Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:5355

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-07-2020
Datum publicatie
30-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2861
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een terrasvergunning geweigerd, omdat dit terras een aantrekkelijke plek zou zijn voor verslaafden uit de buurt, met het verergeren van overlast voor het woon- en leefklimaat tot gevolg. Verweerder heeft zijn besluit onvoldoende gemotiveerd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 19/2861

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2020 in de zaak tussen

[eiser] handelend onder de naam [bedrijfsnaam 1] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: T. van Steenis),

en

de Burgemeester van de gemeente Roermond, verweerder

(gemachtigden: mr. C.M.J. Slijpen en mr. J. Dignum).

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een terrasvergunning ten behoeve van het horecabedrijf [bedrijfsnaam 1] aan de [adres] in [plaats] geweigerd.

Bij besluit van 1 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser exploiteert sinds 2018 het horecabedrijf [bedrijfsnaam 1] aan de [adres] te [plaats] (hierna: het horecabedrijf). Op 7 september 2018 heeft eiser een drank- en horecavergunning op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet gekregen en een exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Roermond (de APV).

2. Op 12 maart 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend bij verweerder voor een terrasvergunning. Bij het primaire besluit heeft verweerder deze vergunningaanvraag geweigerd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen (bekend onder zaaknummer AWB/

ROE 19/1511). Bij uitspraak van 27 juni 2019 is de voorziening afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de weigering om een terrasvergunning te verlenen ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de Commissie behandeling bezwaarschriften (de Commissie) van 27 september 2019. In het advies van de Commissie is onder meer opgenomen dat uit het overgelegde advies van wijkteam [naam 1] blijkt dat in de directe omgeving van het horecabedrijf reeds sprake is van overlast en hinder. Op grond van artikel 2:28a van de APV in samenhang gelezen met artikel 2:28, derde en vierde lid, van de APV dient verweerder volgens de Commissie de plaatselijke situatie in de afweging van de belangen te betrekken. De Commissie acht het aannemelijk dat een extra terras in de directe nabijheid van het zogenaamde [naam complex] (een appartementencomplex waar een groot aantal bewoners een verslavingsproblematiek kent) de hinder en de overlast zal doen toenemen. Volgens de Commissie heeft verweerder dan ook in de afweging van alle belangen hieraan op redelijke gronden een doorslaggevend gewicht mogen toekennen. Verweerder heeft terecht van haar bevoegdheid tot weigering van een terrasvergunning gebruik kunnen maken, aldus de Commissie. Verder heeft de Commissie aangegeven dat eiser de grote financiële gevolgen als gevolg van de weigering van de terrasvergunning niet inzichtelijk heeft gemaakt. Daarnaast is de Commissie gebleken dat eiser ten tijde van de aanvraag voor een drank- en horecavergunning al op de hoogte is gebracht dat een terrasvergunning niet bespreekbaar was als in zijn inrichting alcohol geschonken zou worden. Eiser heeft volgens de Commissie destijds bewust gekozen om toch een drank- en horecavergunning aan te vragen en dus duidelijk te kiezen voor het schenken van alcohol boven het voeren van een terras bij zijn inrichting.

4. Eiser heeft zich ook met het bestreden besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Eiser heeft aangevoerd dat in het advies van het wijkteam [naam 1] , welk advies verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, niet gesproken wordt over reeds bestaande overlast en ervaringen van het gebruik van terrassen als hangplek door mensen met een alcoholverslaving. Eiser is dan ook de mening toegedaan dat het advies van het wijkteam geen onderbouwing biedt, maar een niet onderbouwde veronderstelling dat mensen met een verslavingsproblematiek bij zijn horecabedrijf langskomen en voor onevenredige overlast gaan zorgen. Volgens eiser is er slechts een vrees dat het terras aantrekkingskracht heeft op mensen met een alcoholverslaving waardoor overlast ontstaat. Verweerder heeft ook geen overzicht van de politie verstrekt met overlastmeldingen in de wijk. Ook hiermee heeft verweerder volgens eiser niet gemotiveerd dat er overlast is of een serieuze dreiging is dan wel of er een relatie is tussen overlast(dreiging) en de mensen met een alcoholverslaving. Eiser heeft verder aangegeven dat hij nu ook alcohol verkoopt in zijn horecabedrijf en ook elders in Roermond kunnen mensen alcohol kopen. Bovendien kunnen mensen volgens eiser in de stad op een terras gaan zitten op loopafstand van scholen of instellingen. Verder heeft eiser aangevoerd dat de zorg dat schoolkinderen langs zijn horecabedrijf komen niet terecht is, omdat aan schoolkinderen geen alcohol verstrekt mag worden. Eiser heeft verder aangegeven dat hij een cafetaria runt en geen stamkroeg. De aard van zijn horecabedrijf leent zich niet voor mensen met een alcoholverslaving, aldus eiser. Het ligt dan ook niet in de lijn der verwachtingen dat het terras volgens eiser de aard van zijn bedrijf zal veranderen in een hangplek voor mensen met een alcoholverslaving. Het cafetaria brengt geen enkele spanning met zich mee op het woonmilieu en volgens eiser zal het terras dit ook niet veranderen. De locatie, aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu bloot zou staan, speelt volgens eiser geen rol van betekenis in de te maken belangenafweging. Eiser is de mening toegedaan dat het bestreden besluit in strijd is genomen met het motiverings-, rechtszekerheid- en zorgvuldigheidsbeginsel. Daarnaast is volgens eiser het bestreden besluit in strijd genomen met het proportionaliteitsbeginsel. Een gehele weigering van de terrasvergunning is de meest ingrijpende maatregel en staat volgens eiser niet in verhouding tot zijn financiële belang bij het hebben van een terras en het feit dat alternatieve, minder ingrijpende oplossingen mogelijk zijn. Eiser geeft in dit verband aan dat een terrasvergunning ook voor één seizoen of onder voorwaarden kan worden verleend. Na verloop van tijd zou dan de situatie kunnen worden geëvalueerd en bekeken worden of er overlast is geweest voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Indien dit laatste het geval zou zijn, kan alsnog de terrasvergunning tussentijds worden ingetrokken of voorschriften aan de terrasvergunning worden gekoppeld, aldus eiser.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Artikel 2:28a, eerste lid, van de APV bepaalt dat in afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 de burgemeester beslist ingeval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

Artikel 2:28a, tweede lid, van de APV bepaalt dat onverminderd het bepaalde in het derde en vierde lid van artikel 2:28 de burgemeester de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van de weg ten behoeve van een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen kan weigeren:

a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilige gebruik daarvan;

b. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

Artikel 2:28, derde lid, van de APV bepaalt dat in afwijking van artikel 1:8 de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk kan weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

Artikel 2:28, vierde lid, van de APV bepaalt dat bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond de burgemeester rekening houdt met het karakter van de straat of de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

7. Bij de beoordeling of een terrasvergunning al dan niet wordt verleend, komt verweerder een zekere beoordelingsruimte toe. De rechtbank kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen en moet kijken of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Daarbij toetst de rechtbank of het genomen besluit in overeenstemming is met het recht, berust op voldoende kennis over de relevante feiten en belangen en een deugdelijke afweging van de betrokken belangen, deugdelijk is gemotiveerd en geen onevenredige gevolgen heeft voor eiser in verhouding met de tot het besluit te dienen doelen.

8. De rechtbank is gebleken dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 27 juni 2019 heeft overwogen dat het primaire besluit tot weigering van de terrasvergunning summier is gemotiveerd, maar dat dit gebrek in de beslissing op bezwaar kan worden hersteld door de aanvankelijke motivering nader te onderbouwen en aan te vullen. De rechtbank stelt echter vast dat in het bestreden besluit de motivering om de terrasvergunning te weigeren niet is aangevuld. In het bestreden besluit heeft slechts een wijziging van de wettelijke grondslag plaatsgevonden, in die zin dat artikel 2:10 van de APV niet meer ten grondslag wordt gelegd aan de weigering. Een aanvulling en nadere motivering van de besluitvorming, en aldus herstel van het door de voorzieningenrechter geconstateerde gebrek, heeft niet plaatsgevonden.

9. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder zijn besluitvorming heeft gebaseerd op het advies van het wijkteam [naam 1] , neergelegd in een e-mailbericht van 7 mei 2019, afkomstig van de wijkregisseur [naam 2] aan [naam 3] . Uit dit e-mailbericht valt op te maken dat volgens het wijkteam op korte afstand van eisers horecabedrijf zich een groot aantal mensen bevindt met een verslavingsproblematiek (alcohol en drugs), met name de bewoners van het “ [naam complex] ” ( [aantal] appartementen waar volgens het wijkteam veel alcohol- en drugsverslaafden wonen). Deze bewoners zullen naar de mening van het wijkteam zeker gebruik gaan maken van het terras om hun drank te nuttigen. Verder ligt het terras op de looproute van en naar de binnenstad van Roermond, waardoor het terras extra aantrekkelijk wordt voor deze doelgroep. Ook ligt het horecabedrijf van eiser op loopafstand van het kantoor van [naam 4] , waar cliënten met een verslavingsproblematiek worden behandeld. Volgens het advies vreest het wijkteam dat het horecabedrijf en zeker het terras een hangplek wordt voor deze mensen en dat daarbij aantasting van het woon- en leefklimaat plaatsvindt. Daarnaast vreest het wijkteam dat de openbare orde en veiligheid voor de kinderen van de op loopafstand liggende basisschool, de bewoners van PSW (met mensen met een verstandelijke beperking) en de jeugd die in de buurt naar het voortgezet onderwijs gaat, negatief beïnvloed wordt. Verder heeft het wijkteam aangegeven dat het woon- en leefklimaat en het veiligheidsgevoel in de wijk [naam 1] al extra onder druk staat.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het hiervoor vermelde advies van het wijkteam de ernst en de omvang van de (alcohol)verslavingsproblematiek in de wijk en de overlast waaraan het woonmilieu ter plaatse als gevolg hiervan reeds blootstaat onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Dat sprake is van overlast in de huidige situatie is niet aangetoond of aannemelijk gemaakt. Daarnaast is het gestelde causaal verband van het verergeren van deze overlast als gevolg van het door eiser verzochte terras onvoldoende aannemelijk gemaakt. Verweerder stelt dat het terras voor het horecabedrijf van eiser een aantrekkelijke plek is voor verslaafden, dat verslaafden zich hier zullen ophouden en voor overlast gaan zorgen, maar heeft dit niet nader onderbouwd. Niet is onderzocht hoe reëel de aantrekkingskracht van het terras bij een cafetaria is op alcoholverslaafden en wat de omvang van de overlast zal zijn. Dat geldt temeer nu ter zitting is gebleken dat het zogenaamde “ [naam complex] ” geen woongebouw is dat bedoeld is voor huisvesting van verslaafden, maar sociale huurwoningen betreft waar ook verslaafden wonen. Verweerder heeft niet geconcretiseerd hoeveel (alcohol)verslaafden er in dit complex of in de wijk wonen, op basis waarvan verweerder bewoners als verslaafd aanmerkt, welke verslavingsproblematiek deze bewoners hebben en hoeveel overlast zij in de huidige situatie veroorzaken. Dat cliënten met een verslavingsproblematiek van [naam 4] als gevolg van het terras voor overlast gaan zorgen is eveneens niet door verweerder geconcretiseerd en aannemelijk gemaakt. Niet gemotiveerd is waarom het terras van eiser de gestelde overlast ter plaatse zou verergeren (of anderszins voor overlast zal zorgen) en waarom dit voor meer overlast zorgt dan andere plekken waar verslaafden zich kunnen ophouden, zoals hangplekken in de omgeving (bijvoorbeeld aanwezige bankjes in het openbaar gebied), waar verslaafden alcohol kunnen drinken en waar geen toezicht is. Dit terwijl juist bij een terras wel toezicht wordt gehouden door de horecaondernemer, waardoor daar het ontstaan van overlast kan worden voorkomen. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen toezicht zou kunnen houden op zijn terras vanuit zijn horecabedrijf, eiser dit standpunt van verweerder voldoende heeft weerlegd. Bovendien kan er naar het oordeel van de rechtbank zonder nadere onderbouwing op dit punt niet vanuit worden gegaan dat alcoholverslaafden juist bij een horecagelegenheid hun alcohol gaan kopen en nuttigen terwijl daar alcohol duurder is dan bijvoorbeeld in een supermarkt, die ook in deze wijk aanwezig is op loopafstand van het [naam complex] en het cafetaria.

11. Dat het terras (verergering van) overlast zal veroorzaken is kortom onvoldoende aannemelijk gemaakt. De stelling of vrees dat het gestelde (maar niet onderbouwde) hoge percentage verslaafden in deze wijk voor overlast zorgt, maakt niet dat het aangevraagde terras ook overlast zal veroorzaken. Dat dit terras een aantrekkelijke plek zou zijn voor verslaafden, is niet aannemelijk gemaakt. Het advies van het wijkteam lijkt vooral te berusten op aannames en op vrees voor overlast, zonder dat dit concreet is onderbouwd.

12. Gezien het voorgaande, ontbeert het bestreden besluit een zorgvuldige voorbereiding en deugdelijke motivering. De beroepsgronden van eiser op dit punt slagen. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De overige in beroep aangevoerde gronden behoeven geen bespreking meer.

13. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet geen mogelijkheid tot finale geschilbeslechting, omdat het aan verweerder is, al dan niet op basis van nader onderzoek, om te beoordelen hoe hij, met inachtneming van deze uitspraak, gebruik gaat maken van zijn bevoegdheid. Daarom wordt volstaan met een vernietiging van het bestreden besluit en de opdracht aan verweerder om een nieuw besluit op bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoed.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,00 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser/es/s tot een bedrag van € 1.050,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Snijders, rechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier, op 22 juli 2020

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

rechter

de griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op: 22 juli 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.