Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:5750

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
23-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2503
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het CBR heeft aan eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG) opgelegd, omdat eiser met een hogere snelheid reed dan het overige verkeer en ter plaatse is toegestaan én dicht op zijn voorganger reed. Eiser heeft tegen de oplegging van de EMG beroep ingesteld. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, omdat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de waarnemingen van de verbalisant én is voldaan aan de eisen die aan de oplegging van de EMG worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 19/2503

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Şahin),

en

de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR

(gemachtigde: mr. J.J. Kwant).

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2019 (hierna: het primaire besluit) heeft het CBR aan eiser een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (hierna: EMG) opgelegd.

Bij besluit van 12 augustus 2019 (hierna: het bestreden besluit) heeft het CBR het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden van beroep zijn ingediend op 22 oktober 2019 en aangevuld op 11 maart 2020.

Het CBR heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. Dit verweerschrift is aangevuld op 23 april 2020.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2020. Het door [naam 2] ingestelde beroep in de zaak met zaaknummer AWB 19/2504 is met zaak AWB 19/2503 gevoegd behandeld. [naam 1] is, bijgestaan door zijn gemachtigde, ter zitting verschenen. [naam 2] heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook het CBR heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst, zodat in beide zaken afzonderlijk uitspraak wordt gedaan.

Overwegingen

Inleiding

1. Het gaat in deze zaak om het besluit van het CBR een EMG aan eiser op te leggen. Het CBR heeft deze maatregel opgelegd, omdat eiser met een hogere snelheid reed dan het overige verkeer en dan ter plaatse is toegestaan én te dicht op zijn voorganger reed. Eiser is het er niet mee eens dat het CBR deze maatregel aan hem heeft opgelegd. Zijn zwaarstwegende argument daarvoor is dat de mededeling als bedoeld in artikel 130 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) niet gebaseerd kan worden op het proces-verbaal dat is opgemaakt van de vermeende overtredingen.

Feiten en procesverloop

2. Op 18 april 2019 werd door de politie geconstateerd dat [naam 2] , de vader van eiser, over een afstand van ongeveer 2.500 meter ongeveer vijf meter achter een personenauto reed. Hij reed op dat moment met een gecorrigeerde snelheid van ongeveer 125 kilometer per uur, terwijl ter plaatse een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur geldt. Er waren volgens de verbalisant geen omstandigheden aanwezig die het op deze korte afstand volgen door het door [naam 2] bestuurde motorvoertuig plotseling veroorzaakten. [naam 2] was daardoor niet in staat zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Voorts constateerde de politie dat eiser met dezelfde snelheid, op korte afstand achter de door zijn vader bestuurde bus reed. De door eiser en zijn vader bestuurde bussen vormden als het ware een treintje.

3. Bij het primaire besluit heeft het CBR aan eiser een EMG opgelegd, omdat eiser met zijn rijgedrag de verkeersregels heeft overtreden en het CBR er niet van is overtuigd dat eiser veilig kan meedoen aan het verkeer.

4. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij voert – samengevat – aan dat niet van de juistheid van (onderdelen van) het proces-verbaal van de politie kan worden uitgegaan. Zo kan niet worden uitgegaan van de door de verbalisant gerelateerde snelheid en ook niet van de door hem gerelateerde afstand tussen het door eiser bestuurde voertuig en dat van zijn voorganger, de door zijn vader bestuurde bus. Nu op basis van het proces-verbaal niet kan worden vastgesteld dat eiser te snel heeft gereden of te dicht op zijn voorganger heeft gereden, heeft het CBR de EMG niet kunnen opleggen. Er wordt immers niet voldaan aan de vereisten die artikel 14, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling) aan oplegging van de EMG stelt: dat sprake moet zijn van (minimaal) twee gedragingen. Indien al sprake is van één van beide gedragingen – te snel rijden of te kort op de voorganger rijden – is nog steeds niet voldaan aan de vereisten van artikel 14, eerste lid, van de Regeling, nu uit het proces-verbaal niet blijkt dat eiser deze gedraging herhaaldelijk heeft verricht.

