Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:5737

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2210
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Woningsluiting artikel 13b Opiumwet. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij de onderhavige procedure. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder bevoegd om de woning te sluiten voor de duur van zes maanden en heeft verweerder ook in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb zijn die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met dit beleid te dienen doelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/2210

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 04 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. E.E.M. Messink),

en

de burgemeester van de gemeente Gennep, verweerder

(gemachtigde: F. Croonen).

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd in de vorm van sluiting van de gehuurde woning op het adres [adres] te [woonplaats] voor de duur van 6 maanden vanaf 4 april 2019.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 3 juli 2019 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 23 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting was geagendeerd voor 28 januari 2020. Op verzoek van de gemachtigde van eiser is de zaak aangehouden. Vervolgens is de behandeling van de zaak geagendeerd voor de zitting van 27 maart 2020. Op die datum kon de behandeling geen doorgang vinden in verband met de coronamaatregelen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, waarop eiser heeft gereageerd.

Geen van partijen heeft desgevraagd vervolgens aangegeven op zitting te willen worden gehoord. Daarop is het onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op vandaag.

Overwegingen

1. Bij brief van 4 september 2019 heeft eiser verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van griffierecht, omdat hij niet over vermogen en inkomsten beschikt. Gelet op de criteria neergelegd in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282), is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden gehonoreerd, zodat eiser ontheven is van zijn verplichting tot het betalen van griffierecht (zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3650)).

2. De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van de navolgende vaststaande feiten. Eiser is/was huurder van de woning op het adres [adres] te [woonplaats] . Het betreft een appartement op de vierde etage in een woonwijk. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2019 is gebleken dat na de aanhouding van eiser op 9 maart 2019 een doorzoeking heeft plaatsgevonden in zijn woning. Hierbij is in de slaapkamer en in de diepvries op het balkon van de woning het navolgende aangetroffen:

- 430 gram amfetamine; en

- 3 zakken hennep van 660 gram (bruto gewicht), 440 gram (bruto gewicht) en 31,1 gram (netto gewicht).

3. Bij brief van 18 maart 2019 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om een last onder bestuursdwang op te leggen die strekt tot sluiting van de woning voor de duur van zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet in samenhang met het vastgestelde ‘Damoclesbeleid gemeente Gennep’ (het Handhavingsbeleid). Eiser heeft bij brief van 22 maart 2019 een schriftelijke zienswijze ingediend. Verweerder heeft vervolgens op 28 maart 2019 het primaire besluit genomen.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

5. In het verweerschrift is aangegeven dat de woning is gesloten van 4 april 2019 tot
4 oktober 2019 en dat de woning daarna weer in gebruik is genomen door de eigenaar (Woningcorporatie Mooiland). De huurovereenkomst met eiser is ontbonden en met een ontruimingsbevel is de woning ontruimd. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat eiser geen belang meer heeft bij deze procedure, omdat de maatregel al is uitgevoerd en inmiddels is opgeheven en eiser door deze procedure niet in een gunstigere positie kan komen.

6. In zijn reactie heeft eiser aangegeven dat zijn belang bij deze procedure is gelegen in het krijgen van een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het bestreden besluit om in geval van vernietiging van het besluit schadevergoeding te kunnen vorderen.

7. De rechtbank zal hierna deze standpunten bespreken, alsmede hetgeen eiser verder in het beroep heeft aangevoerd.

Procesbelang

8. Hoewel de sluiting van de woning inmiddels is geëffectueerd en niet in geschil is dat eiser niet meer naar de woning kan terugkeren is de rechtbank van oordeel dat eiser belang bij een inhoudelijke beoordeling in deze procedure niet ontzegd kan worden. Eiser heeft aangegeven dat een vernietiging van het bestreden besluit aanleiding kan zijn om schadevergoeding te vorderen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat eiser daadwerkelijk schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit, nu hij onder meer heeft aangegeven dat zijn uitkering is ingetrokken omdat hij geen vast woonadres had.

De rechtbank zal dan ook het bestreden besluit inhoudelijk beoordelen.

Bevoegdheid van de burgemeester om handhavend op te treden op grond van artikel 13b van de Opiumwet

9. De rechtbank stelt vast dat door eiser niet is betwist dat er een hoeveelheid harddrugs en softdrugs is aangetroffen in zijn woning, die de toegestane hoeveelheden voor eigen gebruik ruimschoots overschrijden. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende van de woning om het tegendeel aannemelijk te maken. Verwezen wordt naar de uitspraken van de Afdeling van
11 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2362) en 14 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:738). Eiser heeft in dit kader naar voren gebracht dat de amfetamine niet van hem was maar van de heer [naam] die hem hielp met een klus in de woning. Volgens eiser waren de aangetroffen verdovende middelen ook niet bestemd voor de handel. Eiser geeft verder aan dat hij nooit voor overlast heeft gezorgd in het appartementencomplex waar hij woont. Volgens eiser kunnen diverse bewoners dit bevestigen.
Met zijn stellingen heeft eiser het hiervoor genoemde tegendeel niet aannemelijk gemaakt, gelet op de grote hoeveelheid verdovende middelen die in de woning zijn aangetroffen. Voor zover eiser beoogt te stellen dat hem persoonlijk geen verwijt kan worden gemaakt, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1362) waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat eiser als huurder verantwoordelijk kan worden gehouden voor de gang van zaken in de woning. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder reeds gelet op de aangetroffen hoeveelheid harddrugs bevoegd om handhavend op te treden. Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangevoerd over de aangetroffen hennep, overweegt de rechtbank daarnaast dat ook deze hoeveelheid als handelshoeveelheid kan worden aangemerkt waardoor verweerder ook op grond hiervan bevoegd was om tot sluiting van de woning over te gaan. Dat er volgens eiser mannelijk hennepzaad zou zijn aangetroffen, maakt het voorgaande niet anders. Immers, het geslacht van de hennepplant doet volgens lijst II van de Opiumwet niet ter zake en dat er volgens eiser enkel zaden van de hennepplant zijn aangetroffen, die op lijst II van de Opiumwet niet als hennep worden aangemerkt, blijkt niet uit het hiervoor vermelde proces-verbaal van 15 maart 2019. Hierin wordt vermeld dat er gedroogde henneptoppen zijn aantroffen in de woning. De rechtbank ziet geen aanleiding om niet van de juistheid van het proces-verbaal uit te gaan.

10. De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. Daarbij is van belang of verweerder heeft besloten conform de door hem vastgestelde beleidsregels.

Ter uitoefening van zijn bevoegdheid, neergelegd in artikel 13b van de Opiumwet, heeft verweerder beleidsregels vastgelegd in het Handhavingsbeleid. In het Handhavingsbeleid is in artikel 4, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“Indien er sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van verdovende middelen, wordt bij harddrugs de woning gesloten voor de duur van zes maanden.”

Bijzondere omstandigheden

11. Eiser heeft betoogd dat verweerder geen gegronde reden had om tot sluiting van de woning over te gaan, laat staan een sluiting voor de duur van zes maanden. Als er al een sanctie had moeten volgen had verweerder kunnen volstaan met een waarschuwing. Verder voert eiser aan dat zijn huurovereenkomst inmiddels buitengerechtelijk is ontbonden en dat hij geen vervangende woonruimte kan vinden. Ook is eisers uitkering ingetrokken omdat hij niet langer een vast woonadres had in de gemeente Gennep.

12. De rechtbank stelt vast dat verweerder conform het Handhavingsbeleid de woning voor de duur van zes maanden heeft gesloten. Dat de sluiting van de woning voor de duur van zes maanden in overeenstemming is met het beleid betekent niet zonder meer dat verweerder zijn besluit tot sluiting in redelijkheid heeft kunnen nemen. Verweerder moet bij het nemen van een besluit een nadere beoordeling maken. Daarbij moet hij alle omstandigheden van het geval betrekken en bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling van

26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840).

13. Voor zover eiser stelt dat hem persoonlijk geen verwijt kan worden gemaakt, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912). In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden kan maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kan maken. Naar het oordeel van de rechtbank is van deze situatie geen sprake. Eiser was op de hoogte van het feit dat de heer [naam] harddrugs bij zich had en hij ( [naam] ) deze in de diepvries op het balkon van het appartement heeft gelegd en laten liggen. Eiser heeft aldus bewust het risico aanvaard dat zich verdovende middelen in zijn appartement bevonden. Dat de verhuurder de huurovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden, heeft verweerder mogen aanmerken als een voorzienbaar gevolg van een woningsluiting vanwege het aantreffen van verdovende middelen. Dat eiser zijn woning heeft moeten verlaten door de sluiting is ook geen bijzondere omstandigheid. Niet is aangevoerd of gebleken dat er bijvoorbeeld medische omstandigheden waren waardoor eiser een bijzondere binding had met de woning. Eiser heeft verder aangegeven dat hij bij vrienden en familie heeft kunnen overnachten en dat het stressvol voor hem was om elke dag weer onderdak te moeten regelen. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit (het toetsmoment voor de rechtbank) is onbestreden gebleven dat eiser zich, zoals verweerder heeft gesteld, voor opvang kon wenden tot Iriszorg De Huizen in Nijmegen. Er is in deze procedure niet naar voren gebracht dat die mogelijkheid er voor eiser niet is geweest. Dat eisers uitkering is ingetrokken omdat hij er niet in is geslaagd een vaste woon- of verblijfplaats te krijgen in de gemeente Gennep, is betreurenswaardig voor eiser maar vormt geen dusdanige bijzondere omstandigheid dat verweerder niet tot sluiting van de woning heeft mogen overgaan. Het betreft ook geen gevolg van de sluiting dat verweerder had moeten betrekken bij het nemen van het bestreden besluit. Eiser had op een ander adres immers ook een uitkering kunnen aanvragen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen overgaan tot sluiting van de woning voor de duur van zes maanden.

14. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit de toets in rechte kan doorstaan. Het beroep is daarom ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, rechter, in aanwezigheid van mr. D.S.A.W. Raes, griffier. De uitspraak is gedaan op 04 augustus 2020

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 04 augustus 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.