Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:5994

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
18-08-2020
Zaaknummer
8620238 CV EXPL 20-3154
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontruiming bedrijfspand in kort geding wegens huurachterstand. Geen sprake van een omstandigheid (ex art. 6:265 BW) die van dien aard is dat verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de huurovereenkomst mag verwachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8620238 CV EXPL 20-3154

Vonnis van de kantonrechter in kort geding van 12 augustus 2020

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOTEL RESTAURANT DRIE LANDEN B.V.,

kantoor houdend te Lemiers, gemeente Vaals,

eisende partij,

gemachtigde mr. D.M. Gijzen,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

kantoor houdend te [vestigingsplaats] , aan de [adres] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SES COATING B.V.,

kantoor houdend te Lemiers, gemeente Vaals, Mamelis 6,

gedaagden,

gemachtigde mr. A.J.J. Kreutzkamp.

Partijen worden hierna Drie Landen, [gedaagde sub 1] en SES Coating genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 2 juli 2020 met 1 productie,

  • -

    het e-mailbericht van de gemachtigde van [gedaagde sub 1] en SES Coating inhoudende 5 producties,

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 30 juli 2020 waar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht en waarbij aan de zijde van [gedaagde sub 1] en SES Coating een pleitnotitie, tevens conclusie van antwoord is overgelegd.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 1 november 2019 is tussen [gedaagde sub 1] en Drie Landen een huurovereenkomst tot stand gekomen. Eveneens op 1 november 2019 is tussen SES Coating en Drie Landen een huurovereenkomst tot stand gekomen. Beide huurovereenkomsten betreffen de huur van de bedrijfsruimte ex art. 7:290 BW, zijnde het restaurantgedeelte op de begane grond van Hotel Restaurant Drie Landen BV., aan de Mamelis 6 te Lemiers. Beide overeenkomsten zijn ondertekend door [gedaagde sub 1] (productie 1 dagvaarding).

2.2.

De huurovereenkomsten zijn aangegaan voor een periode van 36 maanden, derhalve tot 1 november 2022.

2.3.

Sinds februari 2020 is er geen huur meer betaald.

2.4.

Het restaurant is sinds mei 2020 en thans nog steeds gesloten.

3 Het geschil

3.1.

Drie Landen vordert dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad,

  • -

    gedaagden veroordeelt om onmiddellijk, althans binnen een door de kantonrechter te bepalen termijn, de gehuurde bedrijfsruimte te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Drie Landen te stellen, bij gebreke waarvan de deurwaarder de ontruiming op kosten van gedaagde zal uitvoeren, desnoods met behulp van de sterke arm,

  • -

    alsmede Drie Landen machtigt het gehuurde te betreden en te exploiteren of doen exploiteren door derden totdat de huurovereenkomst ontbonden za zijn,

  • -

    gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, veroordeelt tot betaling van de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening, alsmede de nakosten.

3.2.

Drie Landen legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij - onder verwijzing naar twee huurovereenkomst overgelegd als productie 1 bij dagvaarding - met ingang van 1 november 2019 aan [gedaagde sub 1] en aan SES Coating de bedrijfsruimte, zijnde het restaurantgedeelte op de begane grond van Hotel Restaurant Drie Landen B.V. aan de Mamelis 6 te Lemiers, met in begrip van de bedrijfsinventaris verhuurt en dat gedaagden sinds 1 februari 2020 geen huur meer hebben betaald. Doordat het restaurant is gesloten kunnen gasten van het hotel daar geen gebruik meer van maken. Gasten haken daardoor af of annuleren hun boeking, hetgeen leidt tot een omzetverlies aan de zijde van Drie Landen en waardoor het voortbestaan van haar eigen onderneming in gevaar komt.

3.3.

[gedaagde sub 1] en SES Coating voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het voor toewijzing van de vordering vereiste spoedeisend belang van Drie Landen is gelegen in het voorkomen van het verder oplopen van een huurachterstand. Drie Landen wordt in haar vorderingen ontvangen.

4.2.

[gedaagde sub 1] voert als eerste aan dat hij slechts tijdelijk huurder is geweest. Alleen SES Coating zou de uiteindelijke huurder moeten zijn. Die stelling wordt echter niet onderbouwd. De huurovereenkomsten zijn beide op 19 december 2019 door [gedaagde sub 1] ondertekend. Verder blijkt nergens uit dat - zoals [gedaagde sub 1] stelt - één huurovereenkomst in eerste instantie op zijn naam was gezet, omdat alleen hij over een zogeheten SVH-vergunning beschikte en dat die huurovereenkomst later is voortgezet door SES Coating. Dat de facturen, overgelegd als productie 1 van [gedaagde sub 1] en SES Coating, alleen op naam van SES Coating staan, doet daar niet aan af. De kantonrechter volgt [gedaagde sub 1] derhalve niet in dit verweer zodat dit vonnis zowel jegens [gedaagde sub 1] als jegens SES Coating zal hebben te gelden.

4.3.

In dit kort geding gaat het om een vordering tot ontruiming van een bedrijfspand in verband met een ontstane huurachterstand. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding dient voldoende aannemelijk te worden dat de bodemrechter, geconfronteerd met hetzelfde feitencomplex, tot toewijzing van de vordering zal komen. Naar het oordeel van de kantonrechter in kort geding doet die situatie zich hier voor en daarbij wordt het volgende van belang geacht.

