Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:5892

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
07-08-2020
Datum publicatie
10-08-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2709
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Belastingdienst Toeslagen heeft voor de vierde keer geweigerd om een aanvraag van belanghebbende om een persoonlijke betalingsregeling voor terugbetaling van een teruggevorderde kinderopvangtoeslag toe te kennen. De rechtbank is van oordeel dat de Belastingdienst Toeslagen op zichzelf terecht het standpunt inneemt dat de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld (O/GS) van de belanghebbende, omdat zij had kunnen weten dat zij geen recht had op de toeslag omdat haar voormalige partner niet aan de arbeidseis voldeed. De rechtbank acht echter een intensieve exceptieve toetsing van de toegepaste bepaling van de Uitvoeringsregeling Awir op zijn plaats. In de bijzondere omstandigheden van het geval ziet de rechtbank aanleiding om te oordelen dat de Belastingdienst Toeslagen bij de beoordeling van de vierde aanvraag toetsing aan het O/GS-criterium wegens onevenredigheid achterwege had moeten laten. De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst Toeslagen tot vergoeding van materiële schade in de vorm van loonverlies en van immateriële schade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-08-2020
V-N Vandaag 2020/1970
FutD 2020-2331 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2020/1867 met annotatie van Edwin Thomas
V-N 2020/53.2.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/2709

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres]

en

de Belastingdienst Toeslagen, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres, van 14 februari 2018 om een persoonlijke betalingsregeling voor de terugbetaling van kinderopvangtoeslag betreffende de berekeningsjaren 2012, 2013 en 2014, afgewezen.

Bij besluit van 21 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 9 juli 2019 heeft verweerder de rechtbank medegedeeld dat het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, dat de teruggevorderde bedragen toeslag 2012, 2013 en 2014 niet meer actief worden ingevorderd en dat daardoor tegemoet is gekomen aan het beroep van eiseres.

Bij brief van 17 juli 2019 heeft eiseres de rechtbank medegedeeld dat zij het beroep niet intrekt omdat het beroep volgens haar niet volledig is afgehandeld. Tevens heeft zij de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot betaling van schadevergoeding.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2019. Eiseres is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden

[medewerker Belastingdienst 1] en [medewerker Belastingdienst 2].

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en met partijen afspraken gemaakt over de verdere behandeling.

Ter uitvoering van de gemaakte afspraken heeft eiseres bij brief van 14 augustus 2019 haar schadeclaim geconcretiseerd in een bedrag van € 33.491,-- en deze voorzien van een specificatie en toelichting.

Verweerder heeft daarop bij brief van 28 augustus 2019 gereageerd. Eiseres heeft op 20 september 2019, onder overlegging van nadere stukken, een repliek gegeven.

Bij brief van 23 oktober 2019 heeft de rechtbank vragen aan verweerder gesteld. Verweerder heeft daarop bij brief van 12 november 2019 verzocht om de procedure aan te houden in afwachting van de afhandeling van het zogeheten CAF-project. Eiseres heeft te kennen gegeven daarmee niet in te stemmen.

Verweerder heeft op 27 februari 2020 nadere stukken ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 9 maart 2020. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar moeder, [naam] . Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door [medewerker Belastingdienst 3].

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting wederom geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te sturen ter onderbouwing van hun respectieve standpunten over de schadeclaim van eiseres. Op 11 maart 2020 heeft eiseres die stukken ingestuurd en op 20 maart 2020 heeft verweerder dat gedaan.

Omdat partijen niet binnen de door rechtbank gestelde termijn hebben gereageerd op het voornemen om het onderzoek ter zitting achterwege te laten, heeft de rechtbank op 11 mei 2020 met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat hervatting van het onderzoek ter zitting achterwege blijft, het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op heden.

Overwegingen

Van belang zijnde feiten

1. De rechtbank gaat voor haar beoordeling van het beroep en het verzoek om schadevergoeding uit van de volgende feiten.

Toekenning en terugvordering kinderopvangtoeslag

2. Over het jaar 2012 is aan eiseres op haar aanvraag kinderopvangtoeslag voor de opvang van destijds vier kinderen toegekend. Bij die toekenning is er mede rekening mee gehouden dat eiseres een toeslagpartner had en is de hoogte van de toeslag gerelateerd aan de gewerkte uren van de partner die in dat jaar het minste heeft gewerkt. Nadien is gebleken dat de toeslagpartner in afwijking van eerder verstrekte gegevens slechts een deel van het jaar, (gemiddeld) 83 uur per maand, heeft gewerkt. Dit heeft ertoe geleid dat de toekenning over 2012 is herzien en dat bij besluit van 11 september 2015 een bedrag van € 7882,-- van eiseres is teruggevorderd. Eiseres heeft daar bezwaar tegen gemaakt en aangevoerd dat haar toeslagpartner door vele problemen waarmee hij had te kampen, niet kon werken en ook niet op de kinderen kon passen. Tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar betreffende de herziening en terugvordering over het jaar 2012 heeft eiseres geen beroep ingesteld.

Over het jaar 2013 heeft verweerder eiseres een voorschot op de aangevraagde kinderopvangtoeslag toegekend ten bedrage van € 24.686,--. Omdat eiseres geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek om inkomensgegevens van de toeslagpartner over te leggen, heeft verweerder bij besluit van 30 april 2014 het voorschot over het jaar 2013 herzien en vastgesteld op € 0,-- en ter zake een bedrag van € 24.686,-- van eiseres teruggevorderd.

Op haar verzoek is eiseres ook een voorschot op de kinderopvangtoeslag voor het jaar 2014 toegekend. Bij besluit van 22 april 2014 is het voorschot wegens het niet overleggen van een urenregistratie over de onderneming van de toeslagpartner nader vastgesteld op € 0,-, en is over dat jaar een bedrag van € 9.303,-- van eiseres teruggevorderd.

Bezwaar en beroep tegen de herziening en terugvordering

3. Tegen de besluiten tot herziening en terugvordering van de toeslag over 2013 en 2014 heeft eiseres bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van de bezwaargronden heeft verweerder eiseres verzocht om overlegging van een urenregistratie of andere documenten betreffende de door haar partner, naar zij stelde, gewerkte uren ten behoeve van zijn onderneming, en/of een bewijs met betrekking tot een beweerdelijk door hem gevolgd re-integratietraject dan wel studie. Eiseres heeft de gevraagde gegevens betreffende haar partner niet overgelegd. Na april 2014 heeft eiseres in dat jaar geen kinderopvangtoeslag ontvangen.

Verweerder heeft de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen bij deze rechtbank beroep ingesteld. Zij heeft als gronden van het beroep aangevoerd dat het nooit de bedoeling is geweest dat haar partner in de jaren 2013 en 2014 geen inkomen zou genieten, maar dat het hem door een aantal problemen uit zijn verleden, waaronder het feit dat een hem eerder opgelegde strafrechtelijke sanctie moest worden uitgevoerd, niet gelukt is werk te vinden. Eiseres heeft daarbij benadrukt dat daadwerkelijk van de kinderopvang gebruik is gemaakt en dat de bestede uren correct zijn betaald, ten bewijze waarvan zij de contracten en afschriften van de betalingen heeft overgelegd.

Bij uitspraak van 22 december 2015 heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten betreffende de jaren 2013 en 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen begrip te hebben voor de lastige situatie waarin eiseres in de periode in het geding heeft verkeerd, maar dat dit er niet toe kan leiden dat in strijd met de desbetreffende wettelijke bepalingen toch aanspraak gemaakt kan worden op kinderopvangtoeslag.

Eiseres heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

Eerste aanvraag om een persoonlijke betalingsregeling

4. Op 1 juni 2016 heeft eiseres voor het eerst een aanvraag voor een persoonlijke betalingsregeling ingediend ter zake van de nog niet terugbetaalde bedragen over de jaren 2012, 2013 en 2014, respectievelijk € 7.553,--, € 24.686,-- en € 9.303,--, Tevens heeft zij verzocht deze niet te verrekenen met de toeslag over 2016 omdat het dan voor haar onmogelijk zou worden om te blijven werken. Bij besluit van 14 juni 2016 heeft verweerder dat verzoek afgewezen op de grond dat uit de verstrekte informatie blijkt dat het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van eiseres of haar partner. Wat betreft 2012 heeft verweerder overwogen dat de partner na de toekenning slechts parttime heeft gewerkt en dat eiseres ernstige nalatigheid is te verwijten omdat zij deze wijziging niet heeft doorgegeven. Ten aanzien van de jaren 2013 en 2014 is eiseres grove onachtzaamheid verweten omdat zij over die jaren kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en toegekend gekregen en zij nooit heeft gemeld dat haar toeslagpartner in die jaren in het geheel niet werkzaam is geweest of anderszins aan de voorwaarden heeft voldaan. Aan eiseres is naar aanleiding van haar aanvraag wel bij wijze van standaardbetalingsregeling uitstel van betaling verleend onder de voorwaarde dat zij de openstaande bedragen van de terugvordering in 24 gelijke maandelijkse termijnen voldoet, hetgeen betekent dat zij gedurende twee jaar maandelijks € 1.731,-- moest terugbetalen. Eiseres is er voorts op gewezen dat het verschuldigde bedrag met eenmalige teruggaven inkomstenbelasting en toegekende toeslagen verrekend kan worden, zonder dat dit invloed heeft op het te betalen maandbedrag. Eiseres heeft tegen dat besluit geen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 november 2016 heeft verweerder eerdergenoemde betalingsregeling vervallen verklaard omdat eiseres deze niet is nagekomen. Eiseres is gemaand om het gehele bedrag van € 40.134,-- binnen twee weken geheel te betalen.

Tweede verzoek om een persoonlijke betalingsregeling

5. Op 14 april 2017 heeft eiseres opnieuw een aanvraag voor een persoonlijke betalingsregeling gedaan. Bij besluit van 5 mei 2017 heeft verweerder geweigerd het verzoek in behandeling te nemen onder verwijzing naar de eerdere afwijzing. Eiseres heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt.

Verweerder heeft over 2017 opnieuw een voorschot kinderopvangtoeslag toegekend. Wegens verrekening van het reeds uitbetaalde voorschot met de openstaande bedragen over 2012 en 2014 is een terugvordering van het voorschot over 2017 ontstaan. Nadat eiseres daar bezwaar tegen had gemaakt is de terugvordering over 2017 teruggedraaid, waardoor weer de volledige terugvordering over de jaren 2012, 2013 en 2014 open is komen te staan. Ook met andere toeslagen en teruggaven inkomstenbelasting heeft verrekening plaatsgevonden.

Derde verzoek om een persoonlijke betalingsregeling

6. Op 21 september 2017 heeft eiseres wederom een aanvraag voor een persoonlijke betalingsregeling gedaan. Zij heeft daarbij met name aangegeven dat mogelijke verrekening met toegekende kinderopvang- en andere toeslagen voor haar een groot probleem is omdat dit haar belemmert om aan het werk te gaan. Zij heeft erop aangedrongen om met haar in contact te treden en in overleg met haar tot een billijke oplossing te komen. Bij besluit van 26 oktober 2017 heeft verweerder opnieuw geweigerd om het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling in behandeling te nemen. Eiseres heeft tegen dat besluit een bezwaarschrift ingediend. Zij heeft daarin gesteld dat haar partner sinds juli 2017 is vertrokken en heeft verzocht om ook hem te betrekken in het invorderingsproces. Verder heeft zij erop gewezen dat de standaardbetalingsregeling van 24 maanden leidt tot een terugbetaling die even hoog is als de volledige ziektewetuitkering die zij op dat moment ontving. Zij heeft daarbij betwist dat sprake is van opzet of grove schuld en gesteld dat zij steeds, in totaal dertien keer, wijzigingen van de status van inkomsten en omvang van de kinderopvang heeft doorgegeven. Bij besluit van 27 november 2017 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen het afwijzingsbesluit van 14 juni 2016 waardoor dit in rechte vast is komen te staan en dat bij besluit van 23 november 2016 de betalingsregeling van 24 maanden is vervallen. Eiseres heeft tegen dat besluit geen beroep ingesteld.

Klachtprocedure

7. Op 29 juni 2017 is eiseres een klachtprocedure gestart over de wijze van behandeling van de invordering van de teruggevorderde kinderopvangtoeslag. Daarover is op 21 december 2017 een hoorzitting gehouden. In dat verband heeft eiseres in januari 2018 verweerder gevraagd om de verrekening met de haar toegekende kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget en zorgtoeslag terug te draaien. Zij heeft daarbij aangegeven geen bestaansrecht meer te zien en zich gedwongen te zien de net verworven nieuwe baan op te zeggen. Dit heeft ertoe geleid dat eiseres is meegedeeld dat de toegepaste verrekeningen zouden worden teruggedraaid en verder achterwege zouden blijven. Vervolgens bleek dit enkele malen toch te gebeuren, hetgeen steeds na melding van eiseres na enige tijd is hersteld. Ook overigens hebben zowel eiseres als haar moeder herhaaldelijk telefonisch contact gehad met ambtenaren van de belastingdienst over de materiële en psychische gevolgen van de invorderingsactiviteiten van verweerder voor haar en haar gezin, en de afwikkeling van haar klacht.

Blijkens de door verweerder overgelegde stukken uit de klachtprocedure heeft de klachtcoördinator in september 2018 geconcludeerd dat eiseres zich in een wanhopige situatie bevindt en dat de klachtbehandeling niet vlekkeloos is verlopen. Volgens de klachtcoördinator moet worden vastgesteld dat het doel dat met de weigering van een persoonlijke betalingsregeling beoogd werd, namelijk vergelding en het voorkomen van herhaling, wel bereikt is. Eiseres heeft haar lesje wel geleerd en is gestraft, aldus de klachtcoördinator. Eiseres moet dan ook de kans krijgen opnieuw te beginnen en daarom is een persoonlijke betalingsregeling de meest realistische weg in dit bijzonder geval, vindt hij. Hij wijst erop dat het daarvoor noodzakelijk is de beslissing aangaande opzet/grove schuld in te trekken en adviseert aldus te handelen.

Vierde verzoek om een persoonlijke betalingsregeling

8. Op 15 februari 2018 heeft eiseres voor de vierde keer een aanvraag om een persoonlijke betalingsregeling betreffende de terugvorderingen over de jaren 2012, 2013 en 2014 ingediend. Zij heeft daarbij aangevoerd dat haar financiële situatie inmiddels mede door de verrekening met het kindgebonden budget 2018 en de zorgtoeslag 2018 zo schrijnend is dat zij niet in staat is om zichzelf en haar vijf kinderen te voeden. Verder heeft zij wederom gewezen op de diverse wijzigingen inhoudende dat haar partner geen inkomsten had, die zij in de jaren 2013 en 2014 heeft doorgegeven, waardoor er geen sprake kan zijn van opzet of grove schuld. Bij het, in dit geding primaire, besluit van 15 maart 2018 is dat verzoek afgewezen op de grond dat er geen nieuwe feiten bekend zijn die reden vormen om af te wijken van het besluit van 14 juni 2016.

Ambtshalve toekenning van een persoonlijke betalingsregeling

9. Als gevolg van het advies van de klachtcoördinator is uiteindelijk bij besluit van 24 oktober 2018 alsnog een persoonlijke betalingsregeling toegekend inhoudend dat eiseres de nog openstaande teruggevorderde bedragen over 2012, 2013 en 2014 wegens onvoldoende betalingscapaciteit niet hoeft te betalen. Daarbij is vermeld dat deze terugvorderingen wel blijven bestaan en nog drie jaar vatbaar zijn voor verrekening met eenmalige teruggaven van toeslagen en inkomstenbelasting, maar niet met maandelijks ontvangen toeslagen of teruggaven. Naar aanleiding van de vraag van de moeder van eiseres hoe dat besluit zich verhoudt tot de telefonische gedane toezegging dat opzet/grove schuld zou vervallen, heeft de directeur van de Belastingdienst/Toeslagen bij brief van 21 december 2018 een toelichting gegeven op de afhandeling van de klacht en uitgelegd dat het besluit van 24 oktober 2018 is ingegeven door het bestaan van een uitzonderlijk schrijnende situatie en niet betekent dat volgens verweerder geen sprake is van opzet/grove schuld.

Bezwaar tegen de vierde weigering

10. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit, waarbij zij heeft betwist dat zij nalatig is geweest bij het voldoen aan haar inlichtingenplicht. Zij heeft daartoe met name aangevoerd dat zij bij herhaling heeft doorgegeven dat het inkomen van haar toenmalige toeslagpartner nihil was.

Bij het thans bestreden besluit op bezwaar heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet tijdig zou zijn ingediend.

Beroep en verzoek om schadevergoeding

11. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In de eerste plaats heeft zij aangevoerd dat verweerder ten onrechte haar bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat zij op 3 april 2018, en dus tijdig, een bezwaarschrift heeft ingediend. Verder heeft zij betoogd dat haar bij de weigering van een persoonlijke betalingsregeling ten onrechte opzet/grove schuld is tegengeworpen, en dat daarom op onjuiste gronden is geweigerd een persoonlijke betalingsregeling toe te kennen. In het kader van haar beroep heeft zij tevens verzocht om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding. Eiseres voert daartoe aan dat zij in het verleden is geconfronteerd met beëindiging van betalingen van en terugvorderingen van kinderopvangtoeslagen over een aantal jaren en dat zij vanwege de onterechte afwijzende houding van verweerder langslepende procedures heeft gevoerd. Zij stelt dat zij door de weigering een persoonlijke betalingsregeling toe te kennen is gedwongen om minder te gaan werken, in grote financiële problemen is gekomen en aan hevige spanningen onderhevig is geweest. Eiseres verzoekt om een billijke schadevergoeding om de schade die zij financieel moet dragen “enigszins bij te kunnen benen” en om “mentale/psychische hulp te kunnen aanvaarden”, zodat zij “na deze verschrikkelijke moeilijke tijd weer op krachten kan komen”. De bedoelde schade betreft zowel inkomensverlies als immateriële schade. Wat betreft inkomensverlies stelt eiseres dat zij minder heeft kunnen werken doordat de teruggevorderde bedragen over de jaren 2012, 2013 en 2014 zijn, of dreigden te worden ingevorderd via verrekening met over latere jaren aan haar toegekende (voorschotten op) toeslagen en door loonbeslag, hetgeen voorkomen had kunnen worden als haar een persoonlijke betalingsregeling was toegekend.

