Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:5470

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
28-07-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1108 + AWB - 18 _ 1552 + AWB - 18 _ 2760 + AWB - 18 _ 2841
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft uitspraak op het beroep tegen de weigering de begunstigingstermijn van een dwangsombesluit te verlengen (besluit 1), tegen de oplegging van een last onder bestuursdwang (besluit 2), tegen een invorderingsbesluit (besluit 3) en tegen een last onder bestuursdwang en een preventieve last onder dwangsom (besluit 4).

De rechtbank verklaart het beroep tegen besluit 1 ongegrond. Het dwangsombesluit staat in rechte vast en op grond van de last was duidelijk wat eisers moesten doen, namelijk de door hen vernielde asfaltverharding herstellen. De daartoe gestelde begunstigingstermijn was toereikend. In deze procedure is alleen aan de orde of het voor eisers niet mogelijk was om tijdig aan de last te voldoen. De rechtbank is van oordeel eisers niet de inspanning hebben verricht die van hen mocht worden verwacht en dat de door eisers gestelde onmogelijkheid om tijdig aan de last te voldoen toerekenbaar door henzelf is veroorzaakt nu zij te lang hebben gewacht met uitvoeren van de last.

De rechtbank verklaart ook het beroep tegen besluit 2 ongegrond. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eisers op de laatste dag van de termijn aangebrachte asfaltverharding niet voldeed en dat niet tijdig aan de last onder dwangsom is voldaan. Verweerder was daarom bevoegd om eisers dezelfde last, ditmaal onder bestuursdwang, op te leggen.

De rechtbank verklaart ook het beroep tegen besluit 3 ongegrond. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eisers de dwangsom hebben verbeurd omdat zij niet tijdig aan de last onder dwangsom hebben voldaan nu de op de laatste dag van de begunstigingstermijn aangebrachte asfaltverharding niet voldeed. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat de bevoegdheid tot invordering niet was verjaard. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat er bijzondere omstandigheden waren om van (volledige) invordering af te zien.

De rechtbank verklaart het beroep tegen besluit 4 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij een preventieve last onder dwangsom is opgelegd om elke nieuwe vorm van belemmering van de openbaarheid van de weg door het plaatsen of geplaatst houden van voorwerpen, veroorzaakt door derden, te verwijderen en verwijderd te houden. De rechtbank is van oordeel dat dit onderdeel van de last te verstrekkend is omdat een last alleen aan de overtreder kan worden opgelegd.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder terecht een last onder bestuursdwang heeft opgelegd om de door eisers op de openbare weg geplaatste legio-blokken te verwijderen en verwijderd te houden en tevens terecht een preventieve last onder dwangsom heeft opgelegd om elke (nieuwe) vorm van belemmering door eisers van de openbaarheid van de weg door het plaatsen of geplaatst houden van voorwerpen van welke aard dan ook, achterwege te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

[RECHTBANK] LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummers: ROE 18 / 1108, ROE 18 / 1552, ROE 18 / 2760 en ROE 18 / 2841

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2020 in de zaken tussen

[eiseres (handelsnaam)] en [eiser] , te [plaatsnaam], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2017 heeft verweerder het verzoek van eisers om verlenging van de begunstigingstermijn van de bij besluit van 28 juli 2015 aan hen opgelegde last onder dwangsom, afgewezen.

Bij besluit van 3 april 2018 (hierna: bestreden besluit 1) heeft verweerder het door eisers tegen het besluit van 18 december 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld (zaaknummer ROE 18/1108). Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, die bij brief van 11 juni 2018 de beroepsgronden heeft ingediend.

Bij besluit van 7 februari 2018 heeft verweerder aan eisers een last onder bestuursdwang opgelegd.

Bij besluit van 28 mei 2018 (hierna: bestreden besluit 2) heeft verweerder het door eisers tegen het besluit van 7 februari 2018 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen bestreden besluit 2 beroep ingesteld (zaaknummer ROE 18/1552). Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. Th.J.H.M. Linssen, voornoemd, die bij brief van 2 augustus 2018 de beroepsgronden heeft ingediend.

Bij besluit van 12 maart 2018 heeft verweerder ten aanzien van eisers een invorderingsbesluit genomen.

Bij besluit van 2 mei 2018 heeft verweerder tevens de verschuldigde wettelijke rente vastgesteld en ingevorderd.

Bij besluit van 27 september 2018 (hierna: bestreden besluit 3) heeft verweerder het door eisers tegen de besluiten van 12 maart 2018 en 2 mei 2018 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen bestreden besluit 3 beroep ingesteld (zaaknummer ROE 18/2760). Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. Th.J.H.M. Linssen, voornoemd, die bij brief van 12 december 2018 de beroepsgronden heeft ingediend.

Bij besluit van 5 april 2018 heeft verweerder aan eisers een last onder bestuursdwang en een preventieve last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 9 oktober 2018 (hierna: bestreden besluit 4) heeft verweerder het door eisers tegen het besluit van 5 april 2018 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen bestreden besluit 4 beroep ingesteld (zaaknummer ROE 18/2841). Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. Th.J.H.M. Linssen, voornoemd, die bij brief van 14 december 2018 de beroepsgronden heeft ingediend.

Verweerder heeft de stukken die op de zaken betrekking hebben ingezonden en heeft in alle zaken verweer gevoerd.

Namens de derde-partij heeft mr. drs. W.J.W. van Eijk, advocaat te ’s-Hertogenbosch, een schriftelijke uiteenzetting over de zaken gegeven.

Eisers hebben aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2020, waar eiser [naam 1] is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers, alsook door diens kantoorgenoot mr. E.H.E.J. Wijnen en ing. M.G. Rosenbrand. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Barentsen, werkzaam bij de gemeente. Voorts is de derde-partij, vertegenwoordigd door [naam 2] , verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is – buiten bezwaar van de overige partijen – door verweerder een nader stuk ingezonden.

Overwegingen

1. [eiseres] exploiteert aan [adres 1] een metaalverwerkingsbedrijf. De derde-partij exploiteert op een naastgelegen perceel aan [adres 2] een soortgelijk bedrijf. Ten behoeve van de ontsluiting van hun bedrijven en de [straatnaam] is door Rijkswaterstaat een keerlus aangelegd op het perceel kadastraal bekend Haelen, [sectieletter] , [sectienummer] (hierna: [perceel 1] ). [voornoemd perceel] is sinds 6 juli 2012 eigendom van [eiseres] Door of namens eisers is een deel van de asfaltverharding van de keerlus op perceel 2091 ter hoogte van de beide bedrijven verwijderd.

1.1.

Naar aanleiding hiervan heeft verweerder eisers bij besluit van 28 juli 2015 een last onder dwangsom opgelegd, strekkende tot het in de oude staat herstellen van de vernielde asfaltverharding, omdat zij in strijd met artikel 2.11 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Leudal (hierna: de APV) de weg hebben opengebroken. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 2 december 2015 ongegrond verklaard. Daartegen hebben eisers bij deze rechtbank beroep ingesteld.

1.2.

Bij uitspraak van 15 november 2016 is dit beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 december 2015 vernietigd en het besluit van 28 juli 2015 herroepen. Tegen deze uitspraak hebben verweerder en de derde-partij hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling).

1.3.

Bij uitspraak van 22 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3221) heeft de Afdeling – voor zover hier van belang – de hoger beroepen gegrond verklaard, de uitspraak van 15 november 2016 vernietigd en het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Afdeling heeft in haar uitspraak geoordeeld dat de keerlus inclusief het deel dat gelegen is op [perceel 1] , met de openstelling ervan voor alle verkeer de bestemming openbare weg heeft verkregen overeenkomstig artikel 4, eerste lid, onder III, van de Wegenwet. Verder heeft de Afdeling overwogen dat het betoog van eisers dat geen sprake is van een overtreding van artikel 2:11 van de APV omdat het weggebroken asfalt niet tot de openbare weg behoort, faalt. Ten aanzien van de last heeft de Afdeling overwogen dat artikel 2:11, eerste lid, van de APV verbiedt om zonder of in afwijking van een vergunning de verharding van een weg op te breken. De Afdeling heeft vastgesteld dat eisers de asfaltverharding van de weg zonder vergunning hebben opgebroken en dat de last strekt tot het ongedaan maken van het opbreken van de weg en dus tot herstel van de overtreding van artikel 2:11 van de APV. Ten aanzien van de dwangsom heeft de Afdeling overwogen dat zij geen grond ziet voor het oordeel dat het vastgestelde bedrag (€ 30.000,00 ineens) niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Tevens heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bepaald dat het dwangsombesluit met terugwerkende kracht wordt geschorst tot zes weken na de dag van verzending van haar uitspraak. Dat betekent dat eisers een dwangsom van € 30.000,00 verbeuren indien niet binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak van de Afdeling aan de opgelegde last is voldaan.

Het beroep met zaaknummer ROE 18/1108

2. Tegen de bij bestreden besluit 1 door verweerder gehandhaafde afwijzing van het verzoek van eisers van 15 december 2017 om de door de Afdeling tot 3 januari 2018 verlengde begunstigingstermijn, verbonden aan het dwangsombesluit van 28 juli 2015, tot en met 16 februari 2018 te verlengen, hebben eisers in beroep het volgende aangevoerd.

3. Eisers bestrijden dat de last tot herstel van de asfaltverharding duidelijk was. Zij blijven bij hun standpunt dat de keerlus niet op [perceel 1] ligt en dat dit perceel geen openbare weg is. De uitspraak van de Afdeling van 22 november 2017 geeft volgens eisers geen duidelijkheid over de vraag welk deel van de keerlus op [perceel 1] ligt. Eisers hebben dit aangekaart bij verweerder en volgens eisers heeft verweerder pas op 13 december 2017 volledige informatie verschaft over diens visie ten aanzien van de exacte locatie van de keerlus. Eisers zijn daarna direct op zoek gegaan naar een wegenbouwer die het perceel vóór afloop van de begunstigingstermijn op 3 januari 2018 kon asfalteren. De benaderde aannemer in Horn was echter vanaf 20 december 2017 tot 8 januari 2018 gesloten en voor deze aannemer was het vrijwel onmogelijk om het asfalt op [perceel 1] aan te brengen vóór 3 januari 2018. Niet alleen was geen aannemer beschikbaar, maar ook de ongunstige weersomstandigheden stonden aan tijdige uitvoering in de weg. De gestelde termijn van zes weken was volgens eisers in beginsel wel een redelijke termijn, maar de termijn was, gelet op voornoemde omstandigheden, onredelijk. Desondanks hebben eisers alsnog via een asfaltcentrale in Lelystad asfalt kunnen krijgen en is op 3 januari 2018 asfalt aangebracht. Dit is met onnodig hoge kosten gepaard gegaan, temeer nu verweerder die uitvoering beneden de maat heeft geacht en tot invordering van de dwangsom is overgegaan. Er bestond volgens eisers geen enkele noodzaak voor verweerder om zo strikt vast te houden aan de termijn omdat dit perceel al sinds 2002, het jaar waarin de nieuwe [straatnaam] is aangelegd, niet meer in gebruik is als weg. Immers, ook als het verkeer geen gebruik kan maken van [perceel 1] , wordt de bereikbaarheid van de [straatnaam] en het bedrijfsterrein van de derde-partij niet belemmerd, aldus eisers.

4. Ingevolge artikel 5:34, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.

4.1.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat bij “onmogelijkheid voor de overtreder” in de eerste plaats gedacht moet worden aan gevallen van overmacht. Een onmogelijkheid voor de overtreder om de last na te komen kan echter ook het gevolg zijn van andere omstandigheden dan alleen overmacht (Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 23 700, nr. 5, p. 107).

