Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:4979

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
8567061 AZ VERZ 20-61
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wwz. Transitievergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0780
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8567061 AZ VERZ 20-61

Beschikking van de kantonrechter van 23 juni 2020

in de zaak van

[verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] ,

wonend aan de [adres] , [woonplaats] ,

verzoekende partij, tevens verwerende partij in het tegenverzoek,

gemachtigde mr. drs. S. Krens,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MEENS SALES & LOGISTICS b.v. ,

statutair gevestigd te Schinnen en kantoor houdend aan de Thull 15-19, 6365 AC Schinnen,

verwerende partij, tevens verzoekende partij in het tegenverzoek,

gemachtigde mr. S.J.M. Peters.

Partijen zullen hierna [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] en Meens genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift, tevens zelfstandig tegenverzoek dat strekt tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Peters

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 15 juni 2020 die plaatsgevonden heeft tegelijk met de behandeling van het door [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] aanhangig gemaakte kort geding (8510625 CV EXPL 20-2109).

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] , geboren op [geboortedatum] , is sedert 1 januari 2019 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (van rechtswege eindigend op 30 april 2020) bij Meens in dienst geweest in de functie van national retail fieldmanager, tegen een loon van laatstelijk € 5.700,00 bruto per maand exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten (bijlage 1 verzoekschrift).

2.2.

Bij brief van 26 februari 2020 deelt Meens aan [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] mee (bijlage 2 verzoekschrift): “(…) dat de arbeidsovereenkomst die expireert op 30-04-2020 niet verlengd zal worden. (…).”

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] verzoekt Meens te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 2.736,00 bruto, de wettelijke rente en vergoeding van buitengerechtelijke kosten, alsmede tot het verstrekken van een netto/bruto specificatie van de te betalen transitievergoeding, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag dat Meens daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,00 en veroordeling van Meens in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Meens heeft verweer gevoerd.

3.3.

Bij wijze van tegenverzoek wordt door Meens een voorlopig getuigenverhoor verzocht.

3.4.

[verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] heeft zich verweerd tegen dit tegenverzoek.

3.5.

Op de stellingen van partijen zal hierna - voor zover relevant - nader ingegaan worden.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat in zaken die voortvloeien uit de Wet werk en zekerheid (Wwz), zoals deze zaak, het bewijsrecht in beginsel van toepassing is, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. In dit geval verzet de aard van de zaak zich niet tegen toepassing van het bewijsrecht.

4.2.

Meens heeft de kantonrechter verzocht de zaak aan te houden in afwachting van de behandeling van haar verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. De kantonrechter zal dit verzoek afwijzen. Daarbij heeft de kantonrechter laten meewegen dat zij de mogelijkheid heeft om bij tussenbeschikking een bewijsopdracht aan één der partijen te verstrekken, indien zij in deze procedure op een bepaald punt bewijslevering gewenst acht.

4.3.

Vraag in dit geschil is of Meens dient te worden veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding.

4.4.

Met ingang van 1 januari 2020 (zie het Besluit van 11 juli 2019, Stb 2019/266) geldt als gevolg van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wet van 29 mei 2019, Stb 2019/219) om bij het einde van de arbeidsovereenkomst aanspraak te kunnen maken op de transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW niet langer het vereiste dat de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden moet hebben geduurd.

4.5.

In beginsel heeft de werknemer die aanspraak als de arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt opgezegd, op diens verzoek wordt ontbonden of de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt en op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet en voor het eindigen van de arbeidsovereenkomst geen opvolgende arbeidsovereenkomst is aangegaan, die tussentijds kan worden opgezegd en ingaat na een tussenpoos van ten hoogste zes maanden.

4.6.

Uit artikel 7:673 lid 7, onderdeel c, BW volgt dat de transitievergoeding niet is verschuldigd indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Uit de parlementaire geschiedenis van de desbetreffende wetsbepaling blijkt dat deze uitzonderingsgrond een beperkte reikwijdte heeft en terughoudend moet worden toegepast. De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werknemer niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 34 en 40, en nr. 4, p. 15-16). De lat voor het aannemen van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door een werknemer ligt derhalve hoog.

4.7.

Beoordeeld dient te worden of er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] , zoals Meens stelt en [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] betwist.

4.8.

Als het gestelde (bewust) niet opvolgen van de instructies, liegen, onder werktijd met andere dingen bezig zijn en het zich negatief en demotiverend uitlaten door [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] voor Meens de reden was om de arbeidsrelatie vanaf 1 mei 2020 niet voort te zetten dan had het voor de hand gelegen dat ook te benoemen in de aanzegging. Dat is echter niet gebeurd. In de aanzeggingsbrief van 26 februari 2020 wordt daarover met geen woord gerept. Evenmin is gebleken dat daarover op 27 februari 2020 is gesproken. Daarbij komt dat de hiervoor genoemde verwijten aan het adres van [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] gelet op de betwisting van [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] niet zijn komen vast te staan, terwijl Meens ook geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die deze verwijten afdoende onderbouwen. Meens heeft zijn stellingen niet althans onvoldoende feitelijk geconcretiseerd en onderbouwd. Gelet hierop zal Meens ook niet toegelaten worden tot bewijs.

4.9.

Het vorenstaande brengt met zich dat Meens aan [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] de transitievergoeding verschuldigd is. Het door [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] berekende bedrag is niet weersproken en zal worden toegewezen. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 juni 2020.

4.10.

[verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] verzoekt om Meens te veroordelen om aan hem een bruto/netto specificatie te verstrekken van de - hierna in het dictum toe te wijzen - transitievergoeding Dit zal worden toegewezen. De termijn van verstrekking daarvan zal op veertien dagen na dagtekening van deze beschikking worden gesteld. De te verbeuren dwangsom zal vastgesteld worden op € 50,00 per dag en gemaximeerd worden op een totaalbedrag van

€ 500,00.

4.11.

Bij de beoordeling van de vraag of de gevorderde buitengerechtelijke (incasso-) kosten voor vergoeding in aanmerking komen, hanteert de kantonrechter het uitgangspunt, dat verrichtingen voorafgaand aan het geding worden gezien als voorbereiding van de gedingstukken en instructie van de zaak. Bij afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komende kosten moet het gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Daarvan is in deze zaak niet gebleken. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.

4.12.

Meens zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld tot betaling van de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] worden tot op heden begroot op:

- griffierecht € 83,00

- salaris gemachtigde € 720,00

Totaal € 803,00

4.13.

De door [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] gevorderde nakosten zullen op de hierna in de beslissing weergegeven wijze worden toegewezen. De kantonrechter overweegt hierbij dat [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] een te hoog tarief, te weten het tarief in handelszaken, heeft gevorderd. In kantonzaken (zoals de onderhavige zaak) geldt als tarief voor de nakosten de helft van het salaris voor de gemachtigde, met een maximum van € 120,00.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst het (tegen)verzoek van Meens af,

5.2.

veroordeelt Meens om aan [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] te betalen een bedrag van

€ 2.736,00 bruto aan transitievergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2020 tot de dag van algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt Meens om binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking aan [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] te verstrekken een deugdelijke bruto-netto specificatie van de - hiervoor onder 5.2. weergegeven - te betalen transitievergoeding, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag voor iedere dag dat Meens hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 500,00,

5.4.

veroordeelt Meens in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] tot op heden begroot op € 803,00,

5.5.

veroordeelt Meens, onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] volledig aan deze beschikking voldoet, in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op:

- € 120,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen, indien vervolgens betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden, met de kosten van dat exploot,

5.6.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.M. Kuster en is in het openbaar uitgesproken.

CJ