Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:5655

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-07-2020
Datum publicatie
14-08-2020
Zaaknummer
AWB-20_1785
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Invorderingsbeschikking. Verweerder heeft een last onder dwangsom aan verzoekers opgelegd vanwege diverse overtredingen die volgens verweerder zijn geconstateerd op de gronden van hun perceel. De dwangsommen zijn van rechtswege verbeurd en het verbeurde bedrag van (in totaal)

€ 100.000,- wordt ingevorderd. Na afweging van de betrokken belangen wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/1785

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 juli 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , verzoekster en

[naam 2] , verzoeker

(hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers)

(gemachtigde: mr. S.J.H.G.M. Schils),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Landgraaf, verweerder

(gemachtigde: mr. J.L. Stoop).

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2020 (hierna: de invorderingsbeschikking) heeft verweerder verzoekers medegedeeld dat zij een dwangsom van € 100.000,- hebben verbeurd.

Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Omdat de overgelegde stukken naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende inzicht bieden in de zaak en partijen niet in hun belangen worden geschaad, zal de voorzieningenrechter, gelet op het aanwezige spoedeisende belang, op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) uitspraak doen zonder zitting. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek in deze zaak op de datum van deze uitspraak gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. Blijkens de invorderingsbeschikking heeft verweerder bij besluit van

20 maart 2019 aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd vanwege diverse overtredingen die volgens verweerder zijn geconstateerd op de gronden van verzoekers aan de [adres] te [plaats] . Verweerder heeft daarbij een begunstigingstermijn van 10 weken gegeven om aan de opgelegde last te voldoen.

2. In de invorderingsbeschikking heeft verweerder vastgesteld dat de in de last genoemde dwangsommen van rechtswege zijn verbeurd en dat deze niet binnen de daarvoor in artikel 5:33 van de Awb gestelde termijn van zes weken (na verbeurte) zijn betaald. Daarom wordt het verbeurde bedrag van (in totaal) € 100.000,- ingevorderd.

3. Verzoekers hebben bezwaar ingesteld tegen de last onder dwangsom. Bij besluit van 19 november 2019 heeft verweerder dit bezwaar – onder overneming van het advies van de adviescommissie voor de bezwaarschriften – ongegrond verklaard. Verzoekers hebben daarop ingesteld tegen het besluit van 19 november 2019. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 20/104.

4. Verzoekers hebben tevens separaat bezwaar gemaakt tegen de (onderhavige) invorderingsbeschikking en de voorzieningenrechter via de onderhavige procedure verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

6. De voorzieningenrechter kan een voorziening treffen, indien is voldaan aan de vereisten die in artikel 8:81 van de Awb staan vermeld. Dit artikel bepaalt dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de hiervoor genoemde formele vereisten is voldaan. Dit brengt de voorzieningenrechter bij de vraag of de te maken belangenafweging noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening.

8. De voorzieningenrechter stelt daarbij allereerst vast dat verzoekers in hun bezwaarschrift de invorderingsbeschikking betwisten. Dit betekent dat het beroep tegen de last onder dwangsom, gelet op het bepaalde in artikel 5:39, eerste lid, van de Awb, mede betrekking heeft op de invorderingsbeschikking. Het onderhavige verzoek strekt ertoe deze invorderingsbeschikking op te schorten. De voorzieningenrechter ziet hiertoe aanleiding. Zij overweegt hiertoe het volgende.

9. De last onder dwangsom van 11 maart 2019 die aan verzoekers is opgelegd, strekt ertoe dat verzoekers de door verweerder geconstateerde overtredingen van de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en 2.3, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ongedaan maken. De voorzieningenrechter onderkent dat een verweerder er belang bij heeft dat verbeurde dwangsommen ook daadwerkelijk geïnd (kunnen) worden, omdat alleen zo een efficiënt handhavingsbeleid gevoerd kan worden. Daar tegenover staat dat de verplichting tot betaling van € 100.000,- ontegenzeggelijk grote gevolgen voor verzoekers zal hebben en (wellicht) zal leiden tot een financiële noodsituatie. Nu vanwege de nog lopende (beroeps- en bezwaar)procedures in de onderhavige zaak nog niet in rechte vast staat dat de last (en daarmee de invordering) rechtmatig zijn, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangenafweging in deze in het voordeel van verzoekers moet uitvallen.

Conclusie

10. Concluderend ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Zij schorst het bestreden besluit tot zes weken nadat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt.

11. Volledigheidshalve wijst de voorzieningenrechter erop dat met deze uitspraak geen (voorlopig) oordeel is gegeven over de rechtmatigheid van de opgelegde last onder dwangsom van 19 november 2019.

12. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt zij dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

13. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op

bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoekers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.W.J. Reuvers, griffier op 31 juli 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 31 juli 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.