het teveel betaalde bedrag op grond van onverschuldigde betaling aan eisende partij te voldoen. Eisende partij heeft onder verrekening van een tweetal factuurbedragen die zij aan gedaagde partij verschuldigd was, van gedaagde partij een bedrag van € 5.233,00 teruggevorderd. Gedaagde partij heeft dit bedrag, ondanks aanmaning, onbetaald gelaten. Eisende partij heeft haar vordering ter incasso uit handen gegeven aan haar incassogemachtigde. De kosten daarvan ad € 636,65 dient gedaagde partij aan eisende partij te vergoeden. Tot slot is gedaagde partij wettelijke handelsrente verschuldigd. Berekend tot aan de dag van dagvaarding gaat het om een bedrag van € 469,74.

3.2.

Gedaagde partij voert - samengevat - het volgende verweer.

Gedaagde partij wil de hoofdsom wel betalen, maar zonder bijkomende kosten. Gedaagde partij heeft naar aanleiding van de dubbele betaling door eisende partij aan eisende partij in november 2018 voorgesteld het teveel betaalde te verrekenen met kaarten voor komende events. Dit voorstel zou bij eisende partij besproken worden, maar gedaagde partij heeft niets meer van eisende partij gehoord. Eisende partij heeft haar vordering dan ook te snel en onterecht uit handen gegeven. Overigens heeft gedaagde partij vóór de e-mail van de incassogemachtigde van 5 juni 2019 van de zijde van eisende partij nooit eerder brieven ontvangen.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Nu gedaagde partij het gevorderde bedrag van € 5.233,00 heeft erkend, zal dit worden toegewezen. Wettelijke handelsrente over dit bedrag acht de kantonrechter niet toewijsbaar, omdat de grondslag van de vordering onverschuldigde betaling is, en niet een handelsovereenkomst. In plaats daarvan zal wettelijke rente worden toegewezen en wel vanaf 11 juni 2019, zijnde de in de (door gedaagde partij ontvangen) e-mail van 5 juni 2019 genoemde uiterste betaaldatum.

4.2.

Thans is nog uitsluitend aan de orde of gedaagde partij buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten verschuldigd is.

4.3.

Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten geldt het volgende.

Als onweersproken staat vast dat er in november 2018 tussen partijen telefonisch contact is geweest waarin van de zijde van eisende partij is toegezegd dat het voorstel van gedaagde partij binnen haar organisatie zou worden besproken. Eisende partij heeft niet gesteld dat zij aan gedaagde partij te kennen heeft gegeven dat zij niet op dit voorstel inging en direct betaling wilde. Eisende partij heeft slechts verwezen naar de als productie 3 bij de dagvaarding overgelegde (standaard) aanmaningen, die zij aan gedaagde partij heeft gestuurd. Daaruit moest gedaagde partij begrijpen dat eisende partij niet wilde ingaan op het voorstel van gedaagde partij. Gedaagde partij stelt deze brieven niet te hebben ontvangen. Gelet hierop had het op de weg van eisende partij gelegen te stellen en zo nodig te bewijzen dat de brieven zijn verzonden aan een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat gedaagde partij aldaar door haar kon worden bereikt en dat de verklaring is aangekomen. Eisende partij heeft dat niet gedaan, noch enige onderbouwing gegeven in de vorm van bewijzen van aangetekend verzenden. Bewijslevering is daarmee niet aan de orde. Het moet er daarom voor worden gehouden dat gedaagde partij de brieven niet heeft gehad. Eisende partij heeft daarmee haar vordering uit handen gegeven aan haar incassogemachtigde zonder dat zij richting gedaagde partij naar behoren op het voorstel is teruggekomen. Dat geeft geen pas en was mogelijk nog te repareren geweest als de incassogemachtigde de gevraagde duidelijkheid wel had verschaft in haar e-mails aan gedaagde partij en de mogelijkheid had geboden te betalen zonder incassokosten. Als dan niet was betaald, was het redelijk geweest dat gedaagde partij incassokosten zou vergoeden. Nu ook dat niet is gebeurd, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.

Overigens wordt nog opgemerkt dat anders dan eisende partij stelt, artikel 96 lid 4 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is, nu het hier, zoals gezegd, geen vordering uit hoofde van een handelsovereenkomst betreft.

4.4.

Gedaagde partij is wel de proceskosten verschuldigd aan eisende partij. Op basis van de e-mail van de incassogemachtigde van 27 september 2019, waarin zij stelt dat het bezwaar van gedaagde partij met eisende partij is besproken en dat zij de vordering handhaaft, had gedaagde partij in ieder geval de hoofdsom dienen te voldoen. Nu zij dat niet heeft gedaan heeft zij de procedure over zichzelf afgeroepen. Gedaagde partij zal dan ook als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 89,61

  • -

    griffierecht 499,00

  • -

    salaris gemachtigde 600,00 (2 x tarief € 300,00)

totaal € 1.188,61

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 5.233,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2019 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten aan de zijde van eisende partij gevallen en tot op heden begroot op € 1.188,61,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken.

type: EB

coll: