Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:5989

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
20-08-2020
Zaaknummer
AWB/ROE 19/2600
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij het verkeersbesluit van 4 april 2019 heeft verweerder, onder meer, besloten het vrijliggende pad aan de Meebruggenweg te Itteren, gemeente Maastricht, dat loopt achter de woningen aan Geneinde, aan te duiden als voetpad. Eiser is het daar, als bewoner van Geneinde, niet mee eens omdat hij het pad al jarenlang gebruikt met zijn landbouwmachines en hij in de veronderstelling was dat verweerder hem hiervoor impliciete toestemming had verleend. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met zijn belangen, maar verweerders belangen en die van andere buurtbewoners laten prevaleren. Daarnaast heeft verweerder zich tevens schuldig gemaakt aan détournement de pouvoir. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder geen impliciete toestemming verleend voor het gebruik maken van het pad met landbouwmachines. Verder heeft verweerder de belangenafweging in zijn voordeel mogen laten uitvallen en er is geen sprake van détournement de pouvoir.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/2600

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2020 in de zaak tussen

J.J.M. Smeets, te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.P.H. Sangers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C.W. Ploum).

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2019 (gepubliceerd in de Staatscourant op 18 april 2019,

nr. 21577) (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder een verkeersbesluit genomen inhoudende een tweetal verkeersmaatregelen aan de Meebruggenweg te Itteren, gemeente Maastricht.

Bij besluit van 20 augustus 2019 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2020. Partijen zijn verschenen.

Overwegingen

Formeel punt

1. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de vraag of het door verweerder ingediende stuk van 7 juli 2020 bij de onderhavige beoordeling kan worden betrokken. Het stuk is namelijk binnen de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht vermelde termijn van tien dagen ingediend. Nu eiser te kennen heeft gegeven geen bezwaar te hebben tegen het meenemen van het stuk in de onderhavige beoordeling, ziet de rechtbank geen aanleiding het stuk tardief te verklaren wegens strijd met de beginselen van een goede procesorde.

Inhoudelijke beoordeling

2. Eiser is woonachtig aan [adres 1] te [woonplaats] . In de periode 1995/1996 is eiser een vergunning verleend voor de realisatie van een stal/loods aan de noordzijde van het perceel [adres 1] . In 2005 is eiser een vergunning verleend voor de realisatie van een stal op een van zijn percelen ten noorden van zijn perceel [adres 1] .

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder besloten tot het instellen van een tweetal verkeersmaatregelen aan de Meebruggenweg. Deze maatregelen houden in dat het vrijliggende pad aan de Meebruggenweg, dat loopt achter de woningen aan Geneinde, wordt aangeduid als voetpad waarbij een uitzondering is gemaakt voor de bewoners van [adres 2] en dat het verkeer op de Meebruggenweg voorrang dient te verlenen aan het verkeer op Geneinde/Ruyterstraat.

4. In het bestreden besluit heeft verweerder besloten om het primaire besluit te handhaven onder aanvulling van de motivering.

5. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft beroep ingesteld op de hierna te bespreken gronden.

6. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid tot het onderhavige verkeersbesluit heeft kunnen komen. De rechtbank stelt daarbij vast dat de beroepsgronden zich enkel richten tegen de verkeersmaatregel om het pad achter de woningen aan de Geneinde aan te merken als voetpad.

Impliciete toestemming

7. Eiser heeft betoogd dat verweerder door het verstrekken van de vergunning voor het realiseren van een stal/loods in 1995/1996 mede (impliciet) heeft ingestemd met het feit dat eiser voor de ontsluiting van zijn stal/loods het openbare pad op en over moest rijden met zijn landbouwmachines. Dat eiser hiervoor destijds geen uitwegvergunning is verleend, maakt dit niet anders. Ter hoogte van de stal/loods is het pad, anders dan verweerder stelt, aanzienlijk breder. Eiser heeft dit gedaan zodat hij vanuit zijn stal/loods gemakkelijker het openbare pad op en af kan draaien. Met de realisatie van de stal in 2006 op het perceel ten noorden van het openbare pad heeft verweerder nogmaals bekrachtigd dat eiser met zijn landbouwmachines het openbare pad met landbouwmachines op en af moest kunnen rijden.

8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen stellen dat met het verlenen van een vergunning voor het bouwen van de stallen c.q. loods, niet tevens een uitwegvergunning is verleend. Hiervoor diende en dient eiser een separate aanvraag in te dienen. Het feit dat in de vergunning op grond van de Wet milieubeheer het gebruik van het pad, als in- en oprit, van de geluidsvoorschriften is uitgezonderd alsmede dat het pad jarenlang als zodanig is gebruikt, maakt dit niet anders. Uit de besluitvorming blijkt dat verweerder eiser erop heeft gewezen dat hij vanwege zijn agrarische bedrijf een aanvraag voor een uitwegvergunning kan aanvragen, opdat vanaf het adres [adres 1] direct en aansluitend recht over het voetgangerspad kan worden overgestoken naar de ten noorden hiervan gelegen percelen van eiser. Volgens verweerder bestaat vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaar tegen een dergelijke vergunning.

Belangenafweging

9. Eiser heeft betoogd dat hij en anderen decennialang gebruik konden en mochten maken van het openbare pad als voetpad en fietspad. Ook was het pad toegankelijk voor auto’s en kleine en licht gemotoriseerde landbouwvoertuigen zoals een kniklader. De veiligheid op het pad is nooit in geding geweest. Vanwege het bestreden besluit moet eiser voor dagelijkse kleine werkzaamheden op zijn percelen, behoorlijk omrijden waardoor hij aanzienlijk meer tijd kwijt is. Verweerder heeft bij zijn besluit geen acht geslagen op de belangen van eiser. Eiser betwist dat het kiezelpad niet geschikt zou zijn voor het gebruik met een kniklader. Het kiezelpad is hiervoor voldoende breed en de kniklader is hiervoor niet te zwaar. Naar de mening van eiser is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ontbeert het een deugdelijke motivering. Hij voert daartoe aan dat de aanleiding voor het nemen van het bestreden besluit is gelegen in het feit dat de bewoner van [adres 2] geen gebruik kon maken van zijn uitwegvergunning vanwege overhangende takken en grote stenen ter hoogte van het adres [adres 3] . Verweerder wekt de schijn dat de bewoners van [adres 3] een doorslaggevende stem hebben gehad bij het nemen van het verkeersbesluit. Eiser onderbouwt dit met een door hem verzonden e-mailbericht aan de gemeente Maastricht (drs. [naam projectleider] , projectleider stedelijke ontwikkeling). Hieruit volgt dat de gemeente er geen problemen mee zou hebben als eiser met zijn lichte landbouwvoertuigen gebruik blijft maken van het pad. Voorwaarde is wel dat hij de toestemming nodig heeft van de bewoners van [adres 3] en [adres 2] .

9.1.

Eiser is van mening dat het primaire besluit en het bestreden besluit niet voldoen aan artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: het Babw), nu niet aannemelijk is gemaakt dat de in artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) genoemde belangen in het geding waren door de wijze waarop eiser van het pad gebruik heeft gemaakt. Verweerder heeft evenmin zelf verkeerstechnisch onderzoek verricht. Eiser voert verder aan dat verweerder bij zijn besluitvorming evenmin de belangen heeft meegewogen zoals deze zijn opgenomen in artikel 2, tweede lid, van de Wvw 1994. Naar de mening van eiser heeft verweerder zich schuldig gemaakt aan détournement de pouvoir, aangezien de belangen zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, van de Wvw 1994 nooit in geding zijn geweest en enkel vanwege de verplichting vanuit de Wvw 1994 aan het verkeersbesluit ten grondslag zijn gelegd.

10. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de

Wvw 1994 kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wvw 1994 kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals de uitspraak van 9 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:589), komt verweerder bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan verweerder om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter zal zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend moeten opstellen en dienen te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of sprake is van zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

Op grond van artikel 21 van het Babw vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

11. De rechtbank stelt vast dat eiser als belang naar voren heeft gebracht dat het betreffende pad jarenlang gebruikt mocht worden voor licht gemotoriseerd landbouwverkeer en dat hij thans als gevolg van het verkeersbesluit moet omrijden om bij zijn stallen te komen, hetgeen aanzienlijk meer tijd in beslag neemt. Verweerder heeft daartegenover gezet dat het uit het oogpunt van verkeersveiligheid niet wenselijk is dat het pad gebruikt wordt door gemotoriseerd verkeer.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de belangenafweging in zijn voordeel mogen laten uitvallen. Verweerder heeft bij zijn standpunt mogen betrekken dat de ligging, breedte, het is een smal pad, en de ondergrond (geen verharding maar kiezel) vanuit verkeerskundig oogpunt niet geschikt zijn om hier (lichte)(landbouw)voertuigen over te laten rijden. Dat dit in het verleden wel is gebeurd, maakt niet, zoals verweerder heeft mogen stellen, dat het pad vanuit verkeerskundig oogpunt hiervoor geschikt is. Het voorgaande neemt niet weg dat verweerder eiser in die zin tegemoet is gekomen door hem te wijzen op de mogelijkheid om een uitwegvergunning aan te vragen.

11.1.

De rechtbank stelt verder vast dat de door verweerder gehanteerde argumenten zien op de verkeersveiligheid en de belangen die hiermee gemoeid zijn, hetgeen is neergelegd in artikel 2, eerste lid, van de Wvw 1994. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom voldaan aan het bepaalde in artikel 21 van de Babw. Nu aan het verkeersbesluit het beschermen van de verkeersveiligheid ten grondslag is gelegd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan détournement de pouvoir.

De rechtbank volgt verweerder verder in zijn standpunt dat aan het verkeersbesluit primair de verkeersbelangen, zoals opgesomd in artikel 2, eerste lid, van de Wvw 1994 ten grondslag zijn gelegd en niet de belangen zoals opgenomen in het tweede lid van voormeld artikel. Dat blijkt ook uit de inhoud van het besluit. Dat verweerder artikel 2, tweede lid, van de Wvw 1994 wel heeft vermeld in het bestreden besluit, maakt het besluit niet onzorgvuldig dan wel anderszins onrechtmatig.

11.2.

Voor zover eiser stelt dat de bewoner van [adres 3] een doorslaggevende stem heeft gehad bij de totstandkoming van het bestreden besluit, overweegt de rechtbank dat gebleken is dat ten aanzien van [adres 3] een handhavingstraject heeft gelopen, dat geleid heeft tot het snoeien van de heg en het verwijderen van de stenen. Verweerder heeft vervolgens bij een nadere bestudering van het voetpad en de situatie ter plaatse het pad formeel juridisch aangemerkt als voetpad. Deze handelwijze van verweerder komt de rechtbank niet onrechtmatig voor. Eisers beroepsgrond slaagt derhalve niet.

De in dat kader overgelegde emailcorrespondentie van eiser met de gemeente Maastricht leidt niet tot een ander oordeel. Uit deze correspondentie blijkt dat eiser een verslag heeft opgesteld naar aanleiding van zijn gesprek met de wethouder op 17 december 2019. De in dat kader gemaakte afspraken heeft hij voorgelegd aan drs. [naam projectleider] , die deze afspraken heeft bevestigd en nog een aanvulling hierop heeft gegeven. Volgens eiser blijkt hieruit dat hij de toestemming nodig heeft van de bewoners van [adres 3] en [adres 2] om met licht gemotoriseerd landbouwverkeer van het voetpad gebruik te maken. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het verslag is opgesteld door eiser en niet door verweerder. Volgens verweerder heeft de wethouder te kennen gegeven dat het pad enkel bestemd is voor voetgangers en niet voor gemotoriseerd verkeer. Toen eiser aangaf dat hij al decennialang van het pad gebruik maakt met licht gemotoriseerd landbouwverkeer en dat er nooit bezwaren zijn geuit door medebewoners, heeft de wethouder te kennen geven dat eiser dit laatste dient te onderbouwen met een buurtonderzoek. Eiser heeft hier gevolg aan gegeven door in beroep verklaringen te overleggen van de bewoners van [adres 2] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] waaruit blijkt dat zij er geen bezwaar tegen hebben dat eiser over het pad rijdt met licht gemotoriseerd landbouwverkeer. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting verklaard dat naast de door eiser aangehaalde bewoners er nog minimaal tientallen andere bewoners zijn die wel tevreden zijn met feit dat het pad is aangemerkt als voetpad. De rechtbank volgt verweerder in dit betoog en ziet geen aanleiding om dit als onjuist of alleszins onredelijk aan te merken.

Onjuiste wettelijke grondslag

12. Eiser heeft betoogd dat het bestreden besluit een onjuiste wettelijke grondslag heeft. Nu het rood-witte paaltje deel uitmaakt van het bestreden besluit, had het bestreden besluit mede gebaseerd moeten worden op artikel 15, tweede lid, van de Wvw 1994 en niet enkel op het eerste lid van artikel 15, aldus eiser. Het rood-witte paaltje vormt immers een fysieke belemmering voor een aantal categorieën weggebruikers.

13. Uit het primaire besluit blijkt dat dit mede gebaseerd is op artikel 15 van de Wvw 1994. Hieronder valt dus ook het tweede lid van dit artikel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder verder mogen stellen dat het eiser ook zonder de plaatsing van het rood-witte paaltje niet was toegestaan om gebruik te maken van het voetpad met lichte landbouwvoertuigen.

Conclusie

14. Naar het oordeel van de rechtbank kan het bestreden besluit de toets in rechte doorstaan. Van een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek in de besluitvorming is de rechtbank niet gebleken. Het beroep is daarom ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens, rechter, in aanwezigheid van

mr. D.S.A.W. Raes, griffier op 12 augustus 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is wordt, voor zover nodig, deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 12 augustus 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.