Nadere standpunten van verweerder

12. Verweerder heeft bij schrijven van 9 juli 2019 erkend dat eiseres wel tijdig een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het primaire besluit. Verweerder heeft er in de brief van 9 juli 2019 tevens op gewezen dat op 24 oktober 2018, naar aanleiding van de door eiseres ingediende klacht, in afwijking van het primaire besluit, alsnog is besloten om de teruggevorderde kinderopvangtoeslag over 2012, 2013, 2014 en 2016 niet meer actief in te vorderen wegens het ontbreken van betalingscapaciteit.

In een brief aan eiseres van eveneens 9 juli 2019 heeft verweerder meegedeeld dat door het besluit van 24 oktober 2018 de aan eiseres tegengeworpen “grove schuld” is komen te vervallen en dat haar het betaalde griffierecht zal worden vergoed. Volgens verweerder heeft eiseres daarom geen belang meer bij een nieuwe beslissing op haar bezwaar tegen het primaire besluit.

Ter zitting van 30 juli 2019 is namens verweerder onder voorbehoud verklaard dat in verband met het tijdsverloop sinds het besluit op de eerste aanvraag, genomen op 14 juni 2016, niet alleen afgezien wordt van actieve invordering maar ook van andere invorderingsmaatregelen. Ter zitting van 9 maart 2020 heeft verweerder bevestigd dat definitief van iedere vorm van invordering wordt afgezien.

Oordeel van de rechtbank

Procesbelang

13. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder heeft erkend dat bij het bestreden besluit ten onrechte het bezwaar tegen het primaire besluit van 15 maart 2018 niet-ontvankelijk is verklaard. Eiseres heeft namelijk wel tijdig bezwaar gemaakt. Verweerder heeft in verband daarmee toegezegd het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

Anders dan verweerder (primair) betoogt is daarmee niet het procesbelang vervallen. Eiseres heeft namelijk verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden door de besluiten van verweerder waarbij haar herhaalde verzoeken om in aanmerking te komen voor een op haar situatie toegesneden regeling om de teruggevorderde bedragen aan kinderopvangtoeslag over de jaren 2012, 2013 en 2014 terug te betalen, zijn afgewezen of buiten behandeling zijn gelaten. Eiseres heeft de gestelde schade gespecificeerd en heeft beargumenteerd waarom die schade volgens haar het gevolg is van besluiten van verweerder, waaronder het primaire besluit van 15 maart 2018. De rechtbank kan in het kader van haar bevoegdheid om haar uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit te stellen (zelf in de zaak voorzien) dan wel de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, ook het primaire besluit van 15 maart 2018 in haar beoordeling betrekken en aldus beoordelen of dat primaire besluit verweerder schadeplichtig maakt.

Beoordeling van het bestreden besluit en het gevolg voor de schadeclaim

14. Nu verweerder erkent, en ook de rechtbank vaststelt, dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Daardoor komt vervolgens de vraag aan de orde of de rechtbank zelf in de zaak kan voorzien. Dat zou kunnen door het herroepen van het primaire besluit, al dan niet met het nemen van een nieuw besluit op de aanvraag om een persoonlijke betalingsregeling. Als de rechtbank tot herroeping van het primaire besluit komt, staat daarmee in beginsel ook de materiële onrechtmatigheid van dat besluit vast.

Reikwijdte bevoegdheid om de schade te beoordelen

15. Uit het voorgaande volgt tevens dat de rechtbank kan toekomen aan beoordeling van het verzoek om de schade die het gevolg is van het primaire besluit te vergoeden. Wat betreft de reikwijdte van die bevoegdheid is allereerst van belang dat de rechtbank ingevolge het overgangsrecht van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (artikel V) haar bevoegdheid in een geval als dit ontleent aan het per 1 juli 2013 voor het algemene bestuursrecht vervallen, maar voor zaken van de Belastingdienst/Toeslagen van toepassing gebleven, artikel 8:73 van de Awb. De tekst van die bepaling is opgenomen in de bijlage bij de uitspraak.

Ingevolge artikel 8:73 van de Awb is de rechtbank slechts bevoegd om te oordelen over de door eiseres geclaimde schade voor zover die het gevolg is van het in dit beroep voorliggende primaire besluit van 15 maart 2018. De rechtbank is echter in dit geding niet bevoegd om te oordelen over schade voor zover die is veroorzaakt door de eerdere besluiten waarbij haar verzoeken om een persoonlijke betalingsregeling zijn afgewezen of buiten behandeling zijn gesteld. Evenmin strekt de bevoegdheid van de rechtbank als bestuursrechter zich uit over schade die het gevolg is van uitvoeringsfouten, tekort schietende communicatie, onheuse bejegening en/of trage klachtenbehandeling, hoezeer daarvan, ook volgens verweerder zelf, sprake is geweest. Dat neemt echter niet weg dat eerder genomen besluiten en uitvoeringshandelingen wel een zekere rol kunnen spelen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het in geding zijnde primaire besluit en de daaruit mogelijk voortvloeiende schade. De rechtbank zal in het vervolg van deze uitspraak aangeven wanneer en in hoeverre daarvoor aanleiding bestaat.

Ruimte voor rechterlijke voorziening in het te nemen besluit

16. Onder verwijzing naar het hetgeen onder 14 is overwogen ligt nu de vraag voor of de beoordeling van de beroepsgronden aanleiding geeft om in het kader van de bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien het primaire besluit van 15 maart 2018 te herroepen. Dat de rechtbank daarmee treedt in de wetsuitvoering van verweerder acht zij geen beletsel voor deze beoordeling. De weigering in het primaire besluit houdt in dat niet wordt teruggekomen van de in een eerder besluit neergelegde uitleg van de dwingendrechtelijke uitzonderingsgrond van artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir inhoudende dat de bepalingen betreffende een persoonlijke betalingsregeling niet van toepassing zijn als er sprake is van opzet of grove schuld. Anders dan verweerder ziet de rechtbank in het vierde verzoek om een betalingsregeling echter niet louter een herhaling van een eerdere aanvraag. Nu verweerder uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij die uitleg nog steeds juist vindt en dat hij niet anders kon dan het vierde verzoek op die grond afwijzen, kan de rechtbank in deze procedure dat standpunt van verweerder op zijn juistheid toetsen. Ook als verweerder op dit punt een zekere beoordelingsruimte toekomt kan de rechtbank haar oordeel over die uitzonderingsgrond in de plaats stellen van het standpunt van verweerder.

Geschil over opzet/grove schuld

17. Over het standpunt van verweerder dat sprake is van opzet of grove schuld heeft eiseres een geheel andere opvatting. Eiseres betoogt dat zij in de periode van begin 2012 tot begin 2014 steeds de (in haar e-mail van 21 november 2017 genoemde) nodige en correcte informatie over het in aanmerking te nemen inkomen heeft doorgegeven, waarbij zij herhaaldelijk heeft gemeld dat het inkomen van haar toeslagpartner € 0,-- was. Als verweerder deze informatie onvoldoende had gevonden, had hij haar daarop moeten wijzen, betoogt zij. Zij vindt daarom dat haar bij herhaling ten onrechte grove schuld is tegengeworpen en haar dus ook telkenmale, de laatste keer door het primaire besluit van 15 maart 2018, ten onrechte een betalingsregeling op maat onthouden is. Eiseres benadrukt verder dat de kinderopvang waarvoor de toegekende toeslag bedoeld was, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Zij wijst er ook op dat terugbetaling van de teruggevorderde bedragen volledig voor haar rekening komt terwijl haar toenmalige partner geheel buiten schot blijft.

18. Blijkens vaste jurisprudentie, onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1984, zoekt de Belastingdienst/Toeslagen voor de betekenis van de termen ‘grove schuld’ en ‘opzet’ in artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir, zoals dat luidde tot 7 juli 2020, terecht aansluiting bij de tekst van paragraaf 2, eerste lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst/Toeslagen, luidend:

"Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming zou kunnen worden toegekend. Opzet is willens en wetens handelen of nalaten."

Voor het maken van aanspraak op kinderopvangtoeslag was ten tijde van belang op grond van artikel 1.6 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen voorwaarde dat een ouder tegenwoordige arbeid verricht waaruit inkomen uit werk wordt genoten. Een limitatief aantal gevallen waarin de betrokken ouder niet werkte, zoals het volgen van een opleiding, een inburgeringscursus of een reïntegratietraject, is daarmee gelijkgesteld. Uit artikel 8a, tweede lid, van het Besluit kinderopvangtoeslag, zoals dat destijds luidde, volgt voorts dat de omvang van het recht op kinderbijslag is gerelateerd aan het aantal uren van de partner met het minste aantal gewerkte of daarmee gelijk gestelde uren. Bedoelde voorschriften betreffen de essentie van de aanspraak op de toeslag en moeten bij iedere aanvrager als bekend worden verondersteld. Dit betekent dat bij de aanvraag de desbetreffende gegevens correct en volledig moeten worden vermeld en dat eventuele wijzigingen daarvan aanstonds moeten worden meegedeeld.

Niet in geschil is dat de toeslagpartner van eiseres in 2012 minder dan bij de aanvraag was gemeld heeft gewerkt en dat hij in 2013 en 2014 in het geheel geen werkzaamheden in dienstbetrekking of als zelfstandig ondernemer heeft verricht of in een daarmee gelijkgestelde situatie heeft verkeerd. Dat eiseres wel meermaals heeft gemeld dat het inkomen van haar toeslagpartner € 0,-- bedroeg betekent niet dat zij niet redelijkerwijs had kunnen of moeten begrijpen dat zij daarmee niet aan haar inlichtingenplicht voldeed. Daarmee is immers geen opgave gedaan van de omvang van de verrichte arbeid en met name is niet uitgesloten dat arbeid als zelfstandige is gedaan waarmee geen winst is behaald. Eiseres heeft erop gewezen dat haar melding dat het inkomen van de toeslagpartner € 0,-- bedroeg voor verweerder aanleiding had moeten vormen om navraag te doen naar het aantal gewerkte uren. De rechtbank is het in zoverre met haar eens dat dit vanuit het oogpunt van klantgerichte bejegening wenselijk was geweest, maar dat doet niet af aan haar eigen verantwoordelijkheid. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht het standpunt inneemt dat sprake is van opzet of grove schuld in de zin van artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir, zoals die bepaling luidde ten tijde van de bestreden besluitvorming.

Aanvulling van rechtsgronden en exceptieve toetsing

19. Met voorgaande conclusie over opzet/grove schuld is echter nog niet gegeven dat de afwijzing van een persoonlijke betalingsregeling in het primaire besluit in rechte stand houdt. Hetgeen eiseres, die procedeert zonder rechtsgeleerd gemachtigde, betoogt heeft mede de strekking dat zij van mening is dat haar wegens de ontstane schrijnende situatie een persoonlijke betalingsregeling had moeten worden toegekend. Bij wijze van aanvulling van rechtsgronden van het beroep vat de rechtbank dit betoog aldus op dat eiseres als subsidiaire beroepsgrond opwerpt dat artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir bij de besluitvorming over haar vierde verzoek om een persoonlijke betalingsregeling buiten toepassing had moeten worden gelaten. Dit komt neer op een zogenoemde exceptieve toetsing. De rechtbank zal daarom nagaan of daarvoor in het voorliggende geval reden is.

Intensiteit van de exceptieve toetsing

20. Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452, kan een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin, zoals het in dit geval toegepaste artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir, door de rechter bij wege van exceptieve toetsing buiten toepassing worden gelaten als de toepassing van de regeling in het desbetreffende geval in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Afdeling overwoog daarbij dat de exceptieve toetsing inhoudt dat algemeen verbindende voorschriften door de rechter kunnen worden getoetst op rechtmatigheid, in het bijzonder op verenigbaarheid met hogere regelgeving. De rechter komt tevens de bevoegdheid toe te bezien of het betreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het in geding zijnde besluit. Bij die, niet rechtstreekse, toetsing van het algemeen verbindende voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer. De intensiteit van die beoordeling is volgens de Afdeling afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. Die beoordeling kan materieel terughoudend zijn als de beslissingsruimte voortvloeit uit de feitelijke of technische complexiteit van de materie, dan wel als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. In dat laatste geval heeft de rechter niet de taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen wordt toegekend naar eigen inzicht vast te stellen. Wat betreft de in acht te nemen belangen en de weging van die belangen geldt dat de beoordeling daarvan intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindend voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.

