Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:5626

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
30-07-2020
Datum publicatie
31-07-2020
Zaaknummer
8512241/AZ/20-81
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gevangenisbewaker PI Zuid dient valse reisdeclaraties in.

Verzoek van de Staat tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e- grond (ernstig verwijtbaar handelen) wordt afgewezen. Gebleken is dat de medewerker heeft gehandeld onder aanhoudende ernstige psychische druk van zijn direct leidinggevende. Deze omstandigheid doet tot op grote hoogte afbreuk aan de toerekenbaarheid van de verwijtbaarheid van het handelen. Verder heeft hij de opbrengst geheel of nagenoeg geheel moeten afstaan aan die leidinggevende om diens (cocaïne) verslaving te bekostigen.

Tenslotte is van belang geoordeeld dat de medewerker zelf openheid van zaken heeft gegeven en alle medewerking aan het onderzoek heeft verleend.

Ontbinding op de g-grond (verstoorde verhouding) is afgewezen omdat de Staat op geen enkele wijze heeft getracht de verhouding te herstellen. Dit is temeer van belang nu de medewerker hier zelf mee naar buiten is gekomen door op de zaak op te biechten, hij verder goed functioneert en zijn teamgenoten graag met hem werken.

Hetzelfde geldt ten aanzien van de inspanningsverplichting van de Staat om de mogelijkheid tot herplaatsing te onderzoeken. Niet is gebleken dat de Staat hier de nodige aandacht aan gegeven heeft.

De vordering tot terugbetaling van de uitgekeerde bedragen is verwezen naar de handelskamer van de rechtbank nu deze boven de competentiegrens van de kamer voor kantonzaken uitgaat en ook overigens onvoldoende als een met de ontbinding verband houdende vordering te beschouwen is, nu deze is geformuleerd als een vordering uit onrechtmatige daad en/of uit onverschuldigde betaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0927
JAR 2020/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 8512241 \ AZ VERZ 20-81

Beschikking van de kantonrechter van 30 juli 2020

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te 's-Gravenhage,

werkgever

procederende in persoon,

verzoekende partij in het verzoek,

tegen:

[verweerder] ,

wonend [adres] ,

[woonplaats] ,

werknemer

gemachtigde mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor,
verwerende partij in het verzoek.

Partijen zullen hierna de Staat en [verweerder] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 14 mei 2020 ter griffie ontvangen verzoekschrift

- het verweerschrift

- de nader ingezonden producties aan de zijde van [verweerder] d.d. 11 en 24 juni 2020

- het herziene verweerschrift d.d. 24 juni 2020

- de mondelinge behandeling d.d. 30 juni 2020

1.2.

Daarna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is op 1 februari 2007 bij de Staat aangesteld. Deze aanstelling is van rechtswege op grond van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) op 1 januari 2020 een arbeidsovereenkomst geworden.

2.2.

[verweerder] vervulde ten tijde van het onderhavige ontbindingsverzoek de functie van [functienaam 1] tegen een loon van € 2.605,10 bruto per maand, exclusief IKB-budget van 16,37% van het loon.

2.3.

[verweerder] is werkzaam binnen de Penitentiaire Inrichting Zuidoost te Roermond (hierna: de PI).

2.4.

Op 30 oktober 2019 heeft [verweerder] zich uit eigenbeweging gemeld bij [naam 1] (zijnde Afdelingshoofd binnen de PI) met de mededeling dat hij een verklaring wilde afleggen over een aantal zaken die betrekking hadden op zijn voormalig leidinggevende, [naam 2] (hierna: [naam 2] ) en het opmaken van valse reisdeclaraties. Tevens is op 31 oktober 2019 door onder andere [naam 3] , [functienaam 2] binnen de PI (hierna: [naam 3] ) een gesprek gevoerd. Blijkens het verslag dat van dit gesprek is opgemaakt, heeft [verweerder] , voor zover thans van belang, het volgende verklaard:

“(..) [verweerder] geeft aan dat het in het begin onschuldig was en dat het vanuit iets kleins alleen maar erger werd. [verweerder] geeft aan dat het begon met een klein bedrag. [naam 2] heeft [verweerder] gevraagd om € 20 te lenen omdat hij zijn beurs vergeten zou zijn. Hierna volgde het onjuist declareren van reisdeclaraties. [verweerder] geeft aan meerdere malen aan [naam 2] gevraagd te hebben waarvoor hij dat geld nodig had. [verweerder] geeft aan dat [naam 2] zorgde voor een schuldgevoel, doordat [naam 2] aangaf dat zijn vrouw of kinderen iets zou overkomen indien [verweerder] hem geen geld zou geven. Wat zijn vrouw of kinderen precies zouden overkomen indien [verweerder] geen geld zou geven wilde de keer [naam 2] niet zeggen, dit was privé gaf [naam 2] aan. [verweerder] geeft aan dat [naam 2] hem hiermee onder druk heeft gezet. [verweerder] kon er niet mee leven indien de vrouw of de kinderen van [naam 2] daadwerkelijk iets zou overkomen. Dit emotioneert [verweerder] zwaar tot op de dag van vandaag. (..)

[verweerder] vertelt dat [naam 2] hem vaker in paniek opbelde voor geld. (..)

[verweerder] geeft aan dat hij de declaraties met toestemming van [naam 2] invoerde. Later voerde [naam 2] de declaraties in P-direkt ook onder de naam van [verweerder] . (..) [verweerder] antwoordt hierop dat [naam 2] hem gebeld heeft tijdens zijn vakantie. [verweerder] heeft de inloggegevens van zijn P-direktaccount aan [naam 2] verstrekt. Na de vakantie bleef [naam 2] gebruik maken van de inloggegevens en hiermee reiskosten en verblijfkosten declareren.

[naam 3] geeft aan dat ze zich afvraagt hoe [naam 2] aan het geld kwam dat [verweerder] had ontvangen door middel van de declaraties. [verweerder] gaf aan dat [naam 2] het geld kwam halen of dat ze elders afspraken bijvoorbeeld bij de McDonalds. [naam 2] kreeg het geld cash overhandigd van [verweerder] .

(..)”

2.5.

Met ingang van 31 oktober 2019 is [verweerder] op grond van artikel 77 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) de toegang tot de PI ontzegd. Tevens is aangezegd dat een disciplinair onderzoek wordt gestart.

2.6.

Voormeld disciplinair onderzoek is door Bureau Integriteit (hierna: BI) uitgevoerd en de bevindingen zijn neergelegd in een onderzoeksrapport gedateerd op 27 februari 2020. BI heeft haar onderzoek gebaseerd op diverse bronnen, te weten:

  • -

    stukken die zijn overhandigd door [naam 3] waaronder ook bankafschriften ter beschikking gesteld door [verweerder] ;

  • -

    overzicht van gegevens uit Iolan betreffende de aanwezigheidsregistratie in de PI van [verweerder] en [naam 2] over de periode 2016-2019

  • -

    dienstroosters van [verweerder] over de periode 2016-2019

  • -

    uitdraai P-direct, met betrekking tot de ingediende reisdeclaraties van [verweerder] van 2010 tot juli 2019

  • -

    salarisstroken van [verweerder] over de periode april 2017 tot en met juli 2018

  • -

    nog beschikbaar zijnd berichtenverkeer tussen [verweerder] en [naam 2]

  • -

    gespreksverslagen met [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , getuige [naam 2] en [verweerder] .


BI concludeert samenvattend:

“Er zijn in de periode van maart 2017 tot en met juli 2018 door [verweerder] oneigenlijke reisdeclaraties ingediend. Hij verklaarde dit onder druk te hebben gedaan van [naam 2] . [naam 2] verklaarde dat hij het initiatief heeft genomen, hij heeft [verweerder] hierin meegenomen om de fraude te plegen. De verklaringen zijn tegenstrijdig op de punten dat er afspraken zouden zijn om de “winst” samen te delen. [naam 2] verklaarde dat, maar dat wordt ontkend door [verweerder] . Feitelijk is dat er is gedeclareerd terwijl de dienstreizen niet zijn gemaakt door [verweerder] . De data van de dienstreizen laten zien dat [verweerder] veelal aan het werk was in de PI.
Beide personen, [verweerder] en [naam 2] verklaren dat zij oneigenlijk hebben gedeclareerd. Niet is vastgesteld dat [naam 2] zelf declaraties namens [verweerder] heeft uitgevoerd. Uit de feiten (aanwezigheid Iolan) blijkt dat dit niet het geval is geweest in de periode die door [verweerder] wordt genoemd..”

2.7.

Uit de verklaring die door [naam 2] ten overstaan van BI is afgelegd, blijkt voor zover thans van belang, het volgende:

“(..) Ik heb het moeilijk gehad In de PI als leidinggevende. Ik ging twijfelen aan mijzelf. Ik raakte depressief en wist niet wat te doen. Dit werd ook opgemerkt door mijn collega's. (..) Ik zat in een dip en heb mijn uitvlucht gezocht in cocaïne. Ja, ik ben cocaïne gaan gebruiken.

(..)

Uit onderzoek is gebleken dat u ook reisdeclaraties hebt ingediend in P-direkt voor medewerkers in uw team. Klopt dat en waarom hebt u dat gedaan?

Dat heb ik nooit gedaan. Ik heb wel samen met [functienaam 1] [verweerder] reisdeclaraties ingediend. Ik zal u daar later meer over verklaren.

Op welke wijze controleerde u de door uw medewerkers ingediende reisdeclaraties. Zij worden als "taak" fiattering in uw werkvoorraad geplaatst door het systeem P-direkt?

Dat klopt. Ik kreeg ze in mijn werkbakje in P-direkt. Ik fiatteerde ze en klikte ze hierna als akkoord door. De uitbetaling ging dan buiten mij om.

Of ik in de systemen keek, soms wel en ook soms niet. Ik wist natuurlijk dat er gefraudeerd werd. Ik fiatteerde de declaraties vaak ook klakkeloos om er vanaf te zijn. Ik wilde niet geconfronteerd worden met de fraude die ik samen met [verweerder] pleegde.

(..)

Uit onderzoek blijkt dat u veelvuldig contact hebt gehad met [functienaam 1] [verweerder] . Wat kunt u ons hierover verklaren?

Dat klopt. [verweerder] is een van de medewerkers waar ik in het begin geld van leende in de PI. Hij heeft mij meerdere keren kleine geldbedragen gegeven. Ik vermoed dat dat gestart is medio 2015 - 2016. Ik weet dat niet meer precies.

[verweerder] zou door u onder druk zijn gezet om maandelijks, wekelijks vanaf april 2017 tot uw vertrek uit de PI in september 2018 geldbedragen te overhandigen. Klopt dat?

Nee, dat klopt absoluut niet. Ik heb niemand onder druk gezet om mij geld af te geven. Ik zal u verklaren hoe een en ander is ontstaan.

Als uit onderzoek blijkt dat ik vanaf april 2017 grote geld bedragen van [verweerder] heb gehad klopt dat.

Ik heb [verweerder] benaderd. Ik was wanhopig en was ernstig op zoek naar geld voor mijn cocaïne verslaving. Ik weet niet exact wanneer ik met [verweerder] heb gesproken, zal begin 2017 zijn geweest. Ik heb toen aan [verweerder] voorgesteld dat hij enkele reisdeclaraties zou indienen en dat ik deze dan als zijn leidinggevende zou fiatteren. Hij zou het geld dan op zijn rekening krijgen gestort en zou dan een deel hiervan aan mij geven.

Ik zei dat mijn echtgenote ziek was, dat ik grote problemen had met haar gezondheid. Het zal zeker een zielig verhaal zijn geweest. Nee, ik heb uitdrukkelijk niet gesproken over het feit dat ik een verslaving had.

[verweerder] ging akkoord. Hij zou de helft van het gedeclareerde bedrag zelf mogen houden. Ik weet niet dat [verweerder] meerdere keren tegen mij heeft gezegd en gevraagd of dat goed zou blijven gaan. Ik heb gezegd dat er niemand achter zou komen. Hij moest wel zijn mond houden. Ik had een goede band met [verweerder] . Nee, ik heb hem niet specifiek uitgezocht om de fraude te plegen. Ik heb het voorgesteld, hij ging ermee akkoord. Samen zijn we er beter van geworden. Er is door [verweerder] gedeclareerd van april 2017 tot ik vermoed augustus 2018. Ik ben toen weggegaan uit de PI.

Natuurlijk wist ik dat het een keer uit zou komen en dat het fout zou gaan. Ik was echter geheel "de weg kwijt". De realiteit was vreemd geworden, ik was een verslaafde en moest aan geld komen. Dit ging gemakkelijk. Ik heb van [verweerder] steeds het geld, het deel van de declaraties gehad. Ik belde op appte hem dan dat ik geld nodig had. Ik weet niet of [verweerder] een registratie bij hield van het geld dat hij declareerde en wat hij mij gaf. Ik niet in ieder geval.

Ik ben ook bij [verweerder] in [woonplaats] aan de deur geweest voor geld. Ik reed daar dan met mijn personenauto heen. Klopt ook dat ik hem ontmoette bij Mac Donalds in Maastricht. Steeds weer hield Ik het zielige verhaal voor dat het niet goed ging met mijn echtgenote en gezin. [verweerder] betaalde zijn deel. Natuurlijk zal hij ook wel bang zijn geweest dat een en ander uit zou komen. Hij kon ook niet meer terug.

Hebt u samen (april, mei enz) met [verweerder] reisdeclaraties ingediend naar plaatsen waar hij ( [verweerder] ) niet is geweest. U zou hem daartoe hebben aangezet, opdracht voor hebben gegeven?

De eerste declaraties, april, mei diende hij samen met mij in. We zaten dan samen in één van de kantoorruimten. Ik zei wat hij moest declareren. Dat ging nog redelijk serieus, rekening houdende met zijn diensten. Later liep het helemaal uit de hand. Werd er steeds grover en ruimer gedeclareerd. [verweerder] deed het toen zelf, ik zat daar niet meer bij.

De bedragen van de reisdeclaraties werden steeds groter.

Ik heb hem ertoe aangezet, echter hij deelde wel mee in de "winst". Het was 50 procent voor hem en 50 procent voor mij. Nee, daar staat niets van op papier.
(..)

Uit bankafschriften is gebleken dat u op 20 december 2018 (u was toen al niet meer werkzaam in de PI) een geldbedrag van 590 euro hebt overgemaakt aan [verweerder] . Dit was in overleg gegaan met uw echtgenote. Klopt dat en wat kunt u hierover verklaren?

Dat klopt. Ik heb mijn echtgenote vertelde dat ik verslaafd was aan cocaïne. U begrijpt dat dat een vreselijke tijd was. Ik ben toen ook gestart met het traject om van de verslaving af te komen. Ik wilde mijn vrouw echter niet alles vertellen. Ik had namelijk ook nog een schuld van 590 euro bij de dealer. Wist zij niet, zij dacht dat ik de schuld had bij de collega, [verweerder] .

In het bijzijn van mijn vrouw heb ik toen de 590 euro overgemaakt aan [verweerder] . Ik had met hem de afspraak gemaakt dat ik het geld van hem terug zou krijgen zodat ik daarmee de dealer kon betalen. Is ook zo gegaan. Ik kreeg het geld van [verweerder] terug en heb er de dealer mee betaald.

Ik kan dat verder niet aantonen, onderbouwen. U zult mij hierin moeten geloven. Nee, bij een dealer krijg je geen bonnetje.

(..)

Ik heb heel veel spijt van het feit dat ik [verweerder] meegezogen heb in mijn problemen, verslaving. Dit als leidinggevende. Ik heb hem voorgelogen over de problemen met mijn echtgenote. Ik kan het meer terugdraaien. Wat moet ik nog zeggen. Ik was een verslaafde en zocht geld, steeds meer geld om cocaïne te kopen.

[verweerder] heeft zelf natuurlijk ook niet goed gehandeld. Hij had eruit kunnen stappen. Deed hij niet het leverde hem ook veel geld op.
(..)”

2.8.

Op 1 april 2020 heeft de Staat jegens [verweerder] aangifte gedaan bij de politie vanwege onterecht ingediende reisdeclaraties.

2.9.

[verweerder] heeft zich, vanwege ernstige psychische klachten, onder behandeling van een psycholoog laten stellen.

3 Het geschil

3.1.

