Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:5048

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-07-2020
Datum publicatie
29-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 406
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser een tegemoetkoming in planschade toegekend. In beroep wordt aangevoerd dat verweerder is uitgegaan van een aantal onjuiste uitgangspunten zoals ten aanzien van groenblijvende beplanting, onjuiste saldering, CO2en bezonning. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich heeft kunnen baseren op het planschadeadvies. Dat geldt ook ten aanzien van het aspect bezonning voor zover daarover in het planschadeadvies niets is gezegd. Op basis van de behandeling ter zitting neemt de rechtbank aan dat voldoende aannemelijk is dat dit geen aparte schadefactor is. De rechtbank sluit ook aan bij de taxatie van verweerder als het gaat om de kwalificatie van de schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB/ROE 19/406

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2020 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T.A.P. Langhout),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas, verweerder

(gemachtigde: drs. A.P. Langerak).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een planschadevergoeding van € 9.700,- toegekend.

Bij besluit van 19 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard en met een aanvullende motivering het primaire besluit in stand gelaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Daarop heeft eiser gereageerd bij brief van 20 mei 2020.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2020.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van een woning met twee wooneenheden gelegen aan [adres] te [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [sectieletter] nummers, [nummer 1] en [nummer 2] . Bij brief van 3 maart 2017 heeft eiser een aanvraag om tegemoetkoming in planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening ingediend. Als gevolg van de wijziging van het bestemmingsplan “Kern [woonplaats] ” in het nieuwe bestemmingsplan “ [locatie] ” stelt eiser dat zijn eigendom minder waard wordt. Naar aanleiding van de aanvraag heeft Ruimtemeesters B.V. (Ruimtemeesters), in opdracht van verweerder, op 9 maart 2018 een planschadeadvies uitgebracht. Hierin wordt geadviseerd om eiser ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan “ [locatie] ” een planschadevergoeding toe te kennen van € 9.700,-.

2. In het primaire besluit heeft verweerder conform dit planschadeadvies besloten eiser een planschadevergoeding van € 9.700,- toe te kennen, omdat sprake is van planologisch nadeel bestaande uit aantasting van privacy en woongenot, belemmering van uitzicht, geluidsoverlast en aantasting van situeringswaarde. Verweerder heeft dit besluit onder aanvulling met de taxatie van 3 december 2018 in het bestreden besluit gehandhaafd.

3. In beroep heeft eiser een contra-expertise planschade van Langhout & Wiarda van

1 maart 2019 overgelegd. Hierin wordt geconcludeerd dat aan het planschadeadvies van Ruimtemeesters zodanige gebreken kleven dat dit in alle redelijkheid niet had mogen worden gevolgd en dat voor eiser een voor vergoeding in aanmerking komende schade van

€ 34.700,- is opgetreden.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen over de getaxeerde waarde van de woning vóór de peildatum van 10 november 2011 en de hoogte van het normaal maatschappelijk risico van 3%, geen verschil van mening bestaat. De geschilpunten betreffen bepaalde uitgangspunten bij de planvergelijking en de kwalificatie van de schade.

6. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

7. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Vergelijk de uitspraak planschade van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Strate (Afdeling) van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582).

7.1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2398, volgt dat indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

Bezonning

8. Langhout & Wiarda stellen aan de hand van de zonnebanenkaart van het KNMI beoordeeld te hebben of de bezonningssituatie is verslechterd. Gesteld wordt dat, gelet op de afstand van de planologisch mogelijk geworden woningen van maximaal 10 meter hoog en de planologische mogelijkheden die het voorafgaande planologische regime al bood, met name in delen van de tuin en delen van de woning sprake is van een nadelige wijziging voor de opeenvolgende bezonningssituaties. Het planologisch nadeel wordt als middelzwaar gekwalificeerd. In het advies van Ruimtemeesters wordt volgens eiser de invloed van schaduwwerking of bezonning ten onrechte beperkt tot eisers woning, omdat ook de veranderde schaduwwerking of bezonning voor de tuin van invloed is op het waarde bepalende woongenot van de woning.

9. Ruimtemeesters acht het door de ruime afstand tussen eisers boerderijwoning en de nieuwe woningen (ongeveer 20 tot 40 meter) niet aannemelijk dat eiser zal worden geconfronteerd met belemmerende schaduwwerking of bezonning. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat naar de bezonning in de tuin wel gekeken is, maar dat dit geen aparte schadefactor is. Het maakt immers onderdeel uit van het woongenot, dat volgens Ruimtemeesters is aangetast en op die manier is meegenomen bij de bepaling van de schade. Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard dat de bezonning in de tuin niet relevant is om mee te nemen, omdat de woning van eiser een oud agrarisch bedrijf betreft, waarbij de afstand tussen de nieuwe woningen en eisers woonerf - zijnde maar een deel van zijn gronden - fors is.

10. Ter zitting is de situatie ter plaatse bekeken via google maps. Niet betwist is dat rondom de boerderijwoning van eiser een tuin ligt, met aan de achterkant een in eigendom van eiser toebehorend weiland. De percelen van eiser zijn groot, namelijk tezamen [perceelgrootte] m² en grenzen aan de noordzijde aan de voorziene bebouwing. De boerderijwoning van eiser is met de voorgevel gericht op het oosten, waar de bestemming ‘natuur’ op rust. Aan de zuidoostzijde kunnen door het nieuwe bestemmingsplan vrijstaande- en twee-onder-een-kap woningen worden gerealiseerd op een afstand van ongeveer 20-40 meter van de boerderijwoning. Hoofdgebouwen mogen alleen worden gebouwd in de “zone hoofdgebouw” met een goothoogte van maximaal 6,5 meter en bouwhoogte van maximaal 10 meter, waarbij de afstand van een vrijstaande woning tot de zijdelingse perceelgrenzen minimaal 3 meter dient te zijn. Aan de noordzijde van eisers eigendom zijn bedrijven gesitueerd op zo’n 60 meter afstand van de woning.

Gelet op de door verweerder gegeven motivering alsmede de situering van de tuin en de grootte van eisers perceel /percelen, is de rechtbank van oordeel dat het voldoende aannemelijk is (vanuit een redelijk denkend en handelend koper) dat de veranderde schaduwwerking of bezonning voor de tuin niet dusdanig is dat hierdoor de waarde van eisers eigendom verslechtert. Voorts heeft eiser enkel gesteld dat blijkens de zonnebanenkaart van het KNMI de bezonningssituatie is verslechterd en deze verslechtering als middelzwaar gekwalificeerd. Hij heeft niet, middels overlegging van deze banenkaart toegepast op eisers percelen, inzichtelijk gemaakt waar en wanneer (in welke tijdsperiode van de dag en het jaar) op eisers perceel minder bezonning plaatsvindt door de nieuwe woningen. Onduidelijk is of er gedurende het gehele jaar minder bezonning plaatsvindt, of enkel gedurende het voor- en najaar en op welk deel van de percelen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser ten aanzien van de gestelde verslechtering van de bezonning in de tuin geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het planschadeadvies van Ruimtemeesters naar voren heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee in redelijkheid kunnen stellen dat eiser niet zal worden geconfronteerd met belemmerende schaduwwerking of bezonning. Verweerder heeft dit niet hoeven aan te merken als een (aparte) schadefactor. Het betoog slaagt niet.

Groenblijvende beplanting

11. Eiser voert vervolgens aan dat in het advies van Ruimtemeesters ten onrechte is gesteld dat eventuele aanwezige groenblijvende beplanting van eiser meegewogen mag worden bij de taxatie van de planschade als schade verminderende factor.

12. Wat de groenblijvende beplanting op het perceel van eiser betreft overweegt de rechtbank dat - daargelaten of verweerders standpunt dat deze beplanting meegenomen mag worden bij de taxatie juist is - uit het advies van Ruimtemeesters niet blijkt dat groenblijvende beplanting op eisers perceel is meegewogen in de taxatie van de planschade als schade verminderende factor. Hoewel Ruimtemeesters in paragraaf 8.0 van het advies bij de beschrijving van het algemene toetsingskader heeft opgenomen dat groenblijvende beplanting meegenomen mag worden, volgt uit de rest van het advies niet dat Ruimtemeesters groenblijvende beplanting op eisers perceel heeft meegewogen als schade verminderende factor. Immers, bij de onder 14 opgenomen taxatie en in de aanvullende taxatie van 3 december 2018 wordt een omschrijving gegeven van de gebouwen en het erf, waarbij enkel is aangegeven dat de tuin is voorzien van een gazon, diverse sierbeplanting en bomen, alsmede dat tevens een weiland aanwezig is rondom de woning.

Saldering bouw- en gebruiksmogelijkheden

13. Eiser betoogt voorts dat bij de vergelijking van de bebouwingsmogelijkheden ten onrechte een voor de vergelijking van de gebruiksmogelijkheden behorende schadefactor - (milieu)hinder van de agrarische bestemming en van sportvelden - betrokken is. Indien het vervallen van deze vormen van hinder ook wordt meegenomen bij de vergelijking van de opeenvolgende gebruiksmogelijkheden dan vindt tweemaal een aftrek plaats.

14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het advies van Ruimtemeesters nergens wordt aangegeven dat het nieuwe bouwregime wordt gesaldeerd met de weggevallen gebruiksmogelijkheden van een sportterrein. Onder 10.3 van het planschadeadvies worden de oude en nieuwe vormen van gebruik concreet tegen elkaar afgezet met als conclusie dat de gebruiksintensiteit onder het oude planologische regime nadeliger is voor eiser.

15. De rechtbank overweegt dat uit de analyse van de bouwmogelijkheden van Ruimtemeesters niet blijkt dat positief is gesaldeerd voor de weggevallen vormen van (milieu)hinder verbonden aan de agrarische- en sportdoeleinden bestemming. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat nergens is aangegeven dat het nieuwe bouwregime wordt gesaldeerd met de weggevallen gebruiksmogelijkheden van een sportterrein. Weliswaar wordt dit genoemd in paragraaf 10.2 van het planschadeadvies, echter dit betreft een zijdelingse constatering, terwijl de hele paragraaf enkel gaat over de bouwmogelijkheden. Immers, in deze paragraaf wordt ook genoemd dat ten zuidwesten de gronden bestemd waren voor sportdoeleinden waarop geen gebouwen mochten worden gebouwd en is gesteld dat waar eiser voorheen aan de achterzijde van zijn woning kon uitzien over relatief onbebouwde gronden, het nieuwe bestemmingsplan “ [locatie] ” heeft geleid tot ruimere bebouwingsmogelijkheden. Vervolgens wordt geconcludeerd dat het ruimtelijke effect door de nieuwe woningbouwmogelijkheden op de eigendom van aanvragers, aan de zuidoostzijde als planologische nadeliger wordt beschouwd. In 10.3 van het advies is aangegeven dat het woongebruik in de nieuwe situatie een meer permanent gebruik toelaat dat per saldo nadeliger is. Ruimtemeesters acht het aannemelijk dat vanwege de nieuwe woonbestemming eiser per saldo wordt geconfronteerd met een intensiever en permanenter gebruik dicht bij zijn woning en tuin, waardoor de gebruiksintensiteit van negatieve invloed zal zijn op zijn eigendom. Het betoog slaagt niet.

Criterium ‘buitenproportioneel’

16. Volgens eiser wordt in 10.5 van het planschadeadvies van Ruimtemeesters een onjuist criterium gehanteerd bij de bepaling of sprake is van planologisch nadeel voor geluid, licht en bezonning. Ruimtemeesters stelt zich op het standpunt dat beoordeeld dient te worden of er ten gevolge van het bestemmingsplan voor eiser een nadeliger situatie is ontstaan die zodanig buitenproportioneel is dat dit het woongenot op onaanvaardbare wijze aantast en tot waardevermindering van de woning heeft geleid. Dit betreft volgens eiser een onjuist criterium ter beoordeling of sprake is van planologisch nadeel. Het criterium heeft volgens eiser niet enkel betrekking op geluid, omdat de tekstgedeeltes waarnaar verweerder verwijst expliciet en ondubbelzinnig zijn opgenomen in paragraaf 10.5 welke in het kopje wordt aangeduid als: Geluid, licht en bezonning.

17. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat dit beoordelingscriterium, blijkens paragraaf 10.5 van het advies, slechts betrekking heeft op de schadefactor geluid. Eiser heeft enkel gesteld dat het gehanteerde criterium onjuist is, zonder onderbouwing waarom dit onjuist is en wat wel het juiste criterium zou zijn. Hiermee is in het tegenadvies van Langhout & Wiarda niet aannemelijk gemaakt dat het planschadeadvies van Ruimtemeesters onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel anderszins (inhoudelijk) onjuist is. Tevens heeft Ruimtemeesters op basis van dit criterium geoordeeld dat er buitenproportioneel meer geluidsoverlast vanwege verkeer en woonomgevingsgeluiden zal ontstaan, hetgeen in het voordeel van eiser is, waardoor niet valt in te zien wat eiser wil bereiken met deze grond.

Luchtkwaliteit

18. Eiser stelt zich op het standpunt dat Ruimtemeesters met betrekking tot de luchtkwaliteit uitgaat van een onjuist criterium, omdat het feit dat geen sprake is van normoverschrijding van de CO₂ en fijnstof uitstoot, nog niets zegt of sprake is van een planologische verslechtering. Nu de input die Ruimtemeesters ten grondslag heeft gelegd aan de planvergelijking onjuist is, is ook de output onjuist en kleeft volgens eiser aan het advies een zodanig gebrek dat dit niet had mogen worden gevolgd.

19. Ruimtemeesters verwijst ten aanzien van de gestelde toename van CO₂ dan wel fijnstof naar de toelichting in paragraaf 5.15 Luchtkwaliteit van het bestemmingsplan “ [locatie] ”, waarin op basis van onderzoek is geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de norm voor stikstofdioxide worden vastgesteld en aldus wordt voldaan aan de normen c.q. grenswaarden uit het Besluit luchtkwaliteit 2005. Ook zijn er geen overschrijdingen van de norm voor fijnstof te verwachten. Verweerder stelt aanvullend dat zowel onder het voorheen geldende planologische regime als onder het nieuwe planologische regime dezelfde CO₂ normen van toepassing zijn. Onder het nieuwe planologische regime mag dezelfde hoeveelheid CO₂ geproduceerd worden als onder het oude. Derhalve kan niet gesproken worden van een planologische verslechtering. Dat de hoeveelheid CO₂ onder het voorheen geldende planologische regime niet werd benut, doet daar niets aan af.

20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee afdoende gemotiveerd dat niet gesproken kan worden van een planologische verslechtering wat betreft de CO₂- en fijnstof uitstoot, omdat zowel onder het voorheen geldende planologische regime als onder het nieuwe bestemmingsplan dezelfde CO₂ normen van toepassing zijn. Hierbij is niet van belang dat de hoeveelheid CO₂ onder het voorheen geldende bestemmingsplan niet werd benut, aangezien bij de planvergelijking niet de feitelijke situatie van belang is, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.

21. De conclusie is dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat Ruimtemeesters een onafhankelijke en onpartijdige deskundige is die op objectieve wijze verslag heeft gedaan, waarbij op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies zijn niet onbegrijpelijk. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dit onderzoek naar voren gebracht. Gelet hierop mocht verweerder van het planschadeadvies van Ruimtemeesters uitgaan.

Taxatie / kwalificatie schade

22. Eiser voert aan dat volgens hem de schade als zwaar kan worden aangemerkt en dat er aan de aanvullende taxatie van 3 december 2018 een aantal onjuiste planologische uitgangspunten ten grondslag ligt en dat geen inzicht wordt gegeven in de waarde druk die van de verschillende onderdelen van de wijziging van het bestemmingsplan uitgaat. Hierdoor kan de taxatie volgens eiser niet in stand blijven.

23. Naar aanleiding van het bezwaarschrift en het advies van de commissie bezwaarschriften heeft een nieuwe taxatie plaatsgevonden, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het taxatierapport van 3 december 2018. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan deze namens verweerder verrichte waardering van de langgevelboerderij met ondergrond, tuin en aanhorigheden van eiser onder het oude en nieuwe planologische regime. De taxatie is vastgesteld door een taxateur, zijnde een beëdigd rentmeester NVR en Registerdeskundige DOBS, die de situatie ter plaatse heeft opgenomen. De taxatie is verricht met behulp van de comparatieve methode en in de taxatie worden drie referentieobjecten genoemd. De inzichten van een taxateur zijn gebaseerd op zijn kennis, ervaring en bekendheid. Naar het oordeel van de rechtbank kan van de taxatie worden uitgegaan, nu daarin inzichtelijk is gemaakt welke feiten en omstandigheden daaraan ten grondslag zijn gelegd. De taxatie bevat verder geen tegenstrijdigheden en is voldoende duidelijk. Voorts heeft eiser, via de contra-expertise van Langhout & Wiarda, geen aanknopingspunten geboden voor het oordeel dat het advies van Ruimtemeesters op het onderdeel van de taxatie zodanige gebreken vertoont dat verweerder zijn besluit daarop niet in redelijkheid heeft kunnen baseren. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de contra-expertise geen zelfstandige taxatie bevat. Wat betreft de stelling dat geen inzicht wordt gegeven in de waarde druk, overweegt de rechtbank dat Ruimtemeesters wat betreft privacy, geluid en uitzicht in het schadeadvies wel een kwalificatie van de mate van aanwezigheid c.q. toename heeft gegeven. Wat betreft de situeringswaarde is aangegeven dat deze wordt aangetast.

