Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:5030

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-07-2020
Datum publicatie
29-07-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 405
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser een tegemoetkoming in planschade toegekend. In beroep wordt aangevoerd dat verweerder is uitgegaan van een aantal onjuiste uitgangspunten zoals ten aanzien van groenblijvende beplanting, onjuiste saldering, ophoging en bezonning. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich heeft kunnen baseren op het planschadeadvies. Dat geldt ook ten aanzien van het aspect bezonning voor zover daarover in het planschadeadvies niets is gezegd. Op basis van de behandeling ter zitting neemt de rechtbank aan dat voldoende aannemelijk is dat dit geen aparte schadefactor is. De rechtbank sluit ook aan bij de taxatie van verweerder als het gaat om de kwalificatie van de schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB/ROE 19/405

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2020 in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T.A.P. Langhout),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas, verweerder

(gemachtigde: drs. A.P. Langerak).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een planschadevergoeding van € 2.250,- toegekend.

Bij besluit van 19 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard en met een aanvullende motivering het primaire besluit in stand gelaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Daarop heeft eiser gereageerd bij brief van 20 mei 2020.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van een woning en bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , sectie [sectieletter] nummer [sectienummer] . Bij brief van 6 maart 2017 heeft eiser een aanvraag om tegemoetkoming in planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft Ruimtemeesters B.V. (Ruimtemeesters), in opdracht van verweerder, op 9 maart 2018 een planschadeadvies uitgebracht. Hierin wordt geadviseerd om eiser ten gevolge van het bestemmingsplan “ [locatie] ” een planschadevergoeding toe te kennen van € 2.250,-.

2. In het primaire besluit heeft verweerder conform dit planschadeadvies besloten eiser een planschadevergoeding van € 2.250,- toe te kennen, omdat sprake is van planologisch nadeel bestaande uit aantasting van privacy en woongenot, belemmering van uitzicht, geluidsoverlast en aantasting van situeringswaarde. Verweerder heeft dit besluit, onder aanvulling met de taxatie van 3 december 2018 en motivering ten aanzien van de luchtkwaliteit, in het bestreden besluit gehandhaafd.

3. In beroep heeft eiser een contra-expertise planschade van Langhout & Wiarda van

1 maart 2019 overgelegd. Hierin wordt geconcludeerd dat aan het planschadeadvies van Ruimtemeesters zodanige gebreken kleven dat dit in alle redelijkheid niet had mogen worden gevolgd en dat voor eiser een voor vergoeding in aanmerking komende schade van

€ 22.250,- is opgetreden.

4 De rechtbank overweegt als volgt.

5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen over de getaxeerde waarde van de woning vóór de peildatum van 10 november 2011 en de hoogte van het normaal maatschappelijk risico van 3%, geen verschil van mening bestaat. De geschilpunten betreffen bepaalde uitgangspunten bij de planvergelijking en de kwalificatie van de schade.

6. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

7. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Vergelijk de uitspraak planschade van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Strate (Afdeling) van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582).

8. Indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht (uitspraak van de Afdeling van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2398).

Ophoging

9. Eiser voert in beroep aan dat verweerder de ophoging van de gronden met 0,50 meter aan de achterzijde van zijn perceel niet heeft betrokken in de planvergelijking. Onder het oude regime was het peil de bestaande hoogte van het aanliggende maaiveld, terwijl onder het nieuwe regime het peil wordt bepaald door de nieuwe aangelegde weg. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat met betrekking tot het aspect peil geen wijzigingen in het planologisch regime hebben plaatsgevonden, omdat het peil onder beide planologische regimes op dezelfde manier wordt bepaald. De omstandigheid dat een peil wellicht opgehoogd is, doet daar niets aan af.