De door de Afdeling beschreven criteria overziend, stelt de rechtbank vast dat wat betreft het toenmalige zesde lid van artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir de criteria complexiteit en politieke keuze terughoudendheid indiceren. Van een complexe regeling is, althans wat betreft de enkele toepassing van die bepaling, geen sprake. Of die regeling berust op een bewuste politieke keuze is niet duidelijk bij gebreke van een inzichtelijke toelichting bij die bepaling. Wel is duidelijk dat inmiddels, naar aanleiding van uitgebreide maatschappelijke en politieke discussies over de uitvoering van de regels betreffende kinderopvangtoeslag, voormeld artikellid per 7 juli 2020 is geschrapt waardoor opzet/grove schuld geen rol meer speelt. Het kabinet heeft daartoe overwogen dat de toepassing van het opzet/grove schuld-criterium disproportionele gevolgen heeft gehad voor toeslaggerechtigden met een terugvorderingsbeschikking (Nota van Toelichting, onder 2.1., Stcrt 2020, 35114.). Evidente gevallen van misbruik of oneigenlijk gebruik zullen voortaan uitsluitend worden aangepakt door het opleggen van een boete of strafrechtelijke gevolgen. Nu in dit geval sprake is van ingrijpende gevolgen voor het leven van eiseres en ook fundamentele rechten op het gebied van gezinsleven en arbeid op het spel staan, acht de rechtbank een intensieve toetsing aan het evenredigheidsbeginsel op zijn plaats.

Exceptieve toetsing in het concrete geval

21. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van eiseres van 15 februari 2018 de vierde keer is dat zij onder verwijzing naar haar persoonlijke omstandigheden om een voor haar reëel uitvoerbare betalingsregeling heeft gevraagd. Na de eerste afwijzing bij besluit van 14 juni 2016, waarbij haar tevens een betalingsverplichting van € 1.731,-- per maand is opgelegd, zijn de volgende twee aanvragen aanstonds buiten behandeling gesteld onder verwijzing naar het besluit van 14 juni 2016, daarbij miskennend dat een eerder genomen besluit geen basis kan vormen om een aanvraag buiten behandeling te laten. Over de vierde, nu in geding zijnde, aanvraag heeft wel een inhoudelijke behandeling plaats gevonden, maar die is kennelijk beperkt tot de beoordeling of sprake is geweest van nieuwe feiten en omstandigheden sinds het besluit van 14 juni 2016 ), hetgeen volgens verweerder niet het geval is.

Ten tijde van de vierde aanvraag waren de persoonlijke omstandigheden van eiseres aanmerkelijk gewijzigd. De relatie met haarpartner was inmiddels geëindigd en zij was voor het levensonderhoud van haar en de kinderen enkel op haar eigen inkomen uit arbeid aangewezen. De standaardbetalingsregeling die leidde tot een maandbedrag dat voor eiseres absoluut onhaalbaar was, was inmiddels ingetrokken. Daardoor was evident dat voor verweerder alleen dwanginvorderingsmaatregelingen met verregaande belastende gevolgen open stonden. Kennelijk bood het vermogen van eiseres geen verhaal, zodat voorzienbaar slechts verrekeningen in de sfeer van belasting en toeslagen en het leggen van loonbeslag ter beschikking stonden. Juist die, deels toegepaste en deels dreigende, verrekeningen hebben eiseres in grote financiële, sociale en emotionele problemen gebracht. Daar komt bij dat door haar met medewerkers van verweerder gemaakte mitigerende afspraken bij herhaling niet werden uitgevoerd en vervolgens met de nodige moeite zijn hersteld. Ook was een verzwarende moeilijkheid gelegen in de omstandigheid dat, althans tot begin 2018, bij verrekening met kinderopvangtoeslag geen beslagvrije voet werd toegepast. Naar algemene bekendheid heeft dat ook in veel andere gevallen tot gevolg gehad dat de werkzaamheden bij gebrek aan betaalbare kinderopvang moesten worden beëindigd of beperkt.

Bij het voorgaande komt dat ten tijde van de vierde aanvraag het doel van de uitzonderingsgrond van artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir kennelijk reeds was bereikt. In de woorden van de klachtcoördinator in september 2018 had eiseres haar lesje inmiddels wel geleerd en verweerder heeft vervolgens op basis van diens advies alsnog ambtshalve een persoonlijke betalingsregeling toegekend. Dat dit niet al ten tijde van het primaire besluit is gebeurd heeft in belangrijke mate te maken met de lange duur van de klachtbehandeling.

De rechtbank acht in dit verband ook van groot belang dat eiseres, ook al is er op zich sprake van opzet/grove schuld, geen direct financieel voordeel heeft gehad van de ten onrechte ontvangen toeslag, nu zij immers in de betrokken periodes zelf wel steeds voldoende uren heeft gewerkt, daadwerkelijk van de aangevraagde omvang van kinderopvang gebruik heeft gemaakt en deze heeft betaald.

Uit het voorgaande volgt de conclusie dat het in dit geval blijven tegenwerpen van opzet/grote schuld zoals dat bij het primaire besluit van 15 maart 2018 is gedaan, onevenredig is aan het doel dat met artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir, zoals dat destijds luidde, werd beoogd. De rechtbank is daarom van oordeel dat artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir ten aanzien van de aanvraag van eiseres van 15 februari 2018 buiten toepassing moet worden gelaten

Herroeping van het primaire besluit

22. Uit het vorenstaande volgt dat het primaire besluit van 15 maart 2018 moet worden herroepen. De rechtbank zal aldus zelf in de zaak voorzien. Nu verweerder bij besluit van 24 oktober 2018 alsnog een persoonlijke betalingsregeling aan eiseres heeft toegekend waarbij de betalingscapaciteit op nihil is vastgesteld een vervolgens ter zitting van 9 maart 2020 bovendien te kennen heeft gegeven dat er geen actieve of andere invorderingsmaatregelen meer zullen worden genomen, ziet de rechtbank reeds daarom aanleiding om geen nieuwe beslissing te nemen op de aanvraag en te volstaan met herroeping van het primaire besluit.

Standpunten van partijen over de schadeclaim

23. Nu het bestreden besluit op bezwaar wordt vernietigd en het primaire besluit wordt herroepen, komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek om verweerder op grond van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot het vergoeden van door eiseres als gevolg van die besluiten geleden schade. Eiseres heeft aangevoerd dat die besluiten en de daaruit voortvloeiende (mogelijke) verrekeningen en loonbeslag tot gevolg hebben gehad dat zij in het hele jaar 2018 niet full-time, maar slechts 24 uur per week, heeft kunnen werken en dat zij bovendien daardoor vanaf april 2019 “in de Ziektewet is gekomen” en verder in inkomen achteruit is gegaan. Zij stelt daardoor in 2018 een loonverlies te hebben geleden van € 10.449,-- en in 2019 van € 15.842,--. Voorts claimt zij vergoeding van immateriële schade van € 7.200,--. Dat bedrag baseert zij op de stelling dat zij in de periode van 2015 tot en met 2019 immateriële schade heeft geleden en dat deze begroot kan worden op € 120,-- per maand.

Verweerder heeft in reactie op de schadeclaim betoogd dat de gestelde schade door eiseres onvoldoende is onderbouwd en dat, voor zover deze zich voor zou doen, geen sprake is van causaal verband met de in geding zijnde besluiten. Hij heeft erop gewezen dat eiseres de stelling dat zij door toedoen van de Belastingdienst/Toeslagen in de Ziektewet is gekomen, niet heeft onderbouwd door een verklaring van een medisch specialist. Verweerder betoogt ten slotte dat, als eiseres al aanspraak zou kunnen maken op schadevergoeding, zij al (meer dan) voldoende wordt gecompenseerd doordat het nog openstaande bedrag van in totaal € 35.129,-- buiten invordering is gesteld.

Het oordeel van de rechtbank over de schadeclaim

Materiële schade

24. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:593, volgt dat in het bestuursrecht voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en zo ja, in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht. Het causaal verband als bedoeld in artikel 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden vastgesteld door vergelijking van enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige situatie achterwege was gebleven. Het ligt op de weg van degene die vergoeding van schade claimt om dat causaal verband aannemelijk te maken.

Gelet op voormeld criterium houdt de rechtbank het er in de eerste plaats voor dat verweerder, als hij eiseres niet de uitzonderingsgrond van artikel 7, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling Awir had tegengeworpen, hetzelfde besluit zou hebben genomen als hij nadien op 24 oktober 2018 had gedaan, namelijk het toekennen van een betalingsregeling die inhoudt dat wordt afgezien van actieve invordering van het teruggevorderde bedrag. Eiseres stelt dat zij als gevolg van de ten aanzien van haar genomen besluiten over invordering van de teruggevorderde kinderopvangtoeslag en de wijze waarop daaraan uitvoering is gegeven in de vorm van verrekening en loonbeslag minder heeft gewerkt dan zij had gedaan als haar eerder de gevraagde betalingsregeling was toegestaan. Dat haar situatie als alleenstaande ouder met nog vier thuiswonende kinderen waarvan er drie tijdens haar werk opgevangen moesten worden, haar tot de beslissing heeft gebracht om haar werktijd te beperken om te voorkomen dat met de aan haar toekomende kinderopvangtoeslag zou worden verrekend en dat loonbeslag zou worden gelegd, is zonder meer voorstelbaar. De rechtbank neemt tevens in aanmerking dat de stelling van eiseres overeenkomt met het algemene beeld dat de toepassing van de uitzonderingsgrond opzet/grove schuld disproportionele gevolgen heeft gehad. Dit is ook door het kabinet erkend in zijn reactie van 13 maart 2020 op het Eindrapport van de Adviescommissie Uitvoering toeslagen. Daarin is verwoord dat het criterium opzet/grove schuld in het kader van invordering wordt afgeschaft, zodat in beginsel iedereen van wie wordt teruggevorderd recht heeft op een persoonlijke betalingsregeling. Dat juist het primaire besluit van 15 maart 2018 tot loonverlies heeft geleid heeft eiseres strikt genomen niet aannemelijk gemaakt. Haar stelling dat zij vanaf 1 januari 2018 minder heeft kunnen werken wijst er veeleer op dat dit vooral is toe te schrijven aan de eerder genomen besluiten over terug- en invordering en de wijze van uitvoering daarvan. De rechtbank acht het echter niet uitgesloten dat eiseres na een positief besluit op haar vierde aanvraag weer meer zou zijn gaan werken. Ook acht de rechtbank het een te juridisch-theoretische benadering om de gevolgen van het primaire besluit van 15 maart 2018 geheel los te zien van de besluiten op de eerdere verzoeken van eiseres, te meer nu haar tweede en derde verzoek om een betalingsregeling op een evident onjuiste grond buiten behandeling zijn gesteld. De rechtbank is al met al van oordeel dat eiseres in dit opzicht het voordeel van de twijfel toekomt in die zin dat de rechtbank het voor aannemelijk houdt dat het feit dat eiseres na het besluit van 15 maart 2018 (nog steeds) minder heeft gewerkt mede wordt beschouwd als gevolg van dat besluit.

De rechtbank vindt het echter te ver gaan om over de hele periode tot en met 31 december 2019 ervan uit te gaan dat eiseres minder heeft kunnen werken als gevolg van het primaire besluit. De rechtbank acht bovendien de stelling dat eiseres vanaf 1 april 2019 een Ziektewet-uitkering heeft gekregen als gevolg van dat besluit onvoldoende onderbouwd. Ook acht zij vanaf het moment dat verweerder alsnog heeft afgezien van actieve invordering niet langer een causaal verband aanwezig.

Oordelend naar redelijkheid en billijkheid is de rechtbank van oordeel dat in de periode van 15 maart 2018 tot eind oktober 2018 sprake is geweest van loonverlies op basis van een verschil in werktijd tussen voltijds en 24 uur per week. Uitgaande van de door eiseres genoemde bedragen stelt zij de door verweerder te vergoeden loonschade vast op (afgerond)

€ 6.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2018.

Immateriële schade

25. Eiseres heeft ook verzocht om vergoeding van immateriële schade. Ook bij de beoordeling van dat verzoek moet aansluiting worden gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht. Gelet op artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW, heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is aangetast. Van de bedoelde aantasting is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich daarop beroept zal daartoe voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren. Voorts geldt ook voor deze vorm van schade het causaliteitsvereiste.