5. Naar aanleiding van het door eiser gemaakte bezwaar, heeft de verbalisant een toelichting gegeven op het door hem opgemaakte proces-verbaal. De verbalisant heeft verklaard dat hij op 18 april 2019 via de oprit de weg op reed. Hij reed op de derde rijstrook, de spitsstrook/vluchtstrook. Op het moment dat hij de weg op reed, zag de verbalisant meteen twee vrij grote bussen vlak achter elkaar rijden, beide bussen reden hard. De voorste bus, een Mercedes Benz sprinter, voorzien van het kenteken [kenteken 1] , bleek te worden bestuurd door [naam 2] . Hij reed zeker 20 kilometer sneller dan ter plaatse is toegestaan en sneller dan het overige verkeer; in feite was hij de auto voor hem aan het duwen. De achterste bus, een Mercedes Benz sprinter, voorzien van het kenteken [kenteken 2] , bleek te worden bestuurd door eiser. Hij reed met dezelfde snelheid als zijn vader, op korte afstand van de door zijn vader bestuurde bus en beide bussen vormden als het ware een treintje. De verbalisant heeft beide bussen gedurende enkele minuten gevolgd, over een afstand van minstens 2.500 meter. Tijdens het volgen zag de verbalisant dat de door de vader van eiser bestuurde bus telkens remde als de bestuurder voor hem te langzaam reed en dat hij dan zijn snelheid weer verhoogde zodra het voertuig voor hem zijn snelheid verhoogde naar aanleiding van het bumperkleven.

6. Eiser heeft zijn bezwaar tegen het primaire besluit gehandhaafd. Voor zijn betoog dat niet van de juistheid van het proces-verbaal kan worden uitgegaan, vindt eiser steun in de omstandigheid dat in de zogenaamde digibon is vermeld dat de afstand tussen de door zijn vader bestuurde bus en diens voorganger vijf meter was, terwijl in het op 1 mei 2019 opgemaakte proces-verbaal is vermeld dat deze afstand drie meter was.

7. Bij het bestreden besluit heeft het CBR het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het opleggen van de EMG gehandhaafd. Volgens het CBR is geen sprake van concrete, objectieve aanknopingspunten op basis waarvan niet van de juistheid van het proces-verbaal kan worden uitgegaan. Dit betekent dat het proces-verbaal aan de mededeling als bedoeld in artikel 130 van de Wvw 1994 ten grondslag gelegd mocht worden. Uit het proces-verbaal blijkt dat eiser met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid heeft gereden en op te korte afstand voorliggers heeft gevolgd. Hierdoor heeft eiser tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen verricht als genoemd in de bij de Regeling behorende Bijlage I, onder A, onderdeel III. Het CBR moet daarom op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling een EMG opleggen.

8. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank moet beoordelen of het CBR de EMG terecht aan eiser heeft opgelegd. Zij

toetst het bestreden besluit aan de Wvw 1994 en de Regeling. De relevante bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

De inhoudelijke beoordeling

9. Eiser betoogt dat niet van de juistheid van (onderdelen van) het proces-verbaal kan worden uitgegaan. In dit verband stelt hij zich onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 maart 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:2112) op het standpunt dat de snelheidsmeting die is uitgevoerd niet tot een betrouwbaar resultaat heeft kunnen leiden. De verbalisant die het proces-verbaal heeft opgemaakt, heeft namelijk niet op dezelfde rijstrook als eiser gereden, maar twee rijstroken verder; op de rechterrijstrook. Evenmin valt in te zien dat de verbalisant 2.500 meter op de rechterrijstrook heeft gereden met dezelfde gerelateerde snelheid als eiser, 125 kilometer per uur, omdat normaal gesproken op de rechterrijstrook langzamer wordt gereden dan op de linkerrijstrook. Daarbij komt dat sprake is van tegenstrijdigheden en onlogische verklaringen tussen het proces-verbaal, de digibon en de aanvullende telefonische verklaring van de verbalisant. De rechtbank overweegt als volgt over dit betoog.

10. In de mededeling op grond van artikel 130 van de Wvw 1994 is vermeld dat het vermoeden bestaat dat eiser niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid. Dit vermoeden is gebaseerd op – voor zover hier relevant – het rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid en het op te korte afstand volgen van voorliggers.

11. In de bij de mededeling op grond van artikel 130 van de Wvw 1994 gevoegde digibon blijkt dat de verbalisant de vader van eiser zag rijden op de linkerrijstrook en dat eiser vlak achter hem reed. Met een gekalibreerde boordsnelheidsmeter stelde de verbalisant – na de vader van eiser en eiser met (vrijwel) gelijkblijvende tussenafstand gevolgd te hebben – vast dat de vader van eiser ongeveer 125 kilometer per uur reed. Voorts reed de vader van eiser ongeveer 2.500 meter lang op een afstand van ongeveer drie meter achter de bestuurder van een personenauto. Hierdoor was de vader van eiser niet in staat zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Dat gold ook voor eiser. De motoragent reed op het moment dat hij zijn waarnemingen deed op de rechterrijstrook, schuin achter de vader van eiser en achter eiser. De afstand tussen de motoragent en het door eiser bestuurde voertuig bedroeg ongeveer de lengte van een auto uit de middenklasse.

12. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) kan en mag een bestuursorgaan, in dit het geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij eiser aantoont dan wel aannemelijk maakt dat daarvan niet langer kan worden uitgegaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8566). Dit geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Afdeling is niet vereist dat het CBR eigen onderzoek doet naar de juistheid van de door de politie gerelateerde feiten, tenzij het objectieve redenen heeft om aan de juistheid daarvan te twijfelen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2409).

12.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met zijn enkele betwisting van de waarnemingen van de verbalisant en zijn stelling dat het onmogelijk is dat de processen-verbaal nagenoeg hetzelfde zijn, niet – op zijn minst – aannemelijk gemaakt dat niet langer van de juistheid van de politiestukken kan worden uitgegaan. In dit opzicht heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat een verbalisant, als ervaringsdeskundige, voldoende in staat kan worden geacht om te observeren en te registreren. Een verbalisant heeft er geen belang bij om niet gedane waarnemingen aan de politiestukken toe te voegen dan wel onjuiste informatie over eiser te verstrekken. Het betoog van eiser dat de verbalisant de snelheidsmeting niet correct heeft kunnen uitvoeren gezien de verkeerssituatie ter plaatse, faalt. De verweten snelheidsovertreding betreft namelijk geen overschrijding van de maximumsnelheid, maar het rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid. Op basis van de feiten en omstandigheden als vermeld in het proces-verbaal en de nadere toelichting van de verbalisant, valt niet in te zien dat de verbalisant vanuit zijn positie op de weg niet heeft kunnen waarnemen dat eiser reed met een, niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid en zijn voorligger op te korte afstand volgde. In dit verband wijst de rechtbank in het bijzonder op de notitie die is gemaakt van de telefonische toelichting door de verbalisant. Hieruit blijkt dat de verbalisant heeft verklaard dat hij op de rechterrijstrook reed en dat daar wel verkeer reed, maar dat het niet druk was. Hierdoor kon hij prima doorrijden en eiser en zijn vader over een langere afstand volgen en observeren. Het was een bewuste keuze van de verbalisant op de rechterrijstrook te blijven rijden, omdat hij dan het beste zicht had. Als de verbalisant achter de twee bussen was blijven rijden, had hij niets kunnen zien. Het onder verwijzing naar het arrest van 8 maart 2019 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gehouden betoog van eiser dat de snelheidsmeting die is uitgevoerd niet tot een betrouwbaar resultaat heeft kunnen leiden, faalt. Eiser trekt uit dat arrest de conclusie dat een snelheidsovertreding niet betrouwbaar kan worden uitgevoerd vanaf een andere rijstrook, maar uit vaste rechtspraak blijkt dat een verbalisant ook zonder een dergelijke meting een duidelijk verschil in snelheid tussen weggebruikers kan waarnemen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1897) en dat een voldoende precieze omschrijving van de gedragingen dan volstaat (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1586). Nu er geen objectieve redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door de politie gerelateerde feiten, heeft het CBR geen eigen onderzoek daarnaar hoeven te doen.

13. Eiser betoogt dat de EMG niet aan hem opgelegd mag worden, omdat niet is voldaan aan de eisen die artikel 14, eerste lid, van de Regeling aan de oplegging daarvan stelt. In dit verband betoogt eiser dat niet is aangetoond dat hij met een andere snelheid dan andere weggebruikers reed. Dit betekent dat er dus hooguit sprake is van één gedraging, het bumperkleven, hetgeen onvoldoende is om de EMG op te leggen. Bovendien zijn de gedragingen niet herhaaldelijk verricht, hetgeen ook aan oplegging van de EMG op grond van artikel 14, eerste lid, van de Regeling in de weg staat. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

13.1.