10. De rechtbank overweegt dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat met betrekking tot dit aspect geen wijzigingen in het planologisch regime hebben plaatsgevonden, omdat het peil onder het oude en nieuwe bestemmingsplan op dezelfde manier wordt bepaald. Eisers stelling dat dit in het onderhavige geval niet zo is, volgt de rechtbank niet, nu, zoals door eiser in genoemde brief van 20 mei 2020 is aangegeven, het peil zowel onder het oude als het nieuwe bestemmingsplan de kruin van de weg is. De omstandigheid dat het peil verhoogd zou zijn doet daar niet aan af, aangezien dit niet betrokken wordt bij de planvergelijking. Immers, bij de planvergelijking ter bepaling of sprake is van planschade is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd. Tevens heeft eiser niet aangetoond dat de gestelde ophoging een schadebepalende factor is en niet onderbouwd wat het nadeel zou zijn. Het betoog slaagt niet.

Saldering bouw- en gebruiksmogelijkheden

11. Eiser betoogt voorts dat bij de vergelijking van de bebouwingsmogelijkheden in 10.2 van het planschadeadvies ten onrechte de gebruiksmogelijkheid van de hinder van sportvelden wordt betrokken. Ook wordt dit gebruiksvoordeel gesaldeerd met andere gebruiksmogelijkheden, waardoor hetzelfde voordeel twee keer wordt gesaldeerd.

12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in het advies van Ruimtemeesters nergens wordt aangegeven dat het nieuwe bouwregime wordt gesaldeerd met de weggevallen gebruiksmogelijkheden van een sportterrein. Onder 10.3 van het planschadeadvies worden de oude en nieuwe vormen van gebruik concreet tegen elkaar afgezet met als conclusie dat de gebruiksintensiteit onder het oude planologische regime nadeliger is voor eiser.

13. De rechtbank overweegt dat uit de analyse van de bouwmogelijkheden van Ruimtemeesters niet blijkt dat positief is gesaldeerd voor de weggevallen vormen van hinder verbonden aan sportdoeleinden bestemming. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat nergens is aangegeven dat het nieuwe bouwregime wordt gesaldeerd met de weggevallen gebruiksmogelijkheden van een sportterrein. Weliswaar wordt dit genoemd in paragraaf 10.2 van het planschadeadvies, echter dit betreft een zijdelingse constatering, terwijl de hele paragraaf enkel gaat over de bouwmogelijkheden. Immers, in deze paragraaf wordt ook genoemd dat volgens het oude bestemmingsplan eiser direct ten noorden van zijn eigendom planologisch gezien kon worden geconfronteerd met gronden bestemd voor sportdoeleinden waarop geen gebouwen mochten worden gebouwd. In de nieuwe planologische situatie wordt eiser op een kortste afstand van 8 meter van zijn achterste perceelgrens en 75 meter van zijn woning geconfronteerd met woningbouw, terwijl eiser voorheen aan de achterzijde van zijn woning kon uitzien over relatief onbebouwde gronden. Hierdoor heeft volgens Ruimtemeesters het nieuwe bestemmingsplan geleid tot ruimere bebouwingsmogelijkheden. Vervolgens wordt geconcludeerd dat het ruimtelijke effect door de nieuwe woningbouwmogelijkheden op de eigendom van aanvragers, als planologisch nadeliger wordt beschouwd. In 10.3 van het advies is aangegeven dat het woongebruik in vergelijking met het gebruik voor sportdoeleinden zal intensiveren, waarbij het woongebruik een meer permanent gebruik toelaat dat per saldo nadeliger is. Ruimtemeesters acht het aannemelijk dat vanwege de nieuwe woonbestemming eiser per saldo wordt geconfronteerd met een intensiever en permanenter gebruik dicht bij zijn woning en tuin, waardoor de gebruiksintensiteit van negatieve invloed zal zijn op zijn eigendom. Het betoog slaagt niet.

Groenblijvende beplanting

14. Vervolgens stelt eiser dat in het advies van Ruimtemeesters ten onrechte de groenblijvende erfbeplanting van eiser is meegenomen bij de taxatie van de planschade als schade verminderende factor.