Verweerder geeft aan op grond van het planschadeadvies van Ruimtemeesters dat sprake is van ‘middelmatige schade’, met ‘meer dan enkele procenten waardevermindering’, waaraan een waardevermindering van 4-6% wordt gekoppeld. Bij een dergelijke grotere negatieve invloed van een planologische mutatie, bijvoorbeeld door een samengaan van meerdere schadefactoren en door een ingrijpender gevolg van deze schadefactoren, zal de taxatie resulteren in een waardevermindering van méér dan enkele procenten. Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van het planschadeadvies (met taxatie) van Ruimtemeesters dat verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen, niet ten onrechte uitgegaan van een middelmatige schade, omdat sprake is van meerdere schadefactoren, te weten privacy/woongenot, uitzicht, geluidsoverlast en situeringswaarde. Eisers stelling dat sprake is van de kwalificatie zwaar, met een waardevermindering van 7-9% volgt de rechtbank dan ook niet. Van een dergelijke kwalificatie is sprake wanneer zich meerdere schadefactoren ingrijpend voordoen dan wel één schadefactor in zeer ingrijpende mate. De toeneming bijvoorbeeld van de geluidsbelasting op een woning met 10 dB(A), al dan niet na een ontheffing van de geluidsgrenswaarde, zal in de praktijk worden gewaardeerd als een ernstige schade. Hiervan is, gelet op het advies van Ruimtemeesters, geen sprake

Voorts dient deze gehanteerde indeling in schadecategorieën als controlemiddel en heeft niet als norm te gelden. Voorts kan de bestuursrechter een taxatie slechts terughoudend toetsen, omdat daarbij kennis, ervaring en intuïtie van de desbetreffende deskundige een rol speelt (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2939).

Het betoog slaagt niet.

Nader advies?

24. Eiser stelt zich in de reactie op het verweerschrift van 20 mei 2020 op het standpunt dat verweerder nader advies had dienen in te winnen bij Ruimtemeesters voor zover de beroepsgronden betrekking hebben op de waardering van de planologische vergelijking. Immers, verweerder wordt niet geacht deskundig en onafhankelijk te zijn in relatie tot de vraag of en in welke mate een planologische verslechtering en schade is opgetreden. Op grond van artikel 6.1.3.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient verweerder de adviseur opnieuw in de advisering te betrekken als blijkt dat deze een onjuiste planvergelijking heeft gemaakt.

25. Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder nader advies in te winnen indien in het advies op niet inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies van het onderzoek ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies onbegrijpelijk zijn. Tevens dient verweerder een contra expertise voor te leggen aan de deskundige indien hierin concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het planschadeadvies van de door verweerder ingeschakelde deskundige naar voren zijn gebracht. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat hiervan geen sprake is, zodat verweerder niet gehouden was nader advies te vragen aan Ruimtemeesters. Eisers stelling dat verweerder op grond van artikel 6.1.3.2 van het Bro gehouden was nader advies te vragen volgt de rechtbank niet, omdat op grond van dat artikel een adviseur advies dient uit te brengen over de op de aanvraag te nemen beslissing en Ruimtemeesters geen onjuiste planvergelijking heeft gemaakt.

Conclusie

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er in de contra-expertise van Langhout & Wiarda geen grond wordt gezien voor het oordeel dat het planschadeadvies (met taxatie) van Ruimtemeesters naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet in redelijkheid aan zijn besluitvorming ten grondslag kon leggen en eiser dus een planschadevergoeding heeft kunnen toekennen van € 9.700,-.

26 Het beroep is ongegrond.

27 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.M. van den Brekel, griffier, op 13 juli 2020

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd deze rechter

uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op: 13 juli 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.