4.2.

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2012 (ECLI:NL: RVS:2012:BV7248) hoeft een bestuursorgaan bij de beoordeling van een verzoek tot verlenging van de begunstigingstermijn niet opnieuw de belangenafweging te verrichten die ten grondslag ligt aan het genomen dwangsombesluit en de lengte van de daaraan verbonden begunstigingstermijn. Het bestuursorgaan kan zich bij de beoordeling van een verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn beperken tot het in aanmerking nemen van de omstandigheden en belangen die verband houden met de door de overtreder gestelde onmogelijkheid om aan zijn verplichtingen te voldoen.

5. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling eisers een termijn van zes weken heeft gegeven om aan de last te voldoen omdat zij op de zitting van de Afdeling hebben aangegeven ongeveer vier weken nodig te hebben om het asfalt op [perceel 1] te herstellen. De last houdt in dat het vernielde asfalt volledig dient te worden hersteld. Deze last is onderwerp van geschil geweest in de procedure die tot de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2017 heeft geleid. De last onder dwangsom staat na de uitspraak van de Afdeling in rechte vast. Voor zover eisers thans aanvoeren dat de last onduidelijk is, heeft te gelden dat zij dat in de procedure die tot genoemde uitspraak van de Afdeling heeft geleid, naar voren hadden kunnen en moeten brengen. In de onderhavige procedure is alleen aan de orde of verweerder gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid om de begunstigingstermijn te verlengen omdat eisers stellen dat het niet mogelijk was om tijdig aan de last te voldoen.

5.1.

Het dwangsombesluit staat in rechte vast en naar het oordeel van de rechtbank volgt daar duidelijk uit wat eisers uiterlijk 3 januari 2018 moesten doen, namelijk de door hen verwijderde asfaltverharding op [perceel 1] in de oude staat herstellen. Dat eisers zich niet kunnen verenigen met het oordeel van de appelrechter dat de keerlus (grotendeels) op [perceel 1] en dat (ook) de op dit perceel gelegen keerlus een openbare weg is, betekent niet dat de last onduidelijk was zodat zij daaraan geen uitvoering konden geven. De last strekt tot volledig herstel in de oude toestand van de asfaltverharding op [perceel 1] die daar feitelijk aanwezig was voordat zij door eisers gedeeltelijk werd verwijderd. In plaats van na de uitspraak van de Afdeling uitvoering te geven aan de last, hebben eisers hun standpunten over de openbaarheid van het perceel en de locatie van de keerlus opnieuw aan verweerder voorgelegd. Reeds bij brief van 29 november 2017 heeft verweerder eisers bericht dat de last onder dwangsom is gericht op het herstel van de verharding op het [perceel 1] . Dat standpunt heeft verweerder nadien consequent gehandhaafd en herhaald in een brief van 12 december 2017. Dat vervolgens pas na laatstgenoemde brief en dus een maand na de uitspraak van de Afdeling een aannemer is gezocht en dat toen een tijdig herstel moeilijk werd als gevolg van de kerstvakantie en slecht weer, dient voor rekening en risico van eisers te komen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het op de weg van eisers had gelegen om niet (opnieuw) de discussie aan te gaan over de openbaarheid van de op [perceel 1] gelegen keerlus, maar meteen na de uitspraak van de Afdeling een aannemer te zoeken. Daardoor hebben eisers niet de inspanning verricht die van hen verwacht mocht worden. Zoals eisers hebben bevestigd, was de door de Afdeling gestelde termijn op zich ruim genoeg om de last uit te voeren. De door eisers gestelde onmogelijkheid om tijdig aan de last te voldoen, is toerekenbaar door henzelf veroorzaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit, zoals nader toegelicht in het verweerschrift, voldoende gemotiveerd dat er, gelet op de relevante omstandigheden en belangen, geen redenen waren om het verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn in te willigen. De door eisers daartegen naar voren gebrachte beroepsgronden slagen niet. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is daarom ongegrond.

Het beroep met zaaknummer ROE 18/1552

6. Eisers hebben ter uitvoering van de last onder dwangsom van 28 juli 2015 op de laatste dag van de begunstigingstermijn, 3 januari 2018, een nieuwe asfaltverharding aangebracht op [perceel 1] .

7. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden zijn toezichthouders van verweerders gemeente aanwezig geweest en na afronding van de werkzaamheden heeft op 4 januari 2018 een controle plaatsgevonden, waarvan een controlerapport is opgemaakt. Op 12 januari 2018 is een nadere visuele inspectie uitgevoerd, waarvan eveneens een rapport is gemaakt. De bevindingen hielden in dat de laagdikte van het asfalt (circa 70 millimeter) onvoldoende is voor de functie zwaar verkeer, dat het aangebrachte asfaltmengsel niet als toplaag voldoet, dat de vlakheid van het mengsel niet voldoet en dat de verdichting niet voldoende is.

8. Gelet op de bevindingen bij de controles heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers niet (tijdig) aan de last onder dwangsom hebben voldaan. Verweerder heeft daarin aanleiding gezien om eisers op 7 februari 2018 een last onder bestuursdwang op te leggen. De last houdt in dat de asfaltverharding uiterlijk 15 maart 2018 compleet dient te zijn hersteld. Om te komen tot compleet herstel van de asfaltverharding op [perceel 1] dient de op 3 januari 2018 aangebrachte asfaltlaag te worden verwijderd en dient een nieuwe asfaltlaag te worden aangebracht die geschikt is voor het gebruik door zwaar verkeer. Eisers hebben tegen het besluit van 7 februari 2018 bezwaar gemaakt bij verweerder, die dat bezwaar bij bestreden besluit 2 ongegrond heeft verklaard.

9. Eisers hebben in beroep primair aangevoerd dat het asfalt op 3 januari 2018 goed is hersteld. Dit blijkt volgens eisers uit het proces-verbaal van bevindingen van gerechtsdeurwaarder Otten en de verklaringen van de aannemer, Theunissen Infra B.V. (hierna: Theunissen), die het werk heeft uitgevoerd. Theunissen heeft bevestigd dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd terwijl toezichthouders van de gemeente aanwezig waren. De toezichthouders hebben volgens Theunissen aangegeven dat het asfalt voldeed. Reeds daarom is aan de last voldaan. Eisers betogen dat het asfalt in de oude staat is hersteld en dat verweerder ontoereikend heeft gemotiveerd waarom dit niet het geval is. De vergelijking tussen de diktes van het asfalt op [perceel 1] met dat van [perceel 2] die door Kiwa KOAC B.V. in opdracht van verweerder is uitgevoerd, achten eisers niet relevant omdat in de last geen technische eisen zijn opgenomen en omdat het asfalt op die percelen niet gelijktijdig is aangebracht en daardoor niet dezelfde dikte had. Eisers zijn van mening dat het asfalt is hersteld, dat de kwaliteit voldoet aan het beoogde gebruik en aan het gebruik zoals dat oorspronkelijk plaatsvond.

9.1.

Eisers voeren in dit verband verder aan dat de opgelegde last onduidelijk is omdat daarin niet vooraf specificaties zijn vermeld waaraan het aan te brengen asfalt moest voldoen. Dat is pas achteraf op verzoek van eisers gebeurd. Eisers hebben daarna op 29 en 30 maart 2018 de asfaltverharding overeenkomstig de door de gemeente achteraf gestelde voorwaarden vervangen. Hierdoor hebben eisers onnodig extra kosten moeten maken.

Subsidiair hebben eisers aangevoerd dat het achteraf stellen van nadere eisen onredelijk is, temeer nu de op 3 januari 2018 aangebrachte asfaltverharding voldeed.

10. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eisers op 3 januari 2018 niet aan de last onder dwangsom hebben voldaan en dat de overtreding niet is opgeheven. Uit de onderzoeken is gebleken dat reeds bij een visuele inspectie was vast te stellen dat het asfalt qua laagdikte niet voldeed voor de functie zwaar verkeer. Vast staat dat de voorheen aanwezige laag wel geschikt was voor de vrachtwagencombinaties van eisers en van de derde-partij die op de keerlus moesten kunnen keren. Verder is door de vakambtenaren van verweerder vastgesteld dat het aangebrachte mengsel niet als asfalttoplaag voldeed en dat ook vlakheid en verdichting niet voldeden. Het asfalt vertoonde ruwe gaten en open plekken. Ook waren daarin de sporen van de kraan die het asfalt had aangebracht nog zichtbaar. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat voornoemde bevindingen, die door ter zake deskundige medewerkers van de gemeente zijn gedaan, onjuist zouden zijn. De juistheid van hun bevindingen zijn bevestigd in het daarna door Kiwa KOAC B.V. in opdracht van verweerder uitgevoerde onderzoek. In het door eisers overgelegde proces-verbaal van bevindingen is over de kwaliteit van het asfalt niets vermeld en in de mails van Theunissen wordt bevestigd dat de laagdikte (slechts) 7 tot 8 centimeter was. In het door eisers ingebrachte rapport van Ducot Engineering en Advies wordt weliswaar aangegeven dat het asfalt geschikt was voor zwaar verkeer omdat de ondergrond voldoende stabiliteit verschaft, maar wordt de conclusie van het door Kiwa KOAC B.V. uitgevoerde onderzoek niet weersproken. Erkend wordt dat het asfalt onvoldoende was verdicht, waarvoor als verklaring wordt gegeven dat de asfalttemperatuur waarschijnlijk te laag is geweest. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder afdoende heeft aangetoond dat de asfaltverharding ten behoeve van de aanleg van de keerlus op de [percelen 1 + 2] als één werk is opgenomen en destijds (in 2003) in dezelfde samenstelling is uitgevoerd, wat ook blijkt uit de bij het verweerschrift gevoegde tekeningen van 27 augustus 2003 en 2 juni 2003. Ook daaruit blijkt dat de op 3 januari 2018 aangebrachte laag niet de dikte had van de asfaltlaag van de keerlus zoals die daarvóór was aangelegd. Hieruit volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de last onder dwangsom van 28 juli 2015 om het verwijderde asfalt op [perceel 1] in de oude staat te herstellen niet tijdig is voldaan. Verweerder was daarom bevoegd om eisers dezelfde last onder bestuursdwang op te leggen.

10.1.

Naar aanleiding van het betoog dat de last onduidelijk was omdat daarin geen specificaties waren opgenomen waaraan de asfaltverharding moest voldoen, overweegt de rechtbank dat de last als zodanig is beoordeeld in de procedure die heeft geleid tot de meergenoemde uitspraak van de Afdeling van 22 november 2017. Eisers hebben in die procedure niet aangevoerd dat de last onduidelijk was. Zij hebben bovendien daarover ook geen contact met verweerder opgenomen, maar hebben op de laatste dag van de begunstigingstermijn tijdens niet optimale weersomstandigheden een aannemer ingeschakeld om een nieuwe asfaltverharding aan te brengen. Van die verharding staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat dit geen herstel in de oude toestand inhield en dat die verharding niet geschikt was om daarop met het zware verkeer van de bedrijven van eisers en de derde-partij te kunnen keren. Pas nadat de uitvoering van de last door verweerder beneden de maat is bevonden, hebben eisers in overleg en onder toezicht van medewerkers van de gemeente een juiste uitvoering aan de last gegeven. De rechtbank volgt eisers ook niet in hun betoog dat de toezichthouders van de gemeente de op 3 januari 2018 aangebrachte asfaltverharding hebben goedgekeurd. Dit is niet alleen door verweerder weersproken, maar de rechtbank acht ook niet aannemelijk dat de toezichthouders nog vóór afloop van de werkzaamheden zouden hebben verklaard dat aan de last was voldaan. De beroepsgronden slagen daarom niet en het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond.

Het beroep met zaaknummer ROE 18/2760

11. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers de bij besluit van 28 juli 2015 opgelegde dwangsom hebben verbeurd omdat niet tijdig aan de last is voldaan. Daartoe is het standpunt ingenomen dat de asfaltverharding die op 3 januari 2018 is aangebracht, niet voldeed.

12. Verweerder heeft eisers op 22 januari 2018 medegedeeld dat niet aan de last is voldaan en dat zij de dwangsom hebben verbeurd. Eisers hebben dat betwist. Omdat de dwangsom niet binnen de in artikel 5:33 van de Awb gestelde termijn is voldaan, heeft verweerder bij het besluit van 12 maart 2018 de verbeurde dwangsom bij eisers ingevorderd. Bij het besluit van 2 mei 2018 heeft verweerder tevens wettelijke rente van 2% vanaf 6 maart 2018 tot en met de dag van algehele voldoening ingevorderd. De tegen beide besluiten door eisers gemaakte bezwaren heeft verweerder bij bestreden besluit 3 ongegrond verklaard.

13. Eisers hebben daartegen in beroep aangevoerd dat zij van mening blijven dat zij op 3 januari 2018 aan de opgelegde last hebben voldaan. Eisers hebben daartoe herhaald wat zij in de beroepszaak met nummer ROE 18/1552 inzake de last onder bestuursdwang tot herstel van de asfaltverharding naar voren hebben gebracht. Aanvullend zijn nog stukken overgelegd waarmee eisers hun standpunt nader onderbouwen dat de last onduidelijk was en dat het door hen verwijderde asfalt niet de kwalificaties had waarvan verweerder is uitgegaan. Door de wijze van herstel is daarom aan de last voldaan. Eisers wijzen er verder op dat naar aanleiding van de last onder bestuursdwang het asfalt nogmaals is vervangen en dat daarmee onbetwist is voldaan aan de in die last door verweerder aan het asfalt gestelde technische eisen. Tegen die achtergrond achten eisers invordering van een bedrag van € 30.000,00 onevenredig. Onder verwijzing naar de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel van 4 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1152) betogen eisers dat verweerder vanwege onduidelijkheid van de last, gewekt vertrouwen, excessief formalisme en omstandigheden zoals het alsnog bestaan van een rechtmatige situatie, aanleiding had moeten vinden van invordering af te zien. Ten aanzien van de ingevorderde rente voeren eisers aan dat geen sprake is van verschuldigde rente omdat de dwangsom niet is verbeurd.

14. De rechtbank heeft bij de behandeling van het beroep ter zitting ambtshalve aan de orde gesteld of de bevoegdheid tot invordering is verjaard omdat op 1 oktober 2018 een aanmaning is gestuurd, waarna een nieuwe verjaringstermijn van één jaar is gaan lopen, maar uit de stukken niet duidelijk wordt of de verjaring daarna nog is gestuit of geschorst. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat op 11 september 2019 zowel aangetekend als per gewone post een nieuwe aanmaning aan eisers is gestuurd en dat de aangetekende post niet retour is ontvangen. Eisers hebben verklaard dat de postbezorging al geruime tijd niet goed verloopt en eisers gemachtigde heeft aangevoerd dat het daarom op de weg van verweerder ligt om met het track-and-trace systeem aan te tonen dat de aanmaning daadwerkelijk is bezorgd. Uit het door verweerder na de zitting ingezonden stuk blijkt dat de aangetekend verzonden brief van 11 september 2019 op donderdag 12 september 2019 om 12.44 uur op het bezorgadres [eiseres (handelsnaam)] (t.a.v. [eiser] ), [adres 1] , is bezorgd en dat voor de ontvangst daarvan is getekend. Het ligt op de weg van eisers om te zorgen dat zij van poststukken kennis kunnen nemen. Gelet hierop gaat de rechtbank aan de ontkenning van eisers van de ontvangst van de brief voorbij en stelt zij vast dat de bevoegdheid tot invordering nog niet is verjaard zodat eisers nog een belang hebben bij een beoordeling van het tegen bestreden besluit 3 gerichte beroep.

15. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2562) volgt dat aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag dient te liggen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door verweerder uitgevoerde onderzoeken naar de kwaliteit en samenstelling van de op 3 januari 2018 door eisers aangebrachte asfaltverharding dat zij niet aan de last hebben voldaan. De rechtbank verwijst daarvoor naar wat zij hiervoor onder 10 in dat kader heeft overwogen. Voor zover eisers aanvullende stukken in het geding hebben gebracht, bevatten die geen nieuwe gegevens die aanleiding geven tot een ander oordeel.

15.1.

Eisers hebben in het onderhavige beroep tegen de invordering herhaald dat de bij besluit van 28 juli 2015 opgelegde last onduidelijk is, onder meer omdat technische eisen ontbraken. Verder hebben zij stukken overgelegd om aan te tonen dat het asfalt van de keerlus minder dik was dan waar verweerder van uitgaat. Daartoe is onder meer aangevoerd dat [perceel 1] nooit als openbare weg is gebruikt maar door Rijkswaterstaat voor de opslag van keten werd gebruikt. Deze gronden richten zich in feite tegen de rechtmatigheid van de opgelegde last onder dwangsom. Zoals de Afdeling in onder meer de uitspraken van 4 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:648), 13 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1968) en 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:466) heeft overwogen, kan een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Bezwaren die betrekking hebben op de rechtmatigheid van het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom kunnen niet meer aan de orde komen in het kader van de toetsing van de invorderingsbeschikking. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat er in het onderhavige geval sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat deze nopen tot een nieuwe beoordeling van de rechtmatigheid van het dwangsombesluit. De rechtmatigheid daarvan staat vast na de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2017. Van een evidente onrechtmatigheid kan geen sprake zijn en er is daarom geen reden om in het kader van het beroep tegen het invorderingsbesluit gronden die zijn gericht tegen de rechtmatigheid van het dwangsombesluit, opnieuw te beoordelen.

16. Op grond van voorgaande overwegingen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat eisers pas na afloop van de begunstigingstermijn volledig aan de last hebben voldaan en dat daarmee van rechtswege de dwangsom is verbeurd.

16.1.

Bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom, dient aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29 702, nr. 3, p. 115). Hierin is vermeld dat een toereikende handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

16.2.

Het voldoen aan de last na de begunstigingstermijn, of het gedeeltelijk uitvoeren van de last voor afloop van de begunstigingstermijn, is op zichzelf geen omstandigheid als gevolg waarvan een bestuursorgaan van invordering behoort af te zien (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2698). Het is op zichzelf dus niet van belang dat eisers na afloop van de begunstigingstermijn, op 29 en 30 maart 2018, aan de last hebben voldaan en dat een rechtmatige toestand is bereikt. Ook bezien in samenhang met de andere omstandigheden van het geval, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de dwangsom niet in redelijkheid volledig kon invorderen. De verwijzing naar de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft hiervoor onder 5.1 geoordeeld dat het beroep van eisers op overmacht niet slaagt, omdat zij na de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2017 niet voortvarend te werk zijn gegaan. De door eisers gestelde onmogelijkheid om tijdig aan de last te voldoen, is toerekenbaar door henzelf veroorzaakt en dient voor hun rekening en risico te komen. De rechtbank ziet ook geen grond voor het oordeel dat eisers niet aan de last hebben kunnen voldoen omdat die onduidelijk was. Ten slotte heeft verweerder ook niet bij eisers het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat van invordering zou worden afgezien. Van excessief formalisme is evenmin sprake.

16.3.

Gelet op artikel 4:99 in samenhang met de artikelen 4:97 en 4:98 van de Awb heeft verweerder tevens de wettelijke rente bij eisers mogen invorderen over de termijn dat zij in verzuim zijn de verbeurde dwangsom te betalen.

17. Het beroep tegen bestreden besluit 3 is eveneens ongegrond.

Het beroep met zaaknummer ROE 18/2841

18. Bij een controle door ambtenaren van de gemeente is vastgesteld dat op perceel B 2091 legio-blokken zijn geplaatst. Daarvan is een controlerapport van 4 april 2018 opgemaakt.

19. Bij het besluit van 5 april 2018 heeft verweerder eisers de last onder bestuursdwang opgelegd om de op [perceel 1] geplaatste legio-blokken te verwijderen omdat deze de openbaarheid van de weg belemmeren. Tevens is een preventieve last onder dwangsom opgelegd om elke nieuwe vorm van belemmering van de openbaarheid van de weg op dit perceel achterwege te laten. Deze last luidt als volgt:

a. Elke vorm van belemmering van de openbaarheid van de weg gelegen op het perceel kadastraal bekend gemeente Haelen, [sectieletter] , [sectienummer] , door het plaatsen of geplaatst houden van voorwerpen, van welke aard dan ook, achterwege laten, dan wel

b. Indien een belemmering als bedoeld onder a wordt veroorzaakt door derden, onverwijld deze belemmering te verwijderen en verwijderd te houden.

19.1.

Deze lasten zullen hieronder als last (a) respectievelijk last (b) worden geduid.

20. Op 11 april 2018 is vastgesteld dat eisers tijdig aan de last onder bestuursdwang om de geplaatste legio-blokken te verwijderen, hebben voldaan.

21. Eisers voeren in beroep tegen bestreden besluit 4 aan dat de kern van de discussie de openbaarheid van [perceel 1] betreft. Verweerder volhardt in zijn stelling dat genoemd perceel een openbare weg is, terwijl de Afdeling in de uitspraak van 22 november 2017 alleen heeft overwogen dat de keerlus openbaar is. De Afdeling heeft daarbij niet vermeld welk deel van de keerlus op [perceel 1] is gelegen. Eisers vermelden dat vóór de splitsing in [perceel 1] en [perceel 2] sprake was van één kadastraal perceel [sectienummer] . Zij betogen dat de keerlus in het geheel niet op [perceel 1] maar volledig op [perceel 2] ligt. [perceel 1] , dat niet nodig was voor de aanleg van de ontsluitingsweg, is door Rijkswaterstaat aan eisers als compensatie aangeboden in het kader van de onteigening van een deel van hun bedrijfsterrein. Eisers hebben dat aanbod aanvaard. Zij mogen daardoor vrijelijk over [perceel 1] beschikken en hoeven daarop geen verkeer te dulden. Dat de keerlus volledig op [perceel 2] ligt blijkt volgens eisers ook uit het besluit van 9 december 2002 tot onttrekking aan het openbaar verkeer van een deel van de [straatnaam] . Hieruit volgt dat de Afdeling ten onrechte, althans op basis van onjuiste gegevens, heeft geoordeeld dat [perceel 1] openbaar is geworden omdat daarop (een deel van) de keerlus is gelegen. Eisers hebben de legio-blokken op de perceelgrens van [perceel 1] geplaatst; de blokken stonden dus niet op de openbare weg. Van overtreding van artikel 14, eerste lid, van de Wegenwet in combinatie met artikel 2:10 van de APV kan daarom volgens eisers geen sprake zijn. Nu er geen sprake was van een overtreding is de last onder bestuursdwang ten onrechte opgelegd, aldus eisers.

21.1.

Ten aanzien van de opgelegde preventieve last onder dwangsom hebben eisers allereerst aangevoerd dat die niet in stand kan blijven omdat de last onder bestuursdwang ten aanzien van de legio-blokken niet in stand kan blijven. Verder voeren eisers aan dat zij tot de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2017 in alle gerechtelijke instanties gelijk hebben gekregen. Dat de Afdeling in genoemde uitspraak voor het eerst heeft overwogen dat de keerlus openbaar is, wil volgens eisers niet zeggen dat zij in het verleden zodanig hebben gehandeld dat thans een preventieve last op zijn plaats zou zijn. Eisers mochten hun eigendom afrasteren dan wel afpalen. Verweerder heeft hen daarom onterecht tegengeworpen dat zij in het verleden [perceel 1] niet hebben opengesteld voor derden en dat er meerdere malen sprake is geweest van een overtreding zodat een preventieve last op zijn plaats is.

21.2.

Voor zover de rechtbank, ondanks het vorenstaande, tot het oordeel zou komen dat de last onder bestuursdwang en de preventieve last onder dwangsom in stand kunnen blijven, voeren eisers aan dat beide lasten onduidelijk zijn. Het had op de weg van verweerder gelegen om in de lasten aan te geven waar de keerlus exact is gepositioneerd en welk deel van [perceel 1] en/of [perceel 2] openbaar is. Eisers hebben daar bij herhaling om verzocht. Als verweerder daaraan gevolg had gegeven, dan hadden zij de belemmeringen die zich mogelijk op de keerlus bevinden kunnen verwijderen en verwijderd houden en was voor hen duidelijk geweest waar zij hun perceel mogen afrasteren of afpalen. De preventieve last is volgens eisers volstrekt onduidelijk, te ruim geformuleerd en sluit niet aan bij het daarmee beoogde doel. Eisers worden daarbij gelast om elke belemmering, ook indien die wordt veroorzaakt door derden, te verwijderen en verwijderd te houden, waarbij het niet eens hoeft te gaan om belemmeringen van openbaarheid. Eisers voeren aan dat de derde-partij perceel [perceel 1] inmiddels in gebruik heeft genomen als bedrijfsterrein en dat zij het risico lopen dwangsommen te verbeuren, terwijl zij het niet in hun macht hebben om overtredingen te voorkomen.

22. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eisers door de plaatsing van de legio-blokken de openbaarheid van de weg hebben belemmerd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2017 volgt dat de keerlus, inclusief het deel daarvan dat op [perceel 1] is gelegen, de bestemming openbare weg heeft gekregen overeenkomstig artikel 4, eerste lid, onder III, van de Wegenwet. Verweerder heeft aan de hand van onder meer de tekening, behorend bij het besluit van de raad van de toenmalige gemeente Haelen van 9 december 2002 tot onttrekking van weggedeelten aan de openbaarheid, waarbij in verband met de bereikbaarheid van de bedrijven van eisers en de derde-partij de aanleg van een keerlus noodzakelijk werd, toereikend onderbouwd dat de keerlus voor een groot deel op [perceel 1] ligt. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat de keerlus in het geheel niet op dat perceel ligt. Dat standpunt is ook in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2017, waarin is geoordeeld dat de keerlus deels op [perceel 1] ligt. Door langs de rand van dit perceel legio-blokken te plaatsen, hebben eisers de openbaarheid van de weg belemmerd en kon verweerder daartegen handhavend optreden. Voor deze vaststelling is niet van belang dat volgens eisers niet vaststaat welk deel van de keerlus exact op [perceel 1] ligt en dat verweerder zich op het standpunt stelt dat het hele perceel openbare weg is. Voor de vaststelling van deze overtreding is ook niet relevant dat vóór de uitspraak van de Afdeling rechterlijke uitspraken zijn gedaan op grond waarvan eisers mochten menen dat zij toen niet in overtreding waren door de toegang tot de keerlus te belemmeren. Wat eisers overigens in dit verband nog hebben aangevoerd, is onderwerp geweest van de procedure die tot de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2017 heeft geleid. De rechtbank ziet geen aanleiding om van het oordeel van de appelrechter ten aanzien van de openbaarheid van de keerlus af te wijken. Nu vast staat dat eisers de toegang tot de keerlus en daarmee de functie van de keerlus als openbare weg hebben belemmerd, was verweerder bevoegd daartegen handhavend op te treden.

23. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

23.1.

De rechtbank is van oordeel dat eisers geen bijzondere omstandigheden hebben aangevoerd op grond waarvan verweerder van handhavend optreden door het opleggen een last onder bestuursdwang om de legio-blokken te verwijderen, af had moeten zien.

24. Ten aanzien van het beroep gericht tegen de preventieve last onder dwangsom overweegt de rechtbank het volgende.

25. Ingevolge artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb wordt onder herstelsanctie verstaan: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding.

Ingevolge artikel 5:7 van de Awb kan een herstelsanctie worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.

26. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat het gevaar voor de overtreding door het plaatsen van of geplaatst houden van voorwerpen, van welke aard dan ook, klaarblijkelijk dreigt nu eisers in het verleden al eens bouwhekken en daarna legio-blokken hebben geplaatst, waardoor de toegang tot de keerlus is belemmerd. Deze overtredingen zijn beëindigd nadat verweerder aan eisers lasten onder dwangsom had opgelegd, maar eisers hebben kort daarna de asfaltverharding van de weg verwijderd. Tegelijk met de op 3 januari 2018 aangebrachte nieuwe asfaltverharding, ten aanzien waarvan de rechtbank hiervoor onder 10 heeft geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat daarmee niet aan het dwangsombesluit van 28 juli 2015 is voldaan, hebben eisers opnieuw langs de rand van [perceel 1] legio-blokken geplaatst. Hierdoor is de openbaarheid van de weg andermaal belemmerd. Verweerder kon derhalve overgaan tot het opleggen van een preventieve last onder dwangsom om te voorkomen dat eisers opnieuw op enigerlei wijze overgaan tot het belemmeren van de openbaarheid van de weg. Eisers laten er geen misverstand over bestaan dat zij van mening blijven dat zij als eigenaar van [perceel 1] iedereen de toegang tot die weg onmogelijk mogen maken. In het verleden zijn zij al een aantal malen daartoe overgegaan, waarbij steeds andere vormen van belemmering zijn gekozen. Verweerder heeft daarom terecht aan eisers last (a) opgelegd. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat die last te ruim is geformuleerd of onduidelijk is omdat door verweerder niet is aangegeven waar de keerlus is gelegen. Eisers dienen elke vorm van belemmering van de toegang tot de keerlus en daarmee belemmering van de openbaarheid van de weg achterwege te laten. De daartegen gerichte beroepsgronden slagen niet.

26.1.

De rechtbank volgt eisers wel in hun betoog dat last (b) te ruim is geformuleerd. Een (preventieve) last onder dwangsom kan alleen worden opgelegd aan de overtreder die het in zijn macht heeft de overtreding te beëindigen. Op grond van last (b) zijn eisers gehouden op straffe van verbeurte van dwangsommen overtredingen die zij niet zelf hebben begaan, maar door derden zijn veroorzaakt, ongedaan te maken. Daarmee is die last te verstrekkend. De rechtbank begrijpt wel dat verweerder, gelet op ervaringen in het verleden met geplaatste bouwhekken, wil voorkomen dat eisers zich kunnen verschuilen achter het optreden van onbekend blijvende derden, maar dat neemt niet weg dat een last onder dwangsom alleen aan een overtreder kan worden opgelegd.

27. Het beroep tegen bestreden besluit 4 is daarom gegrond. Dit besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij last (b) is gehandhaafd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de bij het besluit van 5 april 2018 opgelegde last (b) wordt herroepen – met welke enkele herroeping in dit geval kan worden volstaan – en door te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van bestreden besluit 4.

28. Omdat het beroep in deze zaak gegrond wordt verklaard, volgt uit artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dat verweerder het betaalde griffierecht zal dienen te vergoeden.

29. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers in deze zaak gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.100,00 (steeds één punt voor respectievelijk het indienen van het bezwaarschrift, het verschijn bij de hoorzitting in bezwaar, het indienen van het beroepschrift en het verschijnen bij de zitting van de rechtbank, met een waarde per punt van € 525,00 en wegingsfactor 1). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

30. Gelet op het tijdsverloop in deze procedure dient de rechtbank thans nog ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden en – zo nodig na heropening van het onderzoek – ambtshalve een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3354). Hiervoor bestaat in dit geval aanleiding omdat in de zaken ROE 18/2760 en ROE 18/2841, alsook in de eveneens op zitting van 11 februari 2020 behandelde zaak ROE 19/337, waarin ook heden uitspraak wordt gedaan, de redelijke termijn is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van een uitspraak.

30.1.

In gevallen waarin de bezwaar- en de beroepsfase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden, dient de bestuursrechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade vanwege dat tijdsverloop te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. Daardoor wordt immers bepaald in hoeverre de immateriële schade is toe te rekenen aan het bestuursorgaan respectievelijk de rechter. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid daarmee worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan respectievelijk de Staat (de minister voor Rechtsbescherming). Bij deze toerekening gelden – voor zover hier van belang – de volgende uitgangspunten:

a. de redelijke behandelingsduur in de bestuurlijke fase bij niet-punitieve zaken is niet overschreden als deze vanaf de indiening van het bezwaarschrift maximaal zes maanden heeft geduurd;

b. de redelijke behandelingsduur in eerste aanleg is in niet-punitieve zaken met voorafgaande bezwaarfase niet overschreden als deze niet langer dan anderhalf jaar vanaf instellen beroep heeft geduurd.

30.2.

Als de redelijke termijn is overschreden, moet voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief worden gehanteerd van € 500,00 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, moet in dit verband worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Als hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,00 per half jaar gehanteerd (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, overwegingen 3.10.1 en 3.10.2). Naar het oordeel van de rechtbank kan van de onder 30 genoemde zaken gezegd worden dat zij op hetzelfde onderwerp betrekking hebben, in die zin dat alle procedures zijn te herleiden tot de aanspraken die eisers met betrekking tot [perceel 1] stellen te hebben. De onderwerpen van die procedures staan niet in een zo ver verwijderd verband tot elkaar dat aannemelijk is dat door elke opvolgende procedure extra spanning en frustratie bij eisers is veroorzaakt.

30.3.

Het vorenstaande leidt tot de volgende conclusie. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift tegen het besluit van 12 maart 2018 (kennelijk op 23 april 2018) en deze uitspraak zijn iets meer dan 27 maanden verstreken. De redelijke termijn is derhalve overschreden, welke overschrijding geheel aan de rechtbank is toe te rekenen. Gelet hierop zal de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming) worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 500,00 voor de overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van het beroep in de onder 30 genoemde zaken. Gelet op het beleid ter zake (als vermeld in de beleidsregel die is gepubliceerd in Stcrt. 2014, 20210) en de Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging Ministerie van Justitie en Veiligheid (Stcrt. 2017, 62751), behoeft de Staat in dit geval niet in de procedure te worden betrokken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep in de zaken ROE 18/1108, ROE 18/1552 en ROE 18/2760 ongegrond;

- verklaart het beroep in de zaak ROE 18/2841 gegrond;

- vernietigt het in die zaak bestreden besluit van 9 oktober 2018 voor zover daarbij last (b) is gehandhaafd;

- herroept het besluit van 5 april 2018 voor zover daarbij voornoemde last is opgelegd;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde (deel van het) besluit van 9 oktober 2018;

- draagt verweerder op het in de zaak ROE 18/2841 betaalde griffierecht van € 338,00 aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in die zaak in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, begroot op € 2.100,00 (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eisers;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming) tot betaling van een schadevergoeding van € 500,00 aan eisers.

Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 28 juli 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Voor zover nodig wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken wanneer dat weer mogelijk is.

de griffier is verhinderd te ondertekenen rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 28 juli 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan door een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.