Een EMG wordt opgelegd, zodra iemand tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht die in de Bijlage bij de Regeling zijn vermeld. Dit blijkt ook uit de toelichting van de Minister bij de Regeling (Staatscourant 25 september 2008, nr. 186). Hierin is vermeld:

Het tweede deel voorziet in een nieuw artikel 10b, waarin wordt aangegeven in welke gevallen de nieuwe EMG wordt opgelegd. Het gaat er hierbij om dat de betrokken bestuurder niet éénmaal bepaald gedrag heeft vertoond.

Dit betekent dat het kan zijn dat tweemaal wordt voldaan aan één criterium van Bijlage 1, onder A, onderdeel III, behorende bij de Regeling, maar dat het ook kan zijn dat éénmaal wordt voldaan aan twee verschillende criteria. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraken van de Afdeling van 1 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV2438) en

8 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3010). Uit het voorgaande blijkt dat voldoende is onderbouwd dat eiser met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid heeft gereden en hij op te korte afstand een voorligger heeft gevolgd. Hierdoor heeft eiser tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen verricht als genoemd in de bij de Regeling behorende Bijlage I, onder A, onderdeel III. Het CBR is vervolgens gehouden een EMG op te leggen op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling. Dat de officier van justitie de aan eiser opgelegde verkeersboete heeft vernietigd, maakt niet dat de rechtbank tot een ander oordeel komt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling hebben besluiten van het CBR namelijk betrekking op een bestuursrechtelijke maatregel die losstaat van een eventuele strafrechtelijke procedure (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2551). De feiten waarop het vermoeden is gebaseerd behoeven, anders dan in het strafrecht dan ook niet wettig en overtuigend te worden bewezen (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3473, onder 6). Bij het voorgaande komt dat de gemachtigde van eiser ter zitting heeft aangegeven dat de officier van justitie de opgelegde verkeersboete heeft vernietigd, omdat hij niet tijdig heeft beslist op het beroep dat eiser heeft ingesteld tegen de verkeersboete. Met deze motivering heeft de vernietiging dus ook inhoudelijk geen invloed op de bevindingen die aan de maatregel ten grondslag liggen.

14. Eiser betoogt dat sprake is van willekeur dan wel rechtsongelijkheid. In dit verband stelt eiser zich op het standpunt dat het CBR de bevoegdheid had om op grond van artikel 131 van de Wvw 1994 te besluiten wat met de informatie in de mededeling van de ambtenaar wordt gedaan. Omdat de informatie van de verbalisant op willekeur dan wel rechtsongelijkheid duidt, maakt het CBR zich daar ook schuldig aan door deze informatie aan zijn beslissing ten grondslag te leggen.

15. Het betoog faalt. In dit opzicht stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat in deze zaak enkel het rijgedrag van eiser en zijn vader en niet dat van hun voorganger centraal staat. De stelling van eiser en zijn vader dat hun voorganger ook de maximumsnelheid heeft overschreden en niet van de weg is gehaald, maakt niet dat sprake is van willekeur dan wel rechtsongelijkheid en dat het CBR om die reden geen EMG heeft mogen opleggen.

16. Vanwege het dwingendrechtelijke karakter van artikel 14 van de Regeling, biedt dit artikel geen ruimte voor een nadere belangenafweging.

17. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.P.J. van de Pasch, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.W.J. Reuvers, griffier op 4 augustus 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 4 augustus 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bijlage

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

[…]

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of

geschiktheid,

b. oplegging van een alcoholslotprogramma, of

c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

[…]

Artikel 132a

1. In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel a, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene overeenkomstig de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels de verplichting op zich binnen een daarbij vast te stellen termijn te onderwerpen aan educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid.

[…]

Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

Artikel 14

1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:

a. betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de

bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag.

[…]

Bijlage 1 bij Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

A, onderdeel III, Rijgedrag

[…]

3. Incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:

a. rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers

aangepaste snelheid;

b) onnodig remmen en stoppen;

c) snijden: het niet juist afmaken van de inhaalmanoeuvre door te snel en te abrupt naar rechts of naar links te gaan;

d) op te korte afstand volgen van voorliggers;

e) onjuist invoegen of onjuist uitvoegen.

[…].