Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:4446

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
04/060357-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege voor de duur van één jaar in verband met het ontbreken van de 4-jaarsrapportage

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer: 04/060357-02 (vordering verlenging TBS)

Datum uitspraak: 22 juni 2020

Tegenspraak

Beslissing van de meervoudige kamer op een vordering van het openbaar ministerie in het arrondissement Limburg.

De op 3 februari 2020 ter griffie van de rechtbank ingekomen vordering strekt tot verlenging met twee jaar van de termijn van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in [Naam instelling] ,

hierna te noemen [verdachte] .

Raadsvrouw is mr. A.M.A. Kok-Verheijde, advocaat, kantoorhoudende te Tegelen.

1 De stukken

In het dossier bevinden zich onder andere:

  • -

    de vordering van de officier van justitie d.d. 3 februari 2020;

  • -

    het verlengingsadvies d.d. 2 januari 2020 van [Naam kliniek 2] , ondertekend door drs. [Naam 1] (hoofd van de inrichting), drs. [Naam 2] (manager behandelzaken), drs. [Naam 3] (hoofd behandeling) en [Naam 4] (psychiater), allen verbonden aan de inrichting waar [verdachte] verbleef;

  • -

    de omtrent [verdachte] gehouden wettelijke aantekeningen over de periode van het eerste kwartaal van 2018 tot en met het derde kwartaal van 2019;

  • -

    het proces-verbaal van de raadkamerzitting van deze rechtbank d.d. 17 maart 2020;

  • -

    het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 oktober 2018, waarbij de beroepen beslissing van deze rechtbank van 13 maart 2018 is bevestigd;

  • -

    de beslissing van deze rechtbank van 13 maart 2018 waarbij de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is verlengd met twee jaar;

  • -

    het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 februari 2004, waarbij het beroepen vonnis van de toenmalige rechtbank Roermond van 25 april 2003 is bevestigd.

De vordering van de officier van justitie houdt in dat de rechtbank de termijn van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal verlengen met twee jaar.

2 De procesgang

Bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 februari 2004 is [verdachte] ter beschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. De terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van doodslag, waarbij de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eiste.

Het hiervoor genoemde delict betreft een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De termijn van de terbeschikkingstelling is gaan lopen op 8 maart 2007. De terbeschikkingstelling is voor het laatst bij beslissing van deze rechtbank van 13 maart 2018 met twee jaar verlengd.

De officier van justitie heeft bij e-mail van 13 maart 2020 de rechtbank bericht dat, in tegenstelling tot de vordering van 3 februari 2020, een verlenging van een jaar zal worden gevorderd in verband met het ontbreken van de 4-jaarsrapportage.

De vordering van de officier van justitie stond in eerste instantie gepland voor behandeling op 17 maart 2020. De behandeling heeft toen wegens de maatregelen in verband met het Coronavirus niet inhoudelijk plaatsgevonden en is aangehouden. De vordering is vervolgens behandeld ter openbare zitting van deze rechtbank van 8 juni 2020. Ter zitting zijn gehoord de officier van justitie, [verdachte] , zijn raadsvrouw en, als deskundige, [Naam 3] , hoofdbehandelaar van [verdachte] .

3 Het standpunt van de inrichting

Het verlengingsadvies van de kliniek vermeldt onder meer:

“ [verdachte] is gediagnostiseerd met een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische, borderline en afhankelijke trekken. Daarnaast is er sprake van een ongespecificeerde neurocognitieve stoornis (cognitief verval), wat blijkt uit het moeilijk reproduceren van visuele en auditieve informatie. Tevens heeft hij problemen op het gebied van planning en organisatie. Ook is er sprake van een stoornis in alcohol- en cannabisgebruik.

In een situatie ‘uit zorg’, bij het beëindigen van de tbs-maatregel, wordt het risico op gewelddadig gedrag op korte termijn als ‘matig’ ingeschat en op lange termijn als ‘hoog’. [verdachte] beschermende factoren bestaan voornamelijk uit externe factoren en motivatie voor medicatie. De verwachting is dat wanneer de externe factoren wegvallen [verdachte] door zijn impulsiviteit en zelfoverschatting snel in de (financiële) problemen komt. Door zijn gebrekkige copingvaardigheden zal hij niet in staat zijn om te gaan met de spanningen die hierdoor ontstaan. [verdachte] zal dan vermoedelijk zijn medicatie staken en vervallen in middelengebruik met uiteindelijk agressieve impulsdoorbraken tot gevolg.

Ondanks een inmiddels langdurige behandeling van de problematiek, waarin [verdachte] een gemotiveerde houding heeft laten zien, blijft de context in sterke mate bepalend voor de uitingsvormen van deze problematiek. In een strak gekaderde leefomgeving met voldoende begeleiding en toezicht lukt het [verdachte] risicovol gedrag te herkennen en te voorkomen. Als de externe kaders afnemen, neemt het probleemgedrag toe, temeer wanneer er spanningen in de omgeving zijn. Dit probleemgedrag leidt niet direct tot agressie zoals ten tijde van het indexdelict, maar wel tot het overtreden van regels en afspraken en zichzelf steeds meer in risicovolle situaties brengen. Insteek voor de komende periode is dan ook het vasthouden van de behandelmotivatie in een geleidelijke resocialisatiekoers. Hiertoe zal alertheid vanuit zowel [verdachte] als zijn omgeving vereist zijn, met specifieke aandacht voor de bekende risicofactoren, zoals de gevoeligheid voor verslaving(en), de gerichtheid op geld, de beperkte copingvaardigheden en de neiging tot eigengereidheid gedrag wanneer hier vanuit het afnemende toezicht ruimte toe ontstaat. Het (hernieuwd) ingezette transmuraal verloftraject is kort voorafgaand aan dit advies geëvalueerd en [verdachte] realiseert zich nog veel stappen te moeten zetten voor een afbouw van het kader mogelijk in beeld zal komen. Het behandelplan is gericht op stapsgewijze resocialisatie vanuit de door alle partijen uit het verleden geleerde lessen.”

Gelet op het belang van een gefaseerd traject adviseert [Naam kliniek 1] een verlenging van de geldende maatregel voor de duur van twee jaar. Wellicht ten overvloede zal binnