Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:5624

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-05-2020
Datum publicatie
30-07-2020
Zaaknummer
8410222 AZ VERZ 20-34
Rechtsgebieden
Civiel recht
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet ambtenaar wegens betrokkenheid bij hennepkwekerijen. Verzoek vernietiging ontslag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0913
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: 8410222 AZ VERZ 20-34

Beschikking van de kantonrechter van 27 mei 2020

in de zaak van

[verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] ,

wonend in [woonplaats] aan de [adres 1] ,

verzoekende partij,

verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek

gemachtigde mr. S.X.J. Zuidema

tegen

de staat der nederlanden, het ministerie van infrastructuur en waterstaat , in het bijzonder Rijkswaterstaat,

zetelend in Den Haag aan de Rijnstraat 8,

verwerende partij,

verzoeker in het voorwaardlijk tegenverzoek

gemachtigde mr. A.J.A. Tesson.

Partijen worden hierna [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] en RWS genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 24 maart 2020 per e-mail ter griffie ontvangen verzoekschrift met bijlagen, tevens incidenteel verzoek ex art. 223 Rv, en de op 23 april 2020 en 11 mei 2020 van de zijde van [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] ter griffie ontvangen nagekomen bijlagen

  • -

    het verweerschrift, tevens voorwaardelijk tegenverzoek, eveneens met bijlagen

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 12 mei 2020.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] was tot 27 januari 2020 werkzaam binnen het organisatieonderdeel Zuid-Nederland van RWS, laatstelijk in de functie van [functienaam 1] tegen een loon van ongeveer € 5.000,00 bruto per maand.

2.2.

Op 12 juni 2017 is door de (Belgische) politie een inval gedaan in de woning van [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] in verband met een onderzoek naar zijn betrokkenheid bij verschillende hennepplantages. Aansluitend heeft [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] tot 13 oktober 2017 (vier maanden) in voorlopige hechtenis gezeten in de gevangenis van Lantin (België), waarna hij op 13 oktober 2017 onder voorwaarden is vrijgelaten in afwachting van het strafrechtelijk onderzoek.

2.3.

Op 23 oktober 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] , zijn toenmalige leidinggevende [naam sub 1] , [naam sub 2] ( [functienaam 2] ) en [naam sub 3] ( [functienaam 3] ). Het doel van het gesprek was om [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] in de gelegenheid te stellen tekst en uitleg te geven over zijn voorlopige hechtenis en de redenen daarvoor. Een verslag van dat gesprek is als bijlage 21 door RWS in het geding gebracht.

2.4.

Tijdens het gesprek op 23 oktober 2017 is aan [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] medegedeeld dat een integriteitsonderzoek conform het Protocol Integriteitsonderzoek Rijkswaterstaat (bijlage 22) zal worden gestart, hetgeen vervolgens bij brief van 31 oktober 2017 nogmaals aan [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] is medegedeeld. De inhoud van die brief is vervolgens in een gesprek op 2 november 2017 nader toegelicht. Van dat gesprek is eveneens een verslag gemaakt (bijlage 24)

2.5.

Genoemd integriteitsonderzoek is vervolgens aangevangen met een gesprek op

14 november 2017 tussen [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] en twee onderzoekers. Het verslag van dat gesprek is als bijlage 2 in het geding gebracht.

Op 25 januari 2018 heeft een tweede gesprek met dezelfde onderzoekers plaatsgevonden, waarvan eveneens een verslag is op gemaakt, dat als bijlage 3 in het geding is gebracht.

2.6.

Het eindrapport van het integriteitsonderzoek d.d. 15 februari 2018 is als bijlage 25 in het geding gebracht. Geconcludeerd werd dat er op dat moment geen directe aanwijzingen waren gevonden voor integriteitsschendingen binnen de arbeidsrelatie.

2.7.

Op 1 augustus 2018 heeft [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] een schriftelijke verklaring afgelegd die voor zover hier relevant als volgt luidt:

“In het kader van het onderzoek door de Belgische Justitie naar de teelt, bezit en handel in

verdovende middelen, cannabisplantages in Belgische Limburg vraag ik aandacht voor het volgende: In dit onderzoek word ik verdacht, als dader/mededader, van Inbreuken op de wetgeving

verdovende middelen en psychotropische stoffen.

Het is niet in te schatten wanneer dit onderzoek wordt afgesloten en of er naar aanleiding hiervan een aanklacht zal volgen. Het is daarom ook niet in te schatten wanneer het dossier voor de rechtbank komt en een vonnis hierover wordt uitgesproken. Vooruitlopend op dit vonnis kan ik, [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] , geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende [adres 1] , [woonplaats] , bij wijze van deze brief in elk geval verklaren dat ik:

- voordien nog nooit met Justitie in aanraking ben geweest;

nooit een plantage heb gehad in mijn woning;

  • -

    nooit ook maar een gram van welke soort van drugs dan ook bij mij is aangetroffen;

  • -

    op de hoogte was dat een aantal mensen die ik ken zich bezighielden met cannabis. Het

Justitieel onderzoek voor mijn deel erop is gericht om te bepalen wat mijn rol/aandeel was;

  • -

    zelf nooit in ook maar een plantage fysiek aanwezig ben geweest;

  • -

    niet op welke andere manier dan ook me ooit bezig heb gehouden met illegale en/of

criminele activiteiten.

  • -

    mij er terdege van bewust ben, dat het door mij in opdracht van Rijkswaterstaat verrichten van tijdelijke werkzaamheden, slechts in afwachting is van de uitspraak van de Belgische rechter;

  • -

    mij er terdege van bewust ben, dat na de uitspraak van de Belgische rechter, het

Rijkswaterstaat vrij staat om op basis van die uitspraak, indien nodig, een passende

disciplinaire straf op te leggen. Daarbij worden door Rijkswaterstaat, ondanks de tijdelijk opgedragen werkzaamheden, alle opties open gehouden.

Volgens [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] (onder punt 12 van zijn verzoekschrift) heeft hij deze verklaring op eigen initiatief opgesteld. RWS stelt dat het opstellen van een verklaring over zijn rol in de betreffende onderzoek een door haar gestelde voorwaarde was om [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] zijn werk weer te laten hervatten.

2.8.

Partijen hebben afspraken gemaakt over werkhervatting door [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] , neergelegd in een brief van 3 september 2018 aan [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] (bijlage 26). Vervolgens zijn nog nadere afspraken gemaakt tijdens een gesprek op 20 november 2018, welke zijn opgenomen in een brief van 26 november 2018 (bijlage 6). Uit die brief worden de volgende passages aangehaald:

“Indien het vonnis van de Belgische Justitie in uw nadeel anders uitwijst dan 1) u aangeeft te verwachten en/of 2) de door u getekende verklaring over uw situatie/rol in het kader van het onderzoek door de Belgische Justitie naar de teelt, bezit en handel in verdovende middelen, cannabisplantages in Belgisch Limburg niet naar waarheid blijkt te zijn (...) zal ik vanwege de twee als eerste genoemde omstandigheden onmiddellijk overgaan tot schorsing(...)

Ik zal in elk van de drie hiervoor bedoelde situaties nagaan, welke disciplinaire straf daarbij door mij als evenredig aangemerkt kan orden (artikel 81). De zwaarste straf is die van ontslag. Zoals herhaaldelijk met u gecommuniceerd is, zal ontslag bij wijze van straf niet te voorkomen zijn als het vonnis van de Belgische Justitie de u ten laste gelegde gedragingen u zal toerekenen als zijnde door u gepleegd."

2.9.

In afwachting van het vonnis van de Belgische strafrechter heeft [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] vanaf december 2018 zijn werkzaamheden hervat, eerst deels vanuit thuis.

2.10.

Bij brief van 15 november 2019 is aan [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] te kennen gegeven dat de grondslag van zijn rechtspositie, te weten een aanstelling, op grond van de Wnra per 1 januari 2020 wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst.

2.11.

De strafzittingen in België hebben plaatsgevonden op 27 november 2019 en op

11 december 2019. De eerste conclusie ten behoeve van de zitting van 27 november 2019 is als bijlage 18 door [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] in het geding gebracht. Volgens die conclusie heeft [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] zijn betrokkenheid bij drie hennepplantages, een in [plaats 1] en twee in [plaats 2] , erkend en heeft hij de plantage in [plaats 1] gefinancierd. In zijn eigen slotpleidooi ten behoeve van de laatste zitting van 11 december 2019 (bijlage 17) heeft [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] onder meer het navolgende verklaard:

Wat ik wel begrijp is waarom ik hier sta. Ik ben betrokken bij 3 plantages, namelijk die van [naam 1] , [namen 2] en [namen 3] . Ik heb foute keuzes gemaakt, waar ik enorm veel spijt van heb en ik neem verantwoordelijkheid voor mijn aandeel en aanvaard daarvan de consequenties.

Een kopie van dat slotwoord heeft [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] voorafgaand aan de zitting aan zijn leidinggevende [naam 2] , die bij de zitting aanwezig was, overhandigd.

2.12.

Op 15 januari 2020 heeft de Belgische Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, sectie correctioneel, vonnis gewezen (bijlage 9). Daarbij is [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] - naast elf medeverdachten - veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden en zijn hem verschillende geldboetes opgelegd, naast een verbeurdverklaring van een vermogensvoordeel van € 94.110,00. Volgens de Rechtbank stond niet ter discussie dat [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] - kort samengevat - een leidinggevende rol had in een netwerk van hennepplantages.

In het vonnis, waarin [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] als ‘eerste beklaagde’ wordt aangemerkt, staat op pagina 25 onder meer en voor zover hier van belang het navolgende vermeld:

Eerste beklaagde geeft toe in bepaalde mate betrokken te zijn geweest bij de volgende plantages,

doch nooit als leider van een vereniging waarvan de hoofd-of bijkomende activiteit het opzetten en uitbaten betreft van cannabisplantages m.o.o. de verkoop van de geoogste cannabis, namelijk :

- plantage te [plaats 1] aangetroffen in de woning van vierde beklaagde en waarvan eerste beklaagde erkent de geldschieter te zijn geweest en als dusdanig schuldig te zijn aan de

tenlasteleggingen B.1, C.3, E.1en K.1;

- plantage te [plaats 2] , [adres 2] in de woning van zevende en achtste beklaagde en waarvan eerste beklaagde erkent te hebben geholpen bij het verwerven van de dienstige

materialen en als dusdanig schuldig te zijn aan de tenlasteleggingen A.2, C.2, D.2, K.3;

- plantage te [plaats 2] , [adres 3] en waarvan eerste beklaagde zijn betrokkenheid erkent zonder zijn precieze rol verder te specifiëren en als dusdanig zijn schuld toegeeft aan de

tenlasteleggingen B.3, C.5, E.3 en K.4.

Wat betreft het illegaal aftakken van de stroom verwijst de rechtbank naar de verklaringen van

achtste beklaagde - en waarvan eerste beklaagde de geloofwaardigheid overigens niet betwist -

die hierover verklaarde dat eerste beklaagde hiervoor mensen regelde uit de buurt van Heerlen­ Brunssum en dat dit ‘op voorhand werd besproken met al die anderen die een plantage hadden'.

Tijdens zijn verhoor van 29 juni 2017 bevestigde eerste beklaagde - zij het op dat ogenblik enkel met

betrekking tot de plantage bij zevende en achtste beklaagde - dat hij iemand had aangesproken voor de aftakking van de elektriciteit en het knippen van de knoppen.”

2.13.

Bij brief van 20 januari 2020 heeft RWS [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] geschorst in de uitoefening van zijn functie. Uit de brief wordt de navolgende passage aangehaald:

“Geachte heer [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] ,

Hierbij vraag ik uw nadrukkelijke aandacht voor het volgende: de Rechtbank te Tongeren heeft op 15 januari 2020 uitspraak gedaan In uw strafproces. Daarbij bent u door de rechter veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf [ 40 maanden] en een zeer aanzienlijke geldboete.

Ik verwijs u voor alle verdere details naar het vonnis.

Zoals u begrijpt heeft Rijkswaterstaat geen rekening gehouden en/of kunnen houden met een veroordeling, zoals die thans aan de orde is. Sprake is van een zeer zware straf.

U heeft bij herhaling aangegeven, waaronder op aanvraag ook schriftelijk bevestigd, dat uw rol in de kwestie, die door de Belgische rechter onderzocht werd en waarvoor u eerder in België enkele maanden in voorlopige hechtenis gezeten heeft, te verwaarlozen zou zijn. Hetgeen naar u dat deed voorkomen als vanzelfsprekend zou volgen uit het vonnis.

2.14.

Vervolgens is [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] door RWS bij brief van 27 januari 2020 op staande voet ontslagen. Uit de brief worden de navolgende passages aangehaald:

“(…) U bent met onmiddellijke ingang ontslagen uit uw dienstbetrekking. De dringende reden voor het ontslag op staande voet bestaat uit de inhoud van het vonnis van de rechtbank Limburg te België en de daarin vervatte strafrechtelijke veroordeling van u tot (onder meer) een gevangenisstraf van 40 maanden, mede afgezet tegen uw eerdere verklaringen. Ter toelichting deel ik u het volgende mee.

Van 12 juni 2017 tot 13 oktober 2017 heeft u in voorlopige hechtenis gezeten op verdenking van (kort gezegd) teelt, bezit en handel in verdovende middelen. Rijkswaterstaat heeft naar aanleiding hiervan zelf onderzoek gedaan, onder meer op uw laptop en telefoon. Daaruit is niet duidelijk geworden dat u de feiten waarvan u werd verdacht heeft gepleegd.

U bent zelf in het kader van het onderzoek gehoord en ontkende betrokkenheid bij het plegen van strafbare feiten. U heeft dat schriftelijk, in een verklaring van 1 augustus 2018, bevestigd. Daarin verklaart u onder meer: "niet op welke manier dan ook me ooit bezig heb gehouden met illegale en/of criminele activiteiten”

Naar aanleiding van het onderzoek en uw verklaring(en), is besloten om u weer geleidelijk tot het werk toe te laten. Dit is per brief van 3 september 2018 aan u bevestigd. In die brief, in uw verklaring van 1 augustus 2018 en in vervolgcorrespondentie is herhaaldelijk vastgelegd dat de nog te volgen uitspraak van de Belgische rechter (alsnog) kan leiden tot sancties. (…)

Uit zorgvuldige bestudering van het vonnis van de rechtbank blijkt mij inmiddels voldoende dat u betrokken bent geweest bij de exploitatie van hennepkwekerijen en dat u zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten.

U bent samen met 11 andere verdachten veroordeeld. U bent daarbij door de rechtbank aangemerkt als de leidinggevende van een professionele bende die hennepkwekerijen exploiteerde bij kwetsbare mensen met financiële problemen. Uit het vonnis blijkt onder meer:

dat niet voor discussie vatbaar is dat u een leidinggevende functie had;

dat u in ieder geval betrokkenheid bij enkele plantages heeft erkend;

dat in uw huis materialen zijn g.evonden ten behoeve· van de kweek van hennep;

dat loonstroken van Rijkswaterstaat werden gebruikt om een huis te kunnen huren;

Ik laat het in het kader van deze brief bij deze opsomming van voorbeelden, die niet uitputtend is. Voor de overige inhoud verwijs ik naar het vonnis, dat voor zich spreekt.

Ik moet voorts concluderen dat u eerder in strijd met de waarheid heeft verklaard toen u aangaf dat u zich nooit heeft bezig gehouden met illegale of criminele activiteiten.

Het is u bekend, dat aan u als ambtenaar van het Rijk hoge eisen worden gesteld voor wat betreft uw integriteit en betrouwbaarheid. Hoewel de handelingen waarvoor u veroordeeld bent zich in de privésfeer voltrekken, gaat het om handelingen die een inbreuk maken op het vertrouwen en het aanzien van de verheid. Daar komt bij dat door uw handelen het vertrouwen in u als ambtenaar onherstelbaar is geschaad, niet alleen door de ernstige vergrijpen waarvoor u bent veroordeeld en omvang van die veroordeling, maar ook door de achteraf onjuist gebleken ontkenning van hetgeen waarvoor u veroordeeld bent. Deze gedragingen vormen ieder op zich maar zeker in onderling verband beschouwd een dringende eden voor ontslag op staande voet op.

3 Het verzoek en het voorwaardelijke tegenverzoek

3.1.

[verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] verzoekt primair, kort gezegd, vernietiging van het ontslag op staande voet, wedertewerkstelling en doorbetaling van zijn loon inclusief rente en verhoging, onder verwijzing van RWS in de proceskosten met rente en de nakosten.

Subsidiair verzoekt hij “voor het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst mocht ontbinden” (daarbij dan kennelijk doelend op de situatie dat de kantonrechter het ontslag op staande voet vernietigt èn anticiperend op een tegenverzoek van RWS om in dat geval tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan) doorbetaling van het loon tot aan de ontbinding onder toewijzing van de transitievergoeding met rente en een billijke vergoeding van € 25.000,00 met rente, eveneens onder verwijzing van RWS in de proceskosten met rente en de nakosten.

3.2.

Daarnaast vordert [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] bij wijze van onmiddellijke voorziening ex art 223 Rv doorbetaling van het loon tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd.

3.3.

Volgens [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] is er geen sprake van een dringende reden voor de onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst. Hij heeft wel enige rol (punt 55 verzoekschrift) gehad (in de exploitatie van de hennepplantages) maar hem kan daarin geen leidinggevende rol toebedeeld worden. Zijn handelen vond geheel plaats in de privésfeer en zonder gebruik van overheidsmiddelen. [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] ontkent - kort gezegd - voor een belangrijk deel schuldig te zijn aan hetgeen waarvoor hij door de Belgische strafrechter is veroordeeld en hij heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. Het belang van RWS bij het ontslag weegt minder zwaar dan het belang van [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] bij voortduring van de arbeidsovereenkomst, aldus [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] .

Volgens [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] is bovendien niet aan het vereiste van onverwijldheid voldaan omdat hij ‘van meet af aan open kaart’ heeft gespeeld richting RWS over zijn rol in hetgeen waarvan hij door de Belgische justitie werd verdacht. In ieder geval wist RWS sinds de zittingen op 27 november 2019 en 11 december 2019, waar medewerkers van RWS bij aanwezig waren, wat zijn aandeel (volgens hemzelf) was geweest, nu dat op die zittingen door en namens hem naar voren is gebracht. Onder die omstandigheid kan van een onverwijld ontslag op 27 januari 2020 niet meer worden gesproken, aldus [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] .

3.4.

Voor het geval de opzegging wordt vernietigd, vordert RWS op haar beurt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair op grond van verwijtbaar handelen (e- grond) van de zijde van [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] , subsidiair op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), meer subsidiair op grond van de combinatiegrond (i-grond), en indien op een van de subsidiaire gronden wordt ontbonden om de transitievergoeding op € 23.745,12 vast te stellen en te bepalen dat bij ontbinding van één van genoemde gronden geen billijke vergoeding verschuldigd is, een en ander onder veroordeling van [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

Nu reeds aanstonds in het bodemgeschil wordt beslist, zal aan de vordering tot het treffen van een onmiddellijke voorziening ex art. 223 Rv voor de duur van het geding voorbijgegaan worden, nu [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] daar geen belang meer bij heeft.

4.2.

Centraal in dit geding staat het antwoord op de vraag of de betrokkenheid van [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] bij de onderhavige hennepplantages een dringende reden vormt in de zin van art. 7:678 BW en of RWS de arbeidsovereenkomst onverwijld heeft opgezegd en van de reden daarvoor onverwijld mededeling heeft gedaan (zoals volgens dat artikel is vereist).

4.3.

Ten aanzien van het onverwijldheidsvereiste wordt als volgt overwogen.

[verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] verwijt RWS in dit kader dat zij niet meteen dan wel kort na de zittingen van

27 november 2019 en 11 december 2019 tot opzegging van de arbeidsovereenkomst is overgegaan omdat zij in ieder geval bij die gelegenheden op de hoogte is geraakt van het (erkende) aandeel van [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] bij de hennepplantages. Ter zitting heeft RWS te dien aanzien aangevoerd dat ten tijde van de re-integratie in 2018 met [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] was afgesproken (althans: door RWS aan [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] was medegedeeld) dat het vonnis van de Belgische strafrechter zou worden afgewacht alvorens zij zou beslissen over een al dan niet op te leggen disciplinaire straf en dat zij om die reden die afspraak ook gestand wilde doen, hetgeen de kantonrechter niet onbegrijpelijk voorkomt. Dat de betreffende medewerkers van RWS die kennis hadden genomen van het slotwoord van [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] in de strafzaak niet wisten wat zij van de plotselinge ommezwaai van [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] moesten denken en die niet konden rijmen met het beeld dat [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] in de jaren daarvoor jegens hen had geschetst zodat RWS daarom toch maar het vonnis heeft afgewacht, zoals ter zitting is aangevoerd, acht de kantonrechter eveneens niet onbegrijpelijk.

Dát sprake was van een ommezwaai is door [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] overigens - maar tevergeefs - betwist. Zijn stelling, inhoudende dat hij van meet af aan open kaart heeft gespeeld, vindt geen steun in de processtukken. Zijn verklaring zoals onder r.o. 2.7 is aangehaald, komt in dit opzicht berekenend over en blinkt uit in nietszeggende frases over hetgeen hij allemaal niet gedaan heeft. Wat echter vooral opvalt, is dat wat er niet in staat: namelijk wat hij wèl gedaan heeft.

Het vonnis van de Belgische strafrechter dateert van 15 januari 2020. In het kader van de zorgvuldigheid is niet onbegrijpelijk dat RWS, alvorens tot ontslag over te gaan, [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] eerst - zoals zij heeft gedaan - te schorsen en enkele dagen de tijd heeft genomen om zich te beraden over de te volgen stap. Al met al acht de kantonrechter het op 27 januari 2020 gegeven ontslag onder de gegeven omstandigheden onverwijld, zodat het verweer van RWS op dit punt slaagt.

4.4.

Uitgaande van de door [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] erkende betrokkenheid bij drie hennepplantages zoals onder r.o. 2.12 omschreven, was zonder meer sprake van een dringende reden voor RWS om de arbeidsovereenkomst met [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] op te zeggen. Het plegen van dergelijk ernstige strafbare feiten door een werknemer zal ook voor menig burgerlijke werkgever een dringende reden opleveren voor ontslag op staande voet omdat de werknemer daarmee het vertrouwen van zijn werkgever onwaardig wordt, maar dat geldt zelfs in nog grotere mate indien - zoals in het onderhavige geval - die werkgever een overheidsorgaan is en de betreffende werknemer een ambtenaar. De verplichting van een ambtenaar om zich zowel in als buiten diensttijd te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt (zoals neergelegd in art. 6 van de Ambtenarenwet 2017) - waartoe het zich onthouden van het plegen van strafbare feiten behoort - is door zijn betrokkenheid bij de onderhavige hennepplantages in grove mate geschonden. Het verzoek kan dan ook niet slagen.

4.5.

Nu het verzoek van [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] wordt afgewezen, behoeven de voorwaardelijke tegenverzoeken van RWS geen bespreking.

4.6.

[verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van RWS tot de datum van dit vonnis begroot op € 720,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst het verzoek van [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] af;

5.2.

veroordeelt [verzoekende partij, verweerder in het voorwaardelijk tegenverzoek] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van RWS tot de datum van dit vonnis begroot op € 720,00;

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.

RK