4.4.

[gedaagde sub 1] en SES Coating hebben het niet betalen van de huur met ingang van 1 februari van dit jaar erkend. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat het betalingsgedrag van [gedaagde sub 1] en SES Coating vanaf februari 2020 van dien aard is dat boven redelijke twijfel verheven is dat een eventuele vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden toegewezen op grond van de tekortkomingen in de nakoming van de betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomst. Het betalen van de huurtermijnen betreft een periodieke betalingsverplichting zodat eerst na ommekomst van de voor voldoening van de huurpenningen gestelde termijn (fatale termijn) het verzuim intreedt zonder ingebrekestelling. Voor zover de kantonrechter als voorzieningenrechter moet begrijpen dat met verwijzing naar de eerst ter zitting overgelegde facturen en “calculatie” (productie 2 van [gedaagde sub 1] en SES Coating) een beroep op verrekening wordt gedaan, gaat de kantonrechter daaraan voorbij nu de gestelde vorderingen niet opeisbaar zijn daar Drie Landen deze betwist en van enige afspraak of grondslag daarvoor niet is gebleken.

4.5.

De overige door [gedaagde sub 1] naar voren gebrachte stellingen kunnen, bij gebrek aan enige nadere onderbouwing, niet tot een ander oordeel leiden. Voor zover [gedaagde sub 1] en SES Coating met een beroep op art. 6:258 BW hebben beoogd dat zij recht hebben op een huurkorting (van kennelijk 100%), dient beoordeeld te worden of zij, vooruitlopend op een beslissing van de bodemrechter daarover, terecht een beroep doen op opschorting van de huurbetalingen.

De beperkingen in verband met de coronacrisis kunnen weliswaar aangemerkt worden als een onvoorziene omstandigheid in de zin van art. 6:258 BW, welke omstandigheid van dien aard is dat de verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van de huurovereenkomst mag verwachten, echter, niet gesteld of gebleken is waarom het in de gegeven omstandigheden redelijk zou zijn dat de betalingsverplichting van [gedaagde sub 1] en SES Coating verlaagd zou dienen te worden tot nihil. [gedaagde sub 1] en SES Coating hebben niets naar voren gebracht over mogelijke financiële gevolgen die de coronacrisis voor hen heeft (gehad) en of en in hoeverre zij een aanspraak konden maken op overheidssteun, waardoor er te weinig zou overblijven om de volledige maandelijkse huur te betalen. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, acht de kantonrechter het onaannemelijk dat de bodemrechter een huurkorting van 100% redelijk zal achten. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, nu de kantonrechter een opschorting van de huurpenningen thans niet toewijsbaar acht, [gedaagde sub 1] en SES Coating vooralsnog de volledige huur verschuldigd zijn.

4.6.

De huurachterstand is derhalve zodanig dat in een (eventueel nog te voeren) bodemprocedure de huurovereenkomst op grond daarvan naar alle waarschijnlijkheid zal worden ontbonden. Vooruitlopend daarop is de vordering tot ontruiming toewijsbaar. De termijn waarbinnen [gedaagde sub 1] en SES Coating het gehuurde dienen te verlaten, zal overeenkomstig het bepaalde in art. 555 Rv worden gesteld op drie dagen na betekening van dit vonnis.

4.7.

Drie Landen behoeft geen machtiging van de kantonrechter om het toe te wijzen bevel tot ontruiming zo nodig af te dwingen. De in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (artikelen 555 e.v. Rv in verbinding met artikel 444 Rv) worden toereikend geacht, zodat Drie Landen bij een afzonderlijke machtiging geen belang heeft.

4.8.

De gevorderde machtiging om het gehuurde te kunnen betreden en te exploiteren of te doen exploiteren door derden totdat de huurovereenkomst ontbonden zal zijn, zal worden afgewezen aangezien Drie Landen een huurovereenkomst voor bepaalde tijd (36 maanden), te weten tot 1 november 2022, met [gedaagde sub 1] en SES Coating is aangegaan en eerst in een (mogelijke) bodemprocedure over een ontbinding van de huurovereenkomst vóór die datum beslist zal dienen te worden alvorens Drie Landen het gehuurde aan een derde ter beschikking kan stellen.

4.9.

[gedaagde sub 1] en SES Coating zullen als de in het ongelijk gestelde partijen, hoofdelijk, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Drie Landen gevallen en tot vandaag begroot op:

  • -

    explootkosten € 83,38

  • -

    griffierecht € 124,00

  • -

    salaris gemachtigde € 720,00

Totaal € 927,38.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten, alsmede de nakosten, zullen worden toegewezen als hierna in het dictum bepaald.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en SES Coating om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de gehuurde bedrijfsruimte te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Drie Landen te stellen,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en SES Coating, hoofdelijk, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten van Drie Landen, die tot de uitspraak van dit vonnis worden begroot op € 927,38, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en SES Coating, hoofdelijk, des de een betalend de ander zal zijn bevrijd, onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis volledig aan bovenstaande veroordelingen voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 120,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.

RJ