Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:5432

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-07-2020
Datum publicatie
31-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3274
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WABO, terug verwijzing door RvS, camperplaats, binnenplanse afwijking, onevenredige aantasting gebruiksmogelijkheden, motivering besluit, onderzoek door gemeente, kosten deskundige (PKV).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/3274

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2020 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas, verweerder

(gemachtigde: mr. S.C.W. Meurs).

Als derde-partij (belanghebbende) heeft aan het geding deelgenomen: [bedrijfsnaam].

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken van het perceel [adres] te [woonplaats] als camperplaats.

Bij besluit van 9 juli 2018 heeft verweerder het door belanghebbende daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en besloten opnieuw op de aanvraag te gaan beslissen.

Bij besluit van 25 september 2018 heeft verweerder alsnog de omgevingsvergunning geweigerd.

Eiser heeft tegen voornoemde besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 2] . Namens belanghebbende zijn verschenen [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .

Overwegingen

1. Bij uitspraak van 16 juli 2019 (AWB 18/1672) heeft deze rechtbank geoordeeld dat verweerder niet binnen de daarvoor gestelde termijn op de aanvraag had beslist, zodat er een vergunning van rechtswege was ontstaan. Bij uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 november 2019, heeft de Afdeling geoordeeld dat geen sprake was van een vergunning van rechtswege. De Afdeling heeft de zaak terugverwezen naar deze rechtbank voor een inhoudelijke beoordeling van eisers beroepsgronden. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat de rechtbank dient te beoordelen of verweerder in redelijkheid de verleende omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren.

2. Verweerder heeft zich in het besluit van 9 juli 2018 op het standpunt gesteld dat met de realisatie van de camperplaats schade wordt toegebracht aan de bedrijfsvoering van belanghebbende die op een van de belendende percelen een [bedrijfsnaam] heeft gevestigd. Uit nader onderzoek is volgens verweerder gebleken dat niet wordt voldaan aan de in de “VNG-richtlijn Bedrijven en milieuzonering” (VNG-richtlijn) opgenomen richtafstanden. Voor campings is daarin een richtafstand van maximaal 50 meter opgenomen (voor het aspect geluid). Daar is geen rekening mee gehouden, zodat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. Verweerder trekt daarom de verleende vergunning in en zal een nieuw besluit gaan nemen op de aanvraag, nadat eventueel benodigde onderzoeken zijn uitgevoerd.

3. Bij het besluit van 25 september 2018 heeft verweerder de gevraagde vergunning alsnog geweigerd. Verweerder heeft ter motivering hiervan gesteld dat de geprojecteerde camperplaats is aan te merken als kleinschalig kamperen. Dat is in strijd met het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas, maar hiervoor kan een via een binnenplanse regeling vrijstelling worden verleend, mits aan de aldaar genoemde voorwaarden is voldaan. Volgens verweerder is dat laatste niet het geval. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder gesteld dat uit de VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” kan worden afgeleid dat er een afstand van 50 meter (geluid) aangehouden dient te worden tussen een kampeerterrein en andere functies. De camperplaats is een kampeerterrein, maar niet geheel vergelijkbaar met reguliere kampeerterreinen. Daarom is wellicht aanleiding een minimale afstand van 30 meter aan te houden. Hiervan kan echter gemotiveerd worden afgeweken. In de onderhavige situatie sluiten de percelen op elkaar aan en is in principe dus geen afstand tussen de verschillende functies van het onderhavige perceel en de percelen van de buren.

Door het ontbreken van voldoende afstand tussen de verschillende functies van de gebieden en tussen het perceel van eiser en de [bedrijfsnaam] van belanghebbende, kan de aanwezigheid van de camperplaats negatieve gevolgen hebben voor de [bedrijfsnaam] van belanghebbende (verstoring rust [dieren] in wei en stal). Hierdoor worden de gebruiksmogelijkheden van het belende perceel onaanvaardbaar/onevenredig aangetast. Ook is volgens verweerder sprake van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat op beide belendende percelen ten gevolge van het aspect gevaar (met name: brandgevaar) als gevolg van de aanwezigheid van campers. Ten slotte stelt verweerder dat medewerking aan het onderhavige verzoek via een andere ruimtelijke procedure evenmin aan de orde is vanwege de te geringe afstand tussen de camperplaats en de belendende percelen.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 9 juli 2018. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2019 heeft eiser zijn beroep aangevuld. Eiser

voert -kort samengevat- aan dat een wettelijke grondslag tot het intrekken van de vergunning ontbreekt. De besluiten zijn volgens eiser ook onvoldoende gemotiveerd. Volgens het advies van de bezwaarschriftencommissie is het primaire besluit onzorgvuldig voorbereid. Onduidelijk is waarom dit in de bezwaarprocedure niet hersteld had kunnen worden. Voorts stelt eiser dat ten onrechte is getoetst aan de VNG-richtlijn, omdat de [bedrijfsnaam] van belanghebbende geen “gevoelig object” in de zin van deze richtlijn is. Eiser wijst erop dat hij met belanghebbende had willen overleggen over de zaak, maar deze heeft niet gereageerd op dit aanbod. Eiser stelt tevens dat wel wordt voldaan aan de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van het bestemmingsplan, omdat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bebouwing. Eiser heeft deze stelling onderbouwd met een deskundigenrapport van DLV Advies & Resultaat. Met betrekking tot het eventuele brandgevaar verwijst eiser naar het rapport Veiligheid van BK bouw- en milieuadvies (BK), waaruit blijkt dat er geen reden is om aan te nemen dat er brandgevaar gaat ontstaan.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a ten eerste van de Wabo kan voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking.

Het perceel [adres] (waarvoor de vergunning is aangevraagd) is gelegen in het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas’.

Het perceel is bestemd als “agrarisch-grondgebonden”, “Agrarisch” en “Waarde archeologie-3” alsmede de gebiedsaanduidingen ‘ontwikkelingszone bebouwingslinten’ en ‘Kernrandzone’.

Op grond van artikel 3.4.1 van de planregels wordt onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. kamperen.

Op grond van artikel 55.7, van de planregels kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.1 ten behoeve van het gebruik van gronden voor kleinschalig kamperen, mits:

geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

1. de verkeersveiligheid;

2. het woon- en leefklimaat;

3. de milieusituatie;

4. de bestaande natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en/of abiotische waarden;

5. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing.

6. Niet in geschil is dat de aanvraag om vergunning in strijd is met artikel 3.4.1 van het bestemmingsplan, omdat het gebruik van gronden c.q. opstallen voor verblijfsrecreatie niet is toegestaan. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 55.7, van de planregels om hiervoor een binnenplanse afwijking toe te staan.

Het besluit van 9 juli 2018.

7. De Afdeling heeft in zijn uitspraak van 27 november 2019 (in navolging van de uitspraak van de rechtbank van 16 juli 2019) geoordeeld dat het besluit van 9 juli 2018 in strijd is met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – omdat hierin geen volledige heroverweging van het primaire besluit heeft plaatsgevonden. Aangezien verweerder dit gebrek niet heeft hersteld, betekent dit dat het beroep van eiser in dit opzicht gegrond is en het besluit van 9 juli 2018 alleen al om die reden moet worden vernietigd.

Het besluit van 25 september 2018.

8. De rechtbank is van oordeel dat ook het besluit van 25 september 2018 moet worden vernietigd en wel om de volgende redenen.

8.1.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven het eens te zijn met eiser dat de [bedrijfsnaam] van belanghebbende geen (geluids)gevoelig object is in de zin van de VNG-richtlijn. De verwijzing naar de VNG-richtlijn en de daarin vermelde richtafstanden is door verweerder slechts gebruikt als hulpmiddel bij de beoordeling of sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van belanghebbende. Bij die beoordeling is tevens meegewogen dat belanghebbende zijn bedrijfsactiviteiten waarschijnlijk zal moeten staken, indien de onderhavige omgevingsvergunning zou worden verleend. Verweerder acht dit niet redelijk, omdat de [bedrijfsnaam] voor belanghebbende een hoofdactiviteit is, terwijl de camperplaats slechts een (planologische) nevenactiviteit is voor eiser.

8.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder noch in het bestreden besluit, noch in zijn aanvulling ter zitting, voldoende heeft gemotiveerd dat door de vergunningverlening sprake zou zijn van een ‘onevenredige aantasting’ van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van de belanghebbende. De rechtbank komt tot dit oordeel omdat niet gebleken is dat verweerder heeft onderzocht (zelf, of door inschakeling van een deskundige) of belanghebbende daadwerkelijk zijn bedrijfsactiviteiten zal moeten beëindigen als gevolg van de verlening van onderhavige omgevingsvergunning. Verweerder heeft dit enkel gebaseerd op de mededeling(en) en overgelegde stukken hieromtrent door de belanghebbende. Daar staat echter tegenover dat ook eiser stukken heeft overgelegd, met een andere strekking. Niet duidelijk is waarom verweerder meer waarde hecht aan de informatie en stukken van de belanghebbende, dan aan die van eiser. Ook is verweerder niet ingegaan op relevante jurisprudentie (bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2011:BQ4900) waarin eveneens sprake was van vestiging van een kampeerterrein naast een [bedrijfsnaam] . Bij dit alles komt dat de planwetgever de mogelijkheid tot kleinschalig kamperen uitdrukkelijk heeft toegestaan. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank dat het feit dat het kamperen economisch gezien een nevenactiviteit is, bij de belangenafweging niet in het nadeel van eiser meegenomen kan worden. Tot slot is van belang dat eiser er terecht op heeft gewezen dat geen sprake mag zijn van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van belanghebbende. Met andere woorden: Enige aantasting van de gebruiksmogelijkheden is geoorloofd, mits deze niet onevenredig is.

8.3.

In het bestreden besluit heeft verweerder voorts gesteld dat sprake zou zijn van brandgevaar als gevolg van het gebruik van gaskookstellen en BBQ’s. De rechtbank is van oordeel dat het besluit ook op dit punt onvoldoende is onderbouwd, aangezien niet inzichtelijk is waar verweerder dit op heeft gebaseerd. Bovendien heeft eiser een rapport overgelegd van BK bouw- & milieuadvies, waarin staat vermeld dat er geen reden is aan te nemen dat er brandgevaar gaat ontstaan. Verweerder is hier in het geheel niet op ingegaan.

9. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het besluit van 25 september 2018 onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Dit betekent dat het beroep van eiser tegen dit besluit ook gegrond moet worden verklaard.

Kosten deskundige.

10. De Afdeling heeft in zijn uitspraak van 27 november 2019 overwogen dat de rechtbank (opnieuw) zal moeten beoordelen of er aanleiding bestaat om verweerder te veroordelen in de vergoeding van de kosten voor het onderzoek van BK. Voor beantwoording van die vraag is van belang of het rapport van BK verband houdt met een beroepsgrond die aanleiding is voor de proceskostenveroordeling. Aangezien eisers beroepsgrond, dat verweerder niet heeft onderbouwd dat sprake zou zijn van brandgevaar, slaagt, bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van deze deskundige. Voor de hoogte van deze kosten verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 16 juli 2019 (€ 2.032,80).

11. Het beroep is derhalve gegrond. De rechtbank vernietigt de besluiten van 9 juli 2018 en 25 september 2018. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, aangezien verweerder nader zal dienen te onderzoeken en motiveren of sprake is van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van belanghebbende. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt in de zaak AWB 18/1672. In onderhavige zaak heeft eiser geen griffierecht betaald.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op (in totaal) € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1,5 punt voor het verschijnen ter (nadere) zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Alsmede de reis- en verletkosten van eiser voor het bijwonen van de zitting van 15 februari 2019 (voor de hoogte hiervan verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 16 juli 2019).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de besluiten van 9 juli 2018 en 25 september 2018;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- in de zaak AWB 18/1672 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van in totaal € 3.437,26 (€ 2.032,80 + € 16,96 + € 75,- + € 1.212,50).

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op: 23 juli 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.