15. Daargelaten of verweerders standpunt dat de groenblijvende beplanting op eisers perceel meegenomen mag worden bij de taxatie juist is, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het advies van Ruimtemeesters niet dat groenblijvende beplanting op eisers perceel is meegewogen in de taxatie van de planschade als schade verminderende factor. Hoewel Ruimtemeesters in paragraaf 8.0 van het advies bij de beschrijving van het algemene toetsingskader heeft opgenomen dat groenblijvende beplanting meegenomen mag worden, volgt uit de rest van het advies niet dat Ruimtemeesters groenblijvende beplanting op eisers perceel heeft meegewogen als schade verminderende factor. Immers, bij de onder 16 opgenomen taxatie en in de aanvullende taxatie van 3 december 2018 wordt een omschrijving gegeven van de gebouwen en het erf, waarbij enkel is aangegeven dat de tuin is voorzien van een gazon, diverse sierbeplanting, haagbeplanting en bomen.

Criterium ‘buitenproportioneel’

16. Volgens eiser wordt in 10.5 van het advies van Ruimtemeesters een onjuist criterium gehanteerd bij de bepaling van het planologisch nadeel voor geluid, licht en bezonning. Verweerder had hierover opheldering dienen te vragen bij de adviseur in plaats van zelf een uitleg te geven over de begrippen “buitenproportioneel” en “onaanvaardbare aantasting”. Het criterium heeft volgens eiser niet enkel betrekking op geluid, omdat de tekstgedeeltes waarnaar verweerder verwijst expliciet en ondubbelzinnig zijn opgenomen in paragraaf 10.5 welke in het kopje wordt aangeduid als: Geluid, licht en bezonning.

17. In het advies is onder 10.5 opgenomen dat geluidhinder een subjectief waarneembaar begrip is, wat in de planvergelijking geobjectiveerd dient te worden. Dit betekent dat er volgens Ruimtemeesters moet worden beoordeeld of er ten gevolge van het bestemmingsplan voor aanvragers een nadeliger situatie ontstaat die zodanig buitenproportioneel is dat dit het woongenot op onaanvaardbare wijze aantast en tot waardevermindering van onroerend goed leidt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit criterium buitenproportioneel enkel betrekking heeft op de schadefactor geluid. Eiser heeft enkel gesteld dat het gehanteerde criterium onjuist is, zonder onderbouwing waarom dit onjuist is en wat wel het juiste criterium zou zijn. Hiermee is in het tegenadvies van Langhout & Wiarda niet aannemelijk gemaakt dat het planschadeadvies van Ruimtemeesters onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel anderszins (inhoudelijk) onjuist is. Tevens heeft Ruimtemeesters op basis van dit criterium geoordeeld dat er buitenproportioneel meer geluidsoverlast vanwege verkeer en woonomgevingsgeluiden zal ontstaan, hetgeen in het voordeel van eiser is, waardoor niet valt in te zien wat eiser wil bereiken met deze grond.

Bezonning

18. Langhout & Wiarda stellen zich aan de hand van de zonnebanenkaart van het KNMI op het standpunt dat, gelet op de afstand van de planologisch mogelijk geworden woningen van maximaal 10 meter hoog, met name in de (achter)tuin sprake is van een nadelige wijziging wat betreft de opeenvolgende bezonningssituaties. Als gevolg hiervan wordt het nadeel op middelzwaar gekwalificeerd. In het advies van Ruimtemeesters wordt volgens eiser de invloed van schaduwwerking of bezonning ten onrechte beperkt tot eisers woning, omdat ook de veranderde schaduwwerking of bezonning voor de tuin van invloed is op het waarde bepalende woongenot van de woning.

19. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar Ruimtemeesters op het standpunt dat door de ruime afstand tussen de woning van eiser en de nieuwe woningen aan de noordzijde (ongeveer 75 meter), alsmede het verloop van de zon, het niet aannemelijk is dat eiser zal worden geconfronteerd met belemmerende schaduwwerking of bezonning. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat op de bezonning in de tuin niet specifiek is ingegaan, hetgeen niet onredelijk is, omdat maar een klein stukje van de tuin grenst aan het bouwplan, alsmede dat er aan de zijkant niet veel woningen zijn bijgekomen. Volgens verweerder is er geen of nauwelijks sprake van een afname van zonlicht in de tuin.

20. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat zijn tuin 60 meter diep (vanaf zijn woning) is en dat de woningen aan de achterzijde (in noordwestelijke richting) en zijkant zijn gesitueerd.

21. Ter zitting is de situatie ter plaatse bekeken via google maps. Niet betwist is, zoals aangegeven in het advies van Ruimtemeesters, dat de tuin bij de woning van eisers is gelegen tegen het noordelijk gelegen nieuwe woningbouwgebied en dat de afstand tussen de woning van eiser en de nieuwe woningen aan de noord(westelijke) ongeveer 70-75 meter is en de tuin van eiser zo’n 60 meter diep. Eisers vrijstaande woning is met de voorgevel gericht op het zuiden aan de [straatnaam] en aan beide zijden van eisers woning aan de [straatnaam] liggen bestaande woningen. De nieuwe woningen aan de noordzijde krijgen 2 bouwlagen met kap op enkele meters afstand van de perceelgrenzen van eiser. Hoofd-gebouwen mogen alleen worden gebouwd in de “zone hoofdgebouw” met een goothoogte van maximaal 6,5 meter en bouwhoogte van maximaal 10 meter, waarbij de afstand van een vrijstaande woning tot de zijdelingse perceelgrenzen minimaal 3 meter dient te zijn.

Gezien de situering van de tuin van eiser ten opzichte van de nieuwe woningen in het noorden/noordwesten, de stand van de zon en de diepte van de tuin, is de rechtbank van oordeel dat het voldoende aannemelijk is (vanuit een redelijk denkend en handelend koper) dat de veranderde schaduwwerking of bezonning op eisers tuin wellicht enige invloed zal hebben maar niet dusdanig is dat de waarde van eisers eigendom verslechtert. De rechtbank volgt in dit verband het standpunt van verweerder. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser enkel heeft gesteld dat blijkens de zonnebanenkaart van het KNMI de bezonningssituatie is verslechterd en deze verslechtering als middelzwaar gekwalificeerd. Hij heeft niet, middels overlegging van deze banenkaart en toegepast op eisers perceel, inzichtelijk gemaakt waar en wanneer (in welke tijdsperiode van de dag en het jaar) op eisers perceel minder bezonning plaatsvindt door de nieuwe woningen. Onduidelijk is of er gedurende het gehele jaar minder bezonning plaatsvindt, of enkel gedurende het voor- en najaar en op welk deel van de percelen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser ten aanzien van de gestelde verslechtering van de bezonning geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het planschadeadvies van Ruimtemeesters naar voren heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee in redelijkheid kunnen stellen dat eiser in de (achter)tuin niet zal worden geconfronteerd met belemmerende schaduwwerking of bezonning. Verweerder heeft dit aspect niet hoeven aan te merken als een (aparte) schadefactor. Het betoog slaagt niet.

Luchtkwaliteit

22. Eiser stelt zich op het standpunt dat Ruimtemeesters met betrekking tot de luchtkwaliteit uitgaat van een onjuist criterium, omdat het feit dat geen sprake is van normoverschrijding van de CO₂ en fijnstof uitstoot, nog niet zegt of sprake is van een planologische verslechtering. Verweerder heeft geen aanvullend oordeel over de mogelijke verslechtering van de luchtkwaliteit gegeven, wat zij volgende de bezwarencommissie wel had moeten doen. Het bestreden besluit is daarom volgens eiser onvoldoende gemotiveerd.

23. Ruimtemeesters verwijst ten aanzien van de gestelde toename van CO₂ dan wel fijnstof naar de toelichting in paragraaf 5.15 Luchtkwaliteit van het bestemmingsplan “ [locatie] ”, waarin op basis van onderzoek is geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de norm voor stikstofdioxide worden vastgesteld en aldus wordt voldaan aan de normen c.q. grenswaarden uit het Besluit luchtkwaliteit 2005. Ook zijn er geen overschrijdingen van de norm voor fijnstof te verwachten. Verweerder stelt aanvullend dat zowel onder het voorheen geldende planologische regime als onder het nieuwe planologische regime dezelfde CO₂ normen van toepassing zijn. Onder het nieuwe planologische regime mag dezelfde hoeveelheid CO₂ geproduceerd worden als onder het oude. Derhalve kan niet gesproken worden van een planologische verslechtering. Dat de hoeveelheid CO₂ onder het voorheen geldende planologische regime niet werd benut, doet daar niets aan af.

24. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee afdoende gemotiveerd dat niet gesproken kan worden van een planologische verslechtering wat betreft de CO₂- en fijnstof uitstoot, omdat zowel onder het voorheen geldende planologische regime als onder het nieuwe bestemmingsplan dezelfde CO₂ normen van toepassing zijn. Hierbij is niet van belang dat de hoeveelheid CO₂ onder het voorheen geldende bestemmingsplan niet werd benut, aangezien bij de planvergelijking niet de feitelijke situatie van belang is, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat zelfs indien sprake zou zijn van een planologische verslechtering, eiser niet heeft aangetoond, mede gezien de afstand van de nieuwe woningen tot eisers woning, wat de extra schade is.

25. De conclusie is dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat Ruimtemeesters een onafhankelijke en onpartijdige deskundige is die op objectieve wijze verslag heeft gedaan, waarbij op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies zijn niet onbegrijpelijk. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dit onderzoek naar voren zijn gebracht. Gelet hierop mocht verweerder van het planschadeadvies van Ruimtemeesters uitgaan.

Taxatie / kwalificatie schade

26. Eiser voert aan dat volgens hem de schade als zwaar kan worden aangemerkt en dat er aan de aanvullende taxatie van 3 december 2018 een aantal onjuiste planologische uitgangspunten ten grondslag ligt en dat geen inzicht wordt gegeven in de waarde druk die van de verschillende onderdelen van de wijziging van het bestemmingsplan uitgaat. Hierdoor kan de taxatie volgens eiser niet in stand blijven.

27. Naar aanleiding van het bezwaarschrift en het advies van de commissie bezwaarschriften heeft een nieuwe taxatie plaatsgevonden, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een taxatierapport van 3 december 2018. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan deze namens verweerder verrichte waardering van de langgevelboerderij met ondergrond, tuin en aanhorigheden van eiser onder het oude en nieuwe planologische regime. De taxatie is vastgesteld door een taxateur, zijnde een beëdigd rentmeester NVR en Registerdeskundige DOBS, die de situatie ter plaatse heeft opgenomen. De taxatie is verricht met behulp van de comparatieve methode en in de taxatie worden drie referentieobjecten genoemd. De inzichten van een taxateur zijn gebaseerd op zijn kennis, ervaring en bekendheid. Naar het oordeel van de rechtbank kan van de taxatie worden uitgegaan, nu daarin inzichtelijk is gemaakt welke feiten en omstandigheden daaraan ten grondslag zijn gelegd. De taxatie bevat verder geen tegenstrijdigheden en is voldoende duidelijk. Voorts heeft eiser, via de contra-expertise van Langhout & Wiarda, geen aanknopingspunten geboden voor het oordeel dat het advies van Ruimtemeesters op het onderdeel van de taxatie zodanige gebreken vertoont dat verweerder zijn besluit daarop niet in redelijkheid heeft kunnen baseren. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de contra-expertise geen zelfstandige taxatie bevat. Wat betreft de stelling dat geen inzicht wordt gegeven in de waarde druk, overweegt de rechtbank dat Ruimtemeesters voor wat betreft privacy, geluid en uitzicht in het schadeadvies wel een kwalificatie van de mate van aanwezigheid c.q. toename heeft gegeven. Wat betreft de situeringswaarde is aangegeven dat deze wordt aangetast. Verweerder geeft aan dat er op grond van het planschadeadvies van Ruimtemeesters sprake is van ‘middelmatige schade’, met ‘meer dan enkele procenten waardevermindering’, waaraan een waardevermindering van 4-6% wordt gekoppeld. Bij een dergelijke grotere negatieve invloed van een planologische mutatie, bijvoorbeeld door een samengaan van meerdere schadefactoren en door een ingrijpender gevolg van deze schadefactoren, zal de taxatie resulteren in een waardevermindering van méér dan enkele procenten. Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van het planschadeadvies (met taxatie) van Ruimtemeesters dat verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen, niet ten onrechte uitgegaan van een middelmatige schade, omdat sprake is van meerdere schadefactoren, te weten privacy/woongenot, uitzicht, geluidsoverlast en situeringswaarde. Eisers stelling dat sprake is van de kwalificatie zwaar, met een waardevermindering van 7-9% volgt de rechtbank dan ook niet. Van een dergelijke kwalificatie is sprake wanneer zich meerdere schadefactoren ingrijpend voordoen dan wel één schadefactor in zeer ingrijpende mate. De toeneming bijvoorbeeld van de geluidsbelasting op een woning met 10 dB(A), al dan niet na een ontheffing van de geluidsgrenswaarde, zal in de praktijk worden gewaardeerd als een ernstige schade. Hiervan is, gelet op het advies van Ruimtemeesters, geen sprake. Voorts dient deze gehanteerde indeling in schadecategorieën als controlemiddel en heeft niet als norm te gelden. Voorts kan de bestuursrechter een taxatie slechts terughoudend toetsen, omdat daarbij kennis, ervaring en intuïtie van de desbetreffende deskundige een rol speelt (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:204:2939). Het betoog slaagt niet.

Nader advies?

28. Eiser stelt zich in de reactie op het verweerschrift van 20 mei 2020 op het standpunt dat verweerder nader advies had dienen in te winnen bij Ruimtemeesters voor zover de beroepsgronden betrekking hebben op de waardering van de planologische vergelijking. Immers, verweerder wordt niet geacht deskundig en onafhankelijk te zijn in relatie tot de vraag of en in welke mate een planologische verslechtering en schade is opgetreden. Op grond van artikel 6.1.3.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient verweerder de adviseur opnieuw in de advisering te betrekken als blijkt dat deze een onjuiste planvergelijking heeft gemaakt.

29. Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder nader advies in te winnen indien in het advies op niet inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies van het onderzoek ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies onbegrijpelijk zijn. Tevens dient verweerder een contra expertise voor te leggen aan de deskundige indien hierin concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het planschadeadvies van de door verweerder ingeschakelde deskundige naar voren zijn gebracht. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat hiervan geen sprake is, zodat verweerder niet gehouden was nader advies te vragen aan Ruimtemeesters. Eisers stelling dat verweerder op grond van artikel 6.1.3.2 van het Bro gehouden was nader advies te vragen volgt de rechtbank niet, omdat op grond van dat artikel een adviseur advies dient uit te brengen over de op de aanvraag te nemen beslissing en Ruimtemeesters geen onjuiste planvergelijking heeft gemaakt.

Conclusie

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er in de contra-expertise van Langhout & Wiarda geen grond wordt gezien voor het oordeel dat het planschadeadvies van Ruimtemeesters naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet in redelijkheid aan zijn besluitvorming ten grondslag kon leggen en eiser een planschadevergoeding heeft kunnen toekennen van € 2.250,-.

30 Het beroep is ongegrond.

31 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. [sectieletter] .H. Seerden, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.M. van den Brekel, griffier, op 10 juli 2020

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd deze rechter

uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op: 10 juli 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.