Gelet op het geheel van de eerder beschreven feiten acht de rechtbank aannemelijk dat eiseres langdurig onderhevig is geweest aan grote spanningen en frustratie als gevolg van de herhaalde weigeringen om haar een persoonlijke betalingsregeling toe te staan en het daaraan verbonden gevolg van (dreigende) verrekeningen en loonbeslag. De rechtbank acht aannemelijk dat deze spanningen en frustratie dermate hebben ingegrepen in het persoonlijke leven van eiseres dat deze zijn te beschouwen als geestelijk letsel dat recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Deze schade is mede toe te rekenen aan het besluit van 15 maart 2018 waarbij voor de vierde maal een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd. Voor zover die schade is geleden vóór dat besluit kan deze echter in deze procedure niet voor vergoeding in aanmerking komen. In het verlengde van hetgeen is overwogen over materiële schade ziet de rechtbank reden om de vergoeding van immateriële schade te beperken tot een periode van 7,5 maand na het besluit van 15 maart 2018. De rechtbank acht het door eiseres genoemde bedrag van € 120,-- per maand redelijk en veroordeelt verweerder derhalve tot vergoeding van een totaalbedrag van € 900,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het verzoek is gedaan, namelijk 17 juli 2019.

Schade anderszins vergoed?

26. De rechtbank volgt verweerder niet in het betoog dat de mogelijk door eiseres geleden schade al volledig is vergoed doordat, zoals in de pleitnota voor de zitting van 9 maart 2020 is meegedeeld, het resterende bedrag van de terugvordering buiten iedere invordering wordt gesteld. Dit in de eerste plaats omdat het afzien van invorderingsmaatregelen niet als een vorm van schadevergoeding kan worden gezien. Daar komt bij dat verweerder blijkens de mededelingen op de zitting van 30 juli 2019 en 9 maart 2020 ervan is uitgegaan dat reeds vanwege het tijdsverloop sinds het eerste verzoek van eiseres invordering niet meer op zijn plaats is.

Vergoeding griffierecht en proceskosten

27. Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaart en het verzoek om schadevergoeding toewijst, bepaalt de rechtbank tevens dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Ook ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder aan eiseres de kosten van de procedure bij de rechtbank vergoedt. Dit betreft de kosten van openbaar vervoer voor het bijwonen van twee zittingen. Deze kosten worden begroot op € 50,--. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Algemene opmerking ten overvloede

28. De rechtbank hecht er ten slotte, ten overvloede in geding, aan om op te merken dat de problematiek van het voorliggende geval niet uniek is in die zin dat deze past in het beeld dat oprijst uit de rapporten van de Adviescommissie Uitvoering toeslagen en de parlementaire behandeling die heeft geleid tot de aanpassingen van de Awir per 7 juli 2020. Ook tegen die achtergrond zijn de tekortkomingen in de wetstoepassing en feitelijke uitvoering in relatie tot de gevolgen voor eiseres echter dermate langdurig, omvangrijk en ernstig dat deze als uitzonderlijk zijn te beschouwen. Deze uitspraak betekent dus niet dat de rechtbank van oordeel is dat in alle gevallen waarin een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling is afgewezen de desbetreffende bepaling van de Uitvoeringsregeling Awir buiten toepassing moet worden gelaten en evenmin dat in al deze gevallen recht op schadevergoeding bestaat. Wel kan in een aanzienlijk aantal gevallen een beroep worden gedaan op de sinds kort in de Awir opgenomen mogelijkheden om een tegemoetkoming aan te vragen. Over die regeling gaat het in deze uitspraak echter niet.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit van 15 maart 2018;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van schade tot een bedrag van € 7.400,--, bestaande uit € 6.500,-- aan materiële schade en € 900,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2018, respectievelijk 17 juli 2019, tot de dag van algehele voldoening en te betalen aan eiseres;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de kosten van het beroep tot een bedrag van € 50,--, zijnde reiskosten, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Schelfhout, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.G.P.M. Zweipfenning, griffier.

De uitspraak is gedaan op 7 augustus 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 7 augustus 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Wettelijk kader

Artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht luidt als volgt:

1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, kan hij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.

2. Indien de bestuursrechter de omvang van de schadevergoeding bij zijn uitspraak niet of niet volledig kan vaststellen, bepaalt hij in zijn uitspraak dat ter voorbereiding van een nadere uitspraak daarover het onderzoek wordt heropend. De bestuursrechter bepaalt daarbij op welke wijze het onderzoek wordt voortgezet.

Artikel 28, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bepaalt dat het bedrag van een terugvordering binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking tot terugvordering moet worden betaald.

Artikel 30, eerste lid, bepaalt dat de Belastingdienst/Toeslagen bevoegd is tot verrekening van een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering met een hem uit te betalen tegemoetkoming of voorschot daarop, een en ander ongeacht de inkomensafhankelijke regeling die het betreft en ongeacht het berekeningsjaar. Het tweede lid bepaalt dat de Belastingdienst/Toeslagen tevens bevoegd is tot verrekening van een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering met aan hem uit te betalen bedragen inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen, en belastingrente begrepen in een aanslag of voorlopige aanslag inkomstenbelasting.

Artikel 31 van de Awir biedt de mogelijkheid om nadere regels te stellen met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling. Hiervan is gebruik gemaakt in artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir.

Op grond van het derde lid van artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir kan een betalingsregeling worden vastgesteld waarbij de terugvordering in 24 maanden wordt terugbetaald. Op grond van het vierde lid kan op verzoek van een belanghebbende die aangeeft niet in staat te zijn de terugvordering terug te betalen overeenkomstig een betalingsregeling zoals bedoeld in het derde lid, een persoonlijke betalingsregeling worden vastgesteld waarbij de hoogte van de maandelijks te betalen bedragen wordt vastgesteld op basis van de betalingscapaciteit van een belanghebbende en zijn of haar partner. De berekening van de betalingscapaciteit vindt plaats op grond van artikel 13 tot en met artikel 16 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.

Het zesde lid van artikel 7 van de Uitvoeringsregeling Awir, zoals dat luidde tot 7 juli 2020, bepaalt dat de voorgaande leden niet van toepassing zijn indien het ontstaan van de terugvordering is te wijten aan opzet of grove schuld van de belanghebbende of diens partner.

Voor de betekenis van de term ‘grove schuld’ verwijst de Belastingdienst/Toeslagen naar de tekst van paragraaf 2, eerste lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst/Toeslagen (hierna: BBBB/T), luidend:

"Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming zou kunnen worden toegekend."