De Staat verzoekt, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de tussen haar en [verweerder] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden primair op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel b, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en subsidiair op grond van artikel 671b lid 1, onderdeel b, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW,

II. indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW bij het bepalen van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn van [verweerder] en de arbeidsovereenkomst dadelijk te ontbinden,

III. indien de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van deze beschikking,

IV. te bepalen dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding,

V. [verweerder] te veroordelen tot betaling van € 27.809,55 ter zake van de onverschuldigde betaling van reisdeclaraties c.q. schade voor en onrecht aan [verweerder] uitbetaalde reisdeclaraties,

VI. [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[verweerder] voert verweer. Indien de kantonrechter overgaat tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, verzoekt [verweerder] om rekening te houden met de geldende opzegtermijn en aan hem een transitievergoeding toe te kennen.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Wnra in werking getreden. In artikel 14 Wnra is geregeld dat de aanstelling van de ambtenaar op deze datum van rechtswege wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Gelet op het voorgaande en het feit dat het verzoek van de Staat dateert van na 1 januari 2020 is de kantonrechter bevoegd.

4.2.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat niet is gebleken dat het onderhavige verzoek verband houdt met een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670, leden 1 tot en met 4 en 10 van het BW, of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Derhalve komt de kantonrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

4.3.

De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW in verbinding met artikel 7:671b lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).

Ontbinding op de e-grond

4.4.

De Staat verzoekt primair ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel e BW en stelt ter onderbouwing van het verzoek dat vast staat dat [verweerder] onterechte reisdeclaraties heeft ingediend. Hierdoor heeft [verweerder] misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen en in strijd gehandeld met de integriteitseisen die aan medewerkers in overheidsdienst worden gesteld. De handelwijze van [verweerder] is dermate ernstig dat er sprake is van verwijtbaar handelen hetgeen een beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt.

4.5.

Bij de te maken beoordeling stelt de kantonrechter het volgende voorop.
Bij een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de zogenoemde e-grond moet de werkgever aannemelijk maken dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer en dat dit zodanig ernstig is dat van de werkgever in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Er moet sprake zijn van aan de werknemer toerekenbare verwijtbaarheid. Enkel de mate van verwijtbaar handelen of nalaten is bepalend voor de vraag of sprake is van een redelijke grond voor ontslag (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 7, p. 43). Er wordt getoetst aan de onwil of moedwil van de werknemer, niet aan diens onkunde of onmacht. Bij de beoordeling van het verzoek om ontbinding op de e-grond dienen alle omstandigheden in aanmerking te worden genomen.

4.6.

In deze zaak staat tussen partijen niet ter discussie dat er sprake is van onjuist ingediende reisdeclaraties. Derhalve hoeft de kantonrechter in deze zaak niet meer in te gaan op de vraag door wie en op welk moment die de declaraties zijn ingediend.
De consequenties die de Staat verbindt aan de onjuist ingediende reisdeclaraties, acht de kantonrechter echter een te rigide benadering in deze zaak. Zoals hiervoor reeds uiteen is gezet, moet bij de beoordeling of een ontbinding van de arbeidsovereenkomst is gerechtvaardigd, naar alle omstandigheden van het geval worden gekeken. De Staat heeft dat naar het oordeel van de kantonrechter niet, althans onvoldoende, gedaan.

4.6.1.

Uit zowel de verklaringen van [naam 2] als die van [verweerder] blijkt ondubbelzinnig dat [naam 2] [verweerder] heeft benaderd, in eerste instantie, om geld te lenen. Op enig moment heeft [naam 2] [verweerder] benaderd en voorgesteld om reisdeclaraties in te dienen ten einde op die manier extra geld te krijgen. [naam 2] zou dan als leidinggevende de declaraties fiatteren. Bovendien blijkt uit de verklaringen dat [naam 2] [verweerder] aangaf wat hij moest declareren. [naam 2] is dan ook de kwade genius achter deze frauduleuze praktijken en [verweerder] is daarin meegetrokken. [verweerder] heeft verklaard te hebben meegewerkt aan de declaraties omdat hij zich zwaar onder druk gezet voelde; er zou zelfs in het begin door [naam 2] gezegd zijn dat er sprake was van een dienstopdracht.
hield [verweerder] voor dat hij hem moest helpen, omdat anders het gezin van [naam 2] in gevaar zou zijn. [naam 2] verklaart dienaangaande ook dat hij [verweerder] had voorgelogen door te zeggen dat zijn vrouw ernstig ziek was. [naam 2] heeft aldus ingespeeld op de emoties van [verweerder] , die nota bene op dat moment zelf een zieke vrouw thuis had zitten, en waartegen [verweerder] op dat moment geen weerstand kon bieden. Bovendien blijkt uit overige verklaringen die BI bij het onderzoek heeft betrokken, waaronder de verklaring van de broer van [verweerder] , dat [verweerder] mensen altijd wilt helpen en daarbij niet kan inzien wanneer er misbruik van hem wordt gemaakt. Dat hier sprake van is geweest, is naar het oordeel van de kantonrechter evident. Op grond van het voorgaande en hetgeen zich hierover verder nog verder in het dossier bevindt acht de kantonrechter het meer dan aannemelijk dat [verweerder] door toedoen van zijn leidinggevende [naam 2] onder een dusdanige psychische druk is komen te staan dat hij niet bij machte was daar weerstand aan de bieden.

4.6.2.

Verder blijkt uit de stukken dat het [naam 2] was die telkens om geld bleef vragen. Weliswaar is er maar weinig correspondentie beschikbaar, maar uit de summiere informatie die beschikbaar is, blijkt dat [naam 2] [verweerder] meermaals benaderde en dat er daarbij om geld werd verzocht. Dit ontkent [naam 2] ook niet. Dat de situatie ernstig was blijkt wel uit het gegeven dat [naam 2] [verweerder] zelfs bij diens moeder opzocht en zelfs geld van de moeder van [verweerder] heeft geleend. Zelfs na uitdiensttreden van [naam 2] bleef [naam 2] [verweerder] – maar ook andere collega’s van [verweerder] – benaderen voor geld. Dit laat zien hoe berekenend en volhardend [naam 2] te werk ging en ook bleef gaan.

4.6.3.

De Staat hecht veel waarde aan de verklaring van [naam 2] dat het geld dat via de onterechte declaraties werd verkregen, door [verweerder] en [naam 2] werd gedeeld, hetgeen door [verweerder] ten stelligste en ook gemotiveerd wordt betwist. Door [verweerder] is reeds tijdens het onderzoek door BI kopieën verstrekt van zijn bankafschriften waaruit blijkt dat hij zeer regelmatig grote(re) bedragen cash op nam. [verweerder] verklaart dat hij het geld altijd aan [naam 2] cash moest geven en dit bevestigt [naam 2] ook. Er is zelfs een voorbeeld dat beide partijen aanhalen, waarbij [naam 2] € 590,00 overmaakt aan [verweerder] en waarbij [verweerder] dit bedrag pinde om aan [naam 2] te geven zodat de vrouw van [naam 2] hier niet achter zou komen. De enkele stelling derhalve van [naam 2] dat ook [verweerder] voordeel had bij de onterechte declaraties kan dan ook niet zonder nadere onderbouwing zomaar worden gevolgd en is daarmee niet komen vast te staan.

4.6.4.

Concluderend is de kantonrechter dan ook van oordeel dat [verweerder] zich weliswaar schuldig heeft gemaakt aan het indienen van onterechte reisdeclaraties, maar gelet op de omstandigheden van het geval kan dit handelen hem niet worden toegerekend. Het was niet [verweerder] die het initiatief nam voor wat betreft de onterechte declaraties maar zijn (voormalig) leidinggevende en bovendien stond hij onder aanhoudende druk van [naam 2] . Dit doet in zeer ernstige mate afbreuk aan de toerekenbaarheid en daarmee aan de verwijtbaarheid van de in het geding zijnde handelingen. Daarbij weegt in het voordeel van [verweerder] nog mede dat hij uiteindelijk zelf naar de directie van de PI is gestapt om zijn verhaal te doen. Dit had weliswaar eerder gekund, maar neemt niet weg dat [verweerder] dit op enig moment tóch heeft gedaan.

Hoewel feitelijk vaststaand rechtvaardigen de omstandigheden waaronder dit gebeurd is naar het oordeel van de kantonrechter niet de kwalificatie ernstig verwijtbaar handelen en is het verzoek op deze grond niet toewijsbaar.

Ontbinding op de g-grond

4.7.

De Staat verzoekt subsidiair ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW en stelt ter onderbouwing van dit verzoek dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord. [verweerder] heeft door zijn handelwijze het vertrouwen beschaamd en daarbij verwijt de Staat hem dat hij (te) lang heeft gewacht om de onterechte declaraties op te biechten.

4.8.

Bij de vraag of de arbeidsovereenkomst moet worden beëindigd vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, is van belang dat het moet gaan om een zodanige verstoorde arbeidsverhouding dat van de werkgever in redelijkheid niet meer kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij is het niet nodig dat aan één van partijen in overwegende mate een verwijt kan worden gemaakt. Voor toewijzing van een verzoek tot ontbinding op deze grond moet genoegzaam vast komen te staan dat er geen basis meer is voor verdere instandhouding van de arbeidsovereenkomst. De verhouding met dus niet alleen ernstig maar ook duurzaam zijn verstoord.

4.9.

De kantonrechter begrijpt dat het gegeven dat [verweerder] onterechte reisdeclaraties heeft ingediend met zich brengt dat er sprake is van een vertrouwensbreuk. Maar ook hier miskent de Staat dat [verweerder] niet op eigen initiatief heeft gehandeld, maar in opdracht van en onder psychische druk van [naam 2] . [naam 2] heeft in dit verband te gelden als (voormalig) leidinggevende van [verweerder] en is daarmee ook onlosmakelijk verbonden met het begrip werkgever.
Niet valt in te zien dat indien de Staat zich daartoe zou inspannen, normalisatie van de arbeidsverhoudingen in de rede zou liggen. Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan het extra laten controleren van eventuele reisdeclaraties die door (of namens) [verweerder] worden ingediend of eventueel het zelfs tijdelijk ontzien van [verweerder] bij het maken van reizen waarvoor een declaratie mag worden ingediend. Uit de bijgevoegde verklaringen bij het rapport van BI blijkt bovendien dat collega’s graag met [verweerder] samenwerken en ook uit de verslagen van de functioneringsgesprekken blijkt dat [verweerder] naar behoren functioneerde. Zonder nadere inspanningen om te komen tot normalisatie van de arbeidsverhoudingen, acht de kantonrechter het nog te prematuur voor het oordeel dat er sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat enkel ontbinding van de arbeidsovereenkomst nog in de rede ligt.

Herplaatsingsverplichting

4.10.

Nu is komen vast te staan dat geen sprake is van een voldragen ontslaggrond in de zin van artikel 7669 lid 3 BW, kan beantwoording van de vraag of op de Staat een herplaatsingsplicht rust en of daarin is voldaan, in beginsel achterwege blijven. Toch merkt de kantonrechter – ten overvloede – nog het volgende op. Op de Staat rust een inspanningsverplichting om te onderzoeken of herplaatsing van [verweerder] in de rede ligt. Uit de stukken alsmede tijdens de mondelinge behandeling heeft de Staat zich op het standpunt gesteld dat herplaatsing niet aan de orde is vanwege de gedragingen die [verweerder] worden verweten. De Staat heeft aldus geen (begin van) onderzoek verricht, terwijl niet onaannemelijk is dat binnen de Staat, die te gelden heeft als grote werkgever, op redelijke termijn een andere functie voor [verweerder] beschikbaar zou kunnen komen. Daarbij kan worden gedacht aan werkzaamheden waarbij [verweerder] geen reisdeclaraties hoeft in te dienen. Er bestond verder geen beletsel om hiernaar onderzoek te doen. Nu de Staat dit niet heeft gedaan kan de kantonrechter ook om die reden niet tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst overgaan.

Verzoek grond van artikel 7:686a lid 3 BW

4.11.

Op grond van het bepaalde in artikel 7:686a lid 3 BW kunnen in gedingen die betrekking hebben op het einde van de arbeidsovereenkomst ook daarmee verband houdende vorderingen worden ingeleid met een verzoekschrift.

4.12.

In het onderhavige geval is geen sprake van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Ook indien hiervan wel sprake zou zijn, dan nog kan de Staat niet worden ontvangen in haar verzoek. De Staat vordert namelijk betaling van € 27.809,55 ter zake de onverschuldigd betaalde reisdeclaraties c.q. schade voor ten onrechte betaalde reisdeclaraties. Dit betreft derhalve geen vordering die verband houdt met het einde van de arbeidsovereenkomst maar uit onrechtmatige daad, dan wel onverschuldigde betaling. De grondslag van die vordering vloeit niet voort uit de arbeidsovereenkomst. Het gegeven dat de onterechte reisdeclaraties aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd, betekent niet dat de betreffende (aansprakelijkheids)vorderingen daarmee (voldoende) verband houden.

4.13.

De kantonrechter kan dan ook niet anders dan concluderen dat het ingediende verzoek niet voldoet aan het bepaalde in artikel 7:686a lid 3 BW. Daarmee is de vordering verkeerd ingeleid en had – gelet op de hoogte van de vordering – in een dagvaardingsprocedure aan de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de afdeling burgerlijk recht van deze rechtbank Limburg, zittingslocatie Roermond ter beoordeling voorgelegd moeten worden. In dat geval schrijft artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor dat de kantonrechter beveelt dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt, zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure. De Staat zal in de gelegenheid worden gesteld om het inleidende processtuk te verbeteren en/of aan te vullen. De kantonrechter zal de zaak daarvoor verwijzen naar de civiele rol van de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de afdeling burgerlijk recht van deze rechtbank Limburg, zittingslocatie Roermond, van 9 september 2020 te 10.00 uur.

4.14.

Nu [verweerder] zowel schriftelijk alsook ter zitting op de schadevordering van de Staat heeft gereageerd, hoeft hij niet meer bij exploot in deze procedure te worden opgeroepen om te verschijnen. [verweerder] zal wel na indiening van het aangepaste inleidende processtuk in de gelegenheid worden gesteld om nader inhoudelijk op de schadevordering te antwoorden.

4.15.

De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [verweerder] worden tot op heden begroot op € 720,00.

5 De beslissing

De kantonrechter

Ten aanzien van het ontbindingsverzoek

5.1.

wijst de verzochte ontbinding door de Staat af,

5.2.

veroordeelt de Staat in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 720,00,

5.3.

verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenvergoeding uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders verzochte af,

Ten aanzien van het verzoek tot veroordeling van [verweerder] tot betaling van € 27.809,55

5.5.

verklaart zich onbevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen,

5.6.

beveelt dat de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, wordt voorgezet kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de afdeling burgerlijk recht van deze rechtbank Limburg, zittingslocatie Roermond, volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure,

5.7.

verwijst de zaak naar de rol van 9 september 2020 voor indiening van een aangepast inleidend processtuk aan de zijde van de Staat, waarna [verweerder] in de gelegenheid zal worden gesteld daarop te antwoorden,

5.8.

deelt mede dat partijen in het vervolg van deze procedure alleen kunnen procederen bij advocaat,

5.9.

wijst de Staat erop dat na verwijzing een verhoogd griffierecht verschuldigd is, dat deze verhoging kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat deze verhoging binnen 4 weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie zijn gestort,

5.10.

wijst [verweerder] erop dat na verwijzing griffierecht verschuldigd is, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat het griffierecht binnen 4 weken na voormelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie zijn gestort,

5.11.

wijst [verweerder] erop dat van een persoon die onvermogend is, een lager griffierecht wordt geheven, indien hij op het tijdstip waarop het griffierecht wordt geheven heeft overgelegd:

1º. een afschrift van het besluit tot toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, of indien dit niet mogelijk is ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan hem zijn toe te rekenen, een afschrift van de aanvraag om een toevoeging dan wel

2º. een inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand ten behoeve van vermindering van griffierechten (zonder gebruikmaking van een toevoeging); zie www.rvr.org; bij meerdere gedaagden: wijst gedaagden erop dat van hen slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht wordt geheven, indien zij bij dezelfde advocaat verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen of gelijkluidend verweer voeren.

5.12.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: SM/ph

coll: