Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:5077

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
13-07-2020
Datum publicatie
28-07-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1417
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

13b Opiumwet.

Sluiting woning te Sittard-Geleen voor de duur van zes maanden. Verzoekers voeren bijzondere omstandigheden aan waaronder revalidatie, psychische hulpverlening en een penibele financiële situatie. Voorziening is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 20/1417

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 juli 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] en [naam 2] , te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. J.K.T. Schoffelen),

en

de burgemeester van de gemeente Sittard-Geleen, verweerder

(gemachtigde: mr. B.A.M. Hendrix).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet aan verzoekers een last onder bestuursdwang opgelegd in de vorm van een sluiting van de woning aan de [adres] te [woonplaats] met ingang van 5 juni 2020 voor de duur van zes maanden.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft meegedeeld de effectuering van de last onder bestuursdwang op te schorten tot de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2020. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter kan een voorziening treffen, indien is voldaan aan de vereisten die in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan vermeld. In dit artikel is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan de twee in artikel 8:81 van de Awb neergelegde formele vereisten is voldaan, nu verzoekster een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de bestuursrechter bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat het spoedeisend belang bij het verzoek voldoende is aangetoond.

4. Hetgeen onder 3. is overwogen, brengt met zich mee dat de voorzieningenrechter overgaat tot het geven van een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over het bestreden besluit. In dit kader moet de voorzieningenrechter toetsen of verweerder bevoegd was tot sluiting over te gaan én of hij in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid.

5. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Na een melding op 11 januari 2020 dat er een explosie had plaatsgevonden in de woning waar verzoekers beide wonen, gelegen aan [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) heeft de politie-eenheid Limburg op 11 januari 2020 en 12 januari 2020 onderzoek verricht in de woning. Tijdens de doorzoeking op 12 januari 2020 zijn er naast een aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen ook wapens en patronen aangetroffen.

5.1

In de woning werden de volgende verdovende middelen van lijst I van de Opiumwet aangetroffen:

  • -

    9,4 gram ketamine;

  • -

    532 gram pasta (meth) amfetamine;

  • -

    319 gram pasta (meth) amfetamine;

  • -

    7 stuks XTC;

  • -

    51,7 gram ketamine;

  • -

    840 gram (meth) amfetamine;

  • -

    diverse flesjes waarvan het vermoeden bestaat dat daarin grondstoffen zaten die gebruikt kunnen worden voor het fabriceren van verdovende middelen;

  • -

    meerdere lege jerrycans met opschrift (methanol).

5.2

In de woning werden de volgende verdovende middelen van lijst II van de Opiumwet aangetroffen:

  • -

    1,8 gram hennep (droog);

  • -

    22,3 gram hennep (droog);

  • -

    26,7 gram hennep (droog);

  • -

    20,5 gram hashish

5.3

In de woning werden tevens de volgende voorwerpen aangetroffen:

  • -

    5 dozen totaal 26 kilo 1.1g vuurwerk;

  • -

    5 mortierbuizen;

  • -

    enkele cobra 6 met een netto explosieve massa van 28,0 gram;

  • -

    attributen die duiden op knutselen met vuurwerk;

  • -

    9 mm volmantel patronen;

  • -

    1 wapen (geweer, zijnde buks);

  • -

    1 doos met diverse patronen (totaal aantal onbekend);

  • -

    1 vuurwapen (pistool, lederen foudraal);

  • -

    1 vuurwapen (geweer, kaliber .22);

  • -

    1 alarmpistool (inclusief 25 patronen);

  • -

    1 luchtdrukwapen;

  • -

    1 slugpatroon (rood);

  • -

    1 doos met 12 patronen;

  • -

    1 zak met 49 patronen;

  • -

    1 busje pepperspray;

  • -

    1 patroon;

  • -

    1 luchtdrukwapen (Mauser);

  • -

    1 luchtdrukwapen (Walther BU).

5.4

In de auto werden 1 zakje met 1,2 gram hennep en 1 patroon aangetroffen.

6. Bij brief van 9 maart 2020 heeft verweerder verzoekers in kennis gesteld van het voornemen tot sluiting van de woning over te gaan. Verzoekers hebben van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen geen gebruik gemaakt.

7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet en het daarop gebaseerde Damoclesbeleid de sluiting van de woning gelast voor de duur van zes maanden. In verband met het Coronavirus is verweerder tot 1 juni 2020 niet overgegaan tot sluiting van de woning. Gelet op de huidige stand van zaken en de diverse versoepelingen in de corona-maatregelen heeft verweerder besloten om niet tot (nog) verdere opschorting over te gaan. Aan verzoekers wordt een begunstigingstermijn geboden van 72 uur waarin zij zelf uitvoering kunnen geven aan de last door de woning en alle aan- en bijgebouwen, hekwerken en poorten te sluiten en voor de duur van zes maanden gesloten te houden. De begunstigingstermijn gaat in op de dag na de dag waarop de last onder bestuursdwang is verzonden.

8. Volgens verzoekers maakt verweerder ten onrechte gebruik van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning. Er is volgens verzoekers geen sprake van een evenredige belangenafweging. Niet gebleken is dat er concrete aanwijzingen zijn dat sprake is van of aan de drugshandel gerelateerde overlast. Van “loop” op de woning is niet gebleken. Evenmin zijn in de woning attributen aangetroffen die duiden op handel in of vanuit de woning, zoals gripzakjes of een weegschaal. Verzoekers stellen voorts dat zij een bijzondere binding met de woning hebben. Verzoekers bevinden zich in een penibele financiële situatie. Verwezen wordt naar een emailbericht aan alle ketenpartners van [naam 3] , maatschappelijk werkster. Verweerder heeft de belangen van verzoekers onvoldoende betrokken bij de besluitvorming.

Bestaat bevoegdheid tot sluiting?

9. Voor de beoordeling geldt artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet als wettelijk kader. Hierin is bepaald dat verweerder bevoegd is tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II van deze wet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is dan wel een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 11a voorhanden is.

10. Ter uitvoering van de bevoegdheid neergelegd in artikel 13b van de Opiumwet heeft verweerder het Damoclesbeleid Sittard-Geleen (Damoclesbeleid) vastgesteld. Hierin is bepaald dat bij constatering van verkoop, aflevering of verstrekking dan wel het daartoe aanwezig hebben van harddrugs, zonder waarschuwing, de woning wordt gesloten voor de duur van zes maanden.

11. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 1 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2933), overwogen dat mag worden aangenomen dat een meer dan geringe hoeveelheid drugs niet, althans niet uitsluitend, voor eigen gebruik van een persoon bestemd is, maar deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. Daarbij kan in redelijkheid worden aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria, volgens welke een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram als hoeveelheid voor eigen gebruik worden aangemerkt. Bij de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid is in beginsel aannemelijk dat deze bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van verzoekers om het tegendeel aannemelijk te maken. Deze lijn heeft de Afdeling in de uitspraak van 14 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:738) nogmaals bevestigd.

12. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de bestuurlijke rapportage volgt dat in de woning van verzoekers een hoeveelheid harddrugs en softdrugs is aangetroffen die de gebruikershoeveelheid ruimschoots overschrijdt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2222), mag een bestuursorgaan, in dit geval verweerder, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bestuurlijke rapportage op ambtsbelofte is opgesteld door een politieambtenaar. De voorzieningenrechter heeft geen reden om te twijfelen aan de inhoud van de bestuurlijke rapportage.

13. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is voor de beoordeling of verweerder bevoegd is over te gaan tot toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet niet vereist dat onomstotelijk is bewezen dat een middel als bedoeld in die bepaling is verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is geweest. Voldoende is dat verweerder dit aannemelijk heeft gemaakt. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 19 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA3702) en 30 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:371). De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat in de woning een middel als bedoeld in lijst I en II aanwezig is geweest.

14. Gelet op vorenstaande overwegingen komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verweerder bevoegd is de woning te sluiten.

Handelt verweerder in overeenstemming met het beleid?

15. Gelet op de onder 5. weergegeven aangetroffen middelen is er sprake van een grote hoeveelheid harddrugs. In het Damoclesbeleid Sittard-Geleen is bepaald: “indien bij een eerste overtreding sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van harddrugs, wordt de woning zonder waarschuwing gesloten voor de duur van zes maanden”. De sluiting en de sluitingsduur zijn in overeenstemming met het beleid.

Had verweerder van sluiting moeten afzien?

16. Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot sluiting van zes maanden heeft kunnen overgaan. Over de vraag of er in dit geval bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder van zijn beleid had moeten afwijken, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

17. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb dient de burgemeester, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2840), alle omstandigheden van het geval te betrekken bij zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf, dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet op een woning, die raakt aan het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht, heeft voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen. Zoals de Afdeling heeft overwogen (uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912) dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn.

18. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd geen bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin. Eerst tijdens de behandeling ter zitting hebben verzoekers gesteld getraumatiseerd te zijn door de gebeurtenis op 11 januari 2020. Verzoeker is door de explosie zijn hand is verloren, en – vanwege de Corona-crisis - pas sinds kort bezig te zijn met de revalidatie en psychische hulpverlening. Dit nu wordt doorkruist door de woningsluiting. De voorzieningenrechter ziet echter geen onderbouwing van dit standpunt (met medische stukken), en meer geconcretiseerd welke invloed de woningsluiting heeft op de gezondheidssituatie van verzoekers. De enkele stelling dat de woningsluiting een psychische belasting meebrengt, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende concreet. Niet inzichtelijk is gemaakt dat een woningsluiting onevenredige gevolgen heeft voor de gezondheidstoestand van verzoekers. Of dat verzoekers in andere zin gebonden zijn aan deze woning met betrekking tot vervoer van en naar de revalidatie bij Adelante.

Verzoekers hebben aangegeven dat zij dit naar voren hadden willen brengen bij hun zienswijze. Zij zijn van mening dat het niet aan hen ligt dat zij, ondanks de mogelijkheid die hen geboden was om een zienswijze in te dienen, dit niet hebben gedaan. Verweerder had hen kenbaar had gemaakt dat door de maatregelen in verband met Corona de situatie opnieuw bekeken zou worden. Zij gingen er dus vanuit dat ze nog in de gelegenheid gesteld zouden worden hun zienswijze naar voren te brengen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hieruit echter niet blijkt dat verzoekers geen zienswijze zouden hebben kunnen indienen. Dat het besluit tot sluiting werd opgeschort, vond immers enkel plaats vanwege de maatregelen in verband met Corona.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder gelet op voorgaande geen aanleiding hoeven zien om van zijn beleid af te wijken. Het gegeven dat een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen impliceert voorts reeds dat de woning bekend is in het drugscircuit. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2562). Het betoog van verzoekers dat er geen loop was en dat er geen overlast is geweest treft, gelet op voornoemde uitspraak van de Afdeling, daarom geen doel. Hoewel de voorzieningenrechter op zichzelf geen aanleiding heeft te twijfelen aan de stellingen van verzoekers dat sluiting grote financiële gevolgen zal hebben, moet de voorzieningenrechter vaststellen dat verzoekers helemaal geen stukken over hun gestelde penibele financiële situatie hebben overgelegd. Dit geldt evenzeer voor de omgang met de dochter van verzoekster die nu in het gedrang zou komen. Ook hierover zijn gen stukken overgelegd. Voorts kan het moeilijk of niet kunnen vinden van vervangende woonruimte niet zonder meer als bijzondere omstandigheid worden beschouwd. Volgens de Afdeling geldt het moeilijk kunnen vinden van woonruimte voor een ieder van wie de woning op grond van artikel 13b Opiumwet wordt gesloten. Het is aan de bewoner om ook aannemelijk te maken dat deze niet over vervangende woonruimte kan beschikken (ECLI:NL:RVS:2017:3057). Hierin zijn verzoekers niet geslaagd. Verzoekers hebben immers ook in zoverre hun betoog niet onderbouwd met documenten. Niet gebleken is dat verzoekers pogingen hebben ondernomen om alternatieve huisvesting te zoeken. Ter zitting heeft gemachtigde van verweerder naar voren gebracht dat het zoeken van een alternatieve huisvesting tot de verantwoordelijkheid van verzoekers hoort maar dat verweerder bij een crisissituatie zal helpen bij het zoeken van een vervangende woonruimte. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder het algemeen belang dat is gediend met beëindiging van de bekendheid van de woning in het drugscircuit door sluiting van de woning dan ook in redelijkheid van groter gewicht kunnen laten zijn, dan het belang van verzoekers om te kunnen blijven wonen in de woning. De door verzoekers aangevoerde omstandigheden zijn afzonderlijk noch in samenhang bezien zodanig dat die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om van de beleidsregels af te wijken.

19. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder bevoegd was de woning te sluiten en dat verweerder ook in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van deze bevoegdheid. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Gruiters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van B. van Dael, griffier. De beslissing is uitgesproken op 13 juli 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nog nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 13 juli 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.