Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:5938

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
03.866163.18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrachtwagenchauffeur heeft geen voorrang verleend aan een fietser. Vrijspraak artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Veroordeling artikel 5 Wegenverkeerswet 1994

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/866163-18

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 augustus 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

wonende te [adres 1]

De verdachte wordt bijgestaan door mr. R. van Leusden, advocaat kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 juli 2020. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte als bestuurder van een vrachtwagen een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij een fietser [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat de verdachte schuld, in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), heeft aan het ontstaan van het verkeersongeval waarbij [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen; de verdachte heeft strafrechtelijk gezien niet verwijtbaar onvoorzichtig gehandeld. Daarom moet de verdachte voor het primair tenlastegelegde misdrijf vrijgesproken worden. Wel acht de officier van justitie het subsidiair tenlastegelegde bewezen, namelijk dat de verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt. De verdachte heeft immers geen voorrang verleend aan [slachtoffer] , terwijl [slachtoffer] wel voorrang had en terwijl de verdachte [slachtoffer] wel had moeten en kunnen zien. Dat levert overtreding op van artikel 5 WVW, aldus de officier van justitie.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft volledige vrijspraak bepleit. De verdachte heeft de fietser niet gezien. Niet kan worden vastgesteld dat hij de fietser wel had kunnen zien. De VerkeersOngevallenAnalyse van de politie gaat uit van een te smalle marge bij de berekening van de snelheden waarmee gereden zou zijn. Berekend met een iets ruimere marge kan worden vastgesteld dat de fietser voor verdachte niet zichtbaar is geweest. Verwijtbaar onvoorzichtig handelen of het veroorzaken van gevaar door de verdachte kan dan ook niet worden bewezen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Inleiding

Op 17 november 2017 vond op de kruising van de [adres 2] en de [adres 3] in Maastricht een verkeersongeval plaats waarbij een fietser onder een vrachtwagen terecht is gekomen. De vrachtwagen werd bestuurd door de verdachte.

De fietser, [slachtoffer] , had diverse breuken, waaronder een gecompliceerde breuk met wond in het rechteronderbeen waardoor er een bovenbeenamputatie volgde.2

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte verwijtbaar heeft gehandeld en zo ja, in welke mate. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende bewijsmiddelen.

De redengevende feiten en omstandigheden

De afdeling VerkeersOngevallenAnalyse van de Politie Eenheid Limburg (hierna: VOA) heeft onderzoek gedaan naar de aanleiding, oorzaak en vermijdbaarheid van het ongeval. In het proces-verbaal dat zij hierover hebben opgesteld, staat onder meer het volgende:

De bestuurder van de betrokken bedrijfsauto, een trekker met oplegger, had op 17 november 2017 gereden over de [adres 2] in Maastricht, komende uit de richting van de [adres 4] en rijdende richting de kruising met de [adres 5] en de [adres 3] . Bij deze kruising had deze bestuurder het voornemen om zijn weg rechtsaf te vervolgen over de [adres 3] . Voor het kruisingsvlak had deze bestuurder zijn voertuig tot stilstand gebracht. 3

De bestuurder van de betrokken dames/kinderfiets had gereden over de [adres 2] , komende uit de richting van de [adres 4] richting de kruising met de [adres 5] en de [adres 3] . Bij deze kruising had deze bestuurder vermoedelijk het voornemen om zijn weg rechtdoor te vervolgen over de [adres 2] in de richting van de [adres 6] . 4 Bovengenoemde rijrichting blijkt uit de aangetroffen positie van de betrokken dames/kinderfiets, het sporenbeeld aangetroffen op de plaats van het ongeval en de vastgestelde botspositie tussen de betrokken bedrijfsauto en de betrokken dames/kinderfiets. 5

Nadat de bestuurder van de betrokken bedrijfsauto vanuit stilstand was opgetrokken, reed hij vanaf de [adres 2] het kruisingsvlak van eerdergenoemde kruising op. Vervolgens sloeg hij rechtsaf teneinde zijn weg te vervolgen over de [adres 3] . Op het kruisingsvlak van eerdergenoemde kruising kwam de betrokken bedrijfsauto tijdens het afslaan met de voorzijde rechts in botsing met de linker flank van de betrokken dames/kinderfiets. Hierna kwam de bestuurder van de betrokken dames/kinderfiets ten val en werd hij overreden door de betrokken bedrijfsauto. Vervolgens kwam de fiets geheel en de bestuurder gedeeltelijk onder de betrokken bedrijfsauto terecht. 6

De bedrijfsauto was aan de rechterzijde voorzien van de navolgende spiegels: een rechter buitenspiegel, een rechter breedtespiegel, een trottoirspiegel en een vooruitkijkspiegel. Onderzoek heeft uitgewezen dat de bestuurder van de bedrijfsauto via de voorruit, de rechter zijruit en via de spiegels, gemonteerd aan de rechterzijde van het voertuig, voldoende zicht had op het weggedeelte gelegen voor de voorzijde en rechts naast de rechter flank van de betrokken bedrijfsauto. 7

Indien de bestuurder van de betrokken bedrijfsauto gebruik had gemaakt van de spiegels (gemonteerd aan de rechterzijde van het voertuig) had hij de bestuurder van de betrokken dames/kinderfiets, die zich recht voor dan wel rechts naast hem bevond, kunnen en dus moeten waarnemen. 8

Slachtoffer [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 17 november 2017 vanuit de supermarkt Plus rechtdoor richting stad reed, toen hij zag en hoorde dat een vrachtwagen hem van linksachter naderde. Op de kruising merkte [slachtoffer] dat de vrachtwagen hem aanreed, waarna [slachtoffer] bewusteloos is geraakt.9

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij het afslaan de fietser op geen enkel moment heeft gezien. Hij is voor de kruising vanuit stilstand opgetrokken. Hij heeft in zijn spiegels gekeken en is toen de kruising opgereden en heeft ingestuurd om rechtsaf te slaan. ‘Na het optrekken begin je met insturen en dan kijk je niet meer in je spiegels, maar naar de weg voor je’, aldus de verdachte ter terechtzitting.

De rechtbank stelt op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden vast dat de verdachte [slachtoffer] heeft geraakt toen hij, de verdachte, rechtsaf wilde slaan om de [adres 3] in te rijden. Volgens algemeen geldende verkeersregels had [slachtoffer] , die rechtdoor reed, op dat moment voorrang boven de verdachte, die afsloeg. Wat er ook zij van de snelheid waarmee de verdachte en [slachtoffer] vlak voor het ongeval hebben gereden; de verdachte had [slachtoffer] op enig moment in zijn spiegels kunnen en dus moeten zien. Dat de verdachte niet voortdurend tijdens de manoeuvre in zijn spiegels heeft gekeken, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, is een verkeersfout die verdachte is aan te rekenen.

Vrijspraak primair tenlastegelegde

De verdachte wordt primair overtreding van artikel 6 WVW verweten. Bij de beoordeling hiervan stelt de rechtbank het volgende voorop.

Om tot een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 WVW te kunnen komen, moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Het juridische begrip “schuld” houdt daarbij in dat minimaal sprake moet zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad komt het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts geldt naar vaste rechtspraak dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. (Vergelijk - onder andere - Hoge Raad 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252.)

De rechtbank is met de officier van justitie en verdediging van oordeel dat het handelen van de verdachte geen aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 WVW oplevert. Het verwijt dat de verdachte kan worden gemaakt, is dat hij bij het rechtsaf slaan een rechtdoor gaande fietser had kunnen en derhalve moeten zien. De rechtbank is van oordeel dat deze enkele fout niet als aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend valt te kwalificeren. De verdachte zal daarom vrijgesproken worden van het primair tenlastegelegde.

Bewijs subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gevaarzettend rijgedrag. De verdachte heeft immers zich bij het afslaan onvoldoende ervan vergewist of er verkeersdeelnemers naast zijn voertuig bevonden. Daarmee heeft hij gevaar op de weg veroorzaakt, welk gevaar zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Het subsidiair ten laste gelegde is dan ook bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

subsidiair

op 17 november 2017 in de gemeente Maastricht als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmee rijdende op de weg, de [adres 2] , naar rechts is afgeslagen teneinde de [adres 3] op te rijden, op het moment dat een in dezelfde richting als hij, verdachte, rijdende bestuurder van een fiets zich rechts naast hem bevond, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

subsidiair

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een taakstraf op te leggen van 60 uren, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd, aangezien hij zich op het standpunt stelt dat de verdachte vrijgesproken dient te worden.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft als vrachtwagenchauffeur bij het afslaan onvoldoende voorzichtigheid betracht, waardoor een aanrijding met fietser [slachtoffer] is ontstaan. Het ongeval heeft een zeer grote impact gehad op het leven van de inmiddels 76-jarige [slachtoffer] . Waar [slachtoffer] eerst nog zelfstandig woonde en alles zelf kon doen, is hij nu - als gevolg van de beenamputatie die na het ongeval noodzakelijk bleek - 24 uur per dag afhankelijk van anderen en kan hij zijn leven niet meer leiden zoals hij dit voorheen deed. De lichamelijke beperkingen zorgen ook voor een achteruitgang van de mentale gesteldheid van [slachtoffer] , zo blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring.

De rechtbank ziet echter ook in dat zaken zoals deze enkel verliezers kennen; ook de verdachte heeft dit ongeval niet gewild. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij psychisch veel last heeft gehad van het ongeval. Hoewel hij ervan overtuigd is dat hij zich als bestuurder verantwoordelijk gedraagt en de fietser niet heeft kunnen zien, heeft hij zijn excuses gemaakt richting [slachtoffer] en bloemen laten bezorgen zodra hij de adresgegevens van [slachtoffer] ontving. De rechtbank waardeert de houding van de verdachte richting het slachtoffer.

De rechtbank heeft bij de strafbepaling meegewogen dat de verdachte een beroepsvrachtwagenchauffeur is. Een vrachtwagenchauffeur moet extra voorzichtig zijn en nog meer dan andere weggebruikers alles eraan doen om welk gevaar dan ook op de weg te voorkomen. Hoe gering de fout ook is, de gevolgen van een ongeval waarbij een vrachtwagen is betrokken zijn immers vaak enorm groot, zoals ook in dit geval is gebleken.

Bij de strafbepaling heeft de rechtbank verder gekeken naar het strafblad van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor overtreding van de Wegenverkeerswet. Ter terechtzitting heeft de verdachte bovendien verklaard dat op dit moment zijn rijbewijs voor twee maanden is ingehouden vanwege een snelheidsovertreding op zijn motorfiets. Dit baart de rechtbank zorgen.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad neemt in zijn uitleg van artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) als uitgangspunt dat een strafzaak in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaar vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens een verdachte een handeling is verricht waaraan deze redelijkerwijs de verwachting kan ontlenen dat tegen hem strafvervolging is of kan worden ingesteld. De redelijke termijn is in deze zaak zonder aanwijsbare goede reden overschreden met ruim een half jaar. De rechtbank zal in de strafoplegging hiermee rekening houden.

De rechtbank heeft ten slotte gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid in beginsel recht doen aan de ernst van het handelen van de verdachte. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zal de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf geheel voorwaardelijk opleggen en verdachte veroordelen tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van zestig uren alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, beide met een proeftijd van twee jaren.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat subsidiair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Taakstraf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

- verbindt aan de voorwaardelijke straf als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich binnen een proeftijd van 2 jaren niet aan enig strafbaar feit schuldig maakt;

Ontzegging

- legt aan de verdachte op de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- verbindt aan de voorwaardelijke ontzegging als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich binnen een proeftijd van 2 jaren niet aan enig strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en mr. K.G. Witteman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.H.J. Muijlkens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 augustus 2020.

Buiten staat

mr. M.J.H. van den Hombergh is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 17 november 2017, in de gemeente Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmede rijdende over de weg, de [adres 2] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke

ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, welke bovenbedoelde gedraging zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend was en hieruit heeft bestaan dat hij, verdachte, naar rechts is afgeslagen teneinde de [adres 3] op te rijden, op het moment dat een in dezelfde richting als hij, verdachte, rijdende bestuurder van een fiets zich rechts naast hem bevond, waardoor althans mede waardoor een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en de bestuurder van die fiets;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 17 november 2017, in de gemeente Maastricht, als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmee rijdende op de weg, de [adres 2] , naar rechts is afgeslagen teneinde de [adres 3] op te rijden, op het moment dat een in dezelfde richting als hij, verdachte, rijdende bestuurder van een fiets zich rechts naast hem bevond, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans

kon worden gehinderd.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, dienst regionale operationele samenwerking, afdeling infrastructuur (LB), team verkeer (LB), proces-verbaalnummer [nummer] , gesloten d.d. 19 juli 2018, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 163.

2 De geneeskundige verklaring, p. 18.

3 De VerkeersOngevallenAnalyse, p. 47.

4 De VerkeersOngevallenAnalyse, p. 47.

5 De VerkeersOngevallenAnalyse, p. 48.

6 De VerkeersOngevallenAnalyse, p. 48.

7 De VerkeersOngevalolenAnalyse, p. 46 met de bijlage Tekening Spiegelvelden, p. 158.

8 De VerkeersOngevallenAnalyse, p. 50.

9 Het proces-verbaal van verhoor van slachtoffer [slachtoffer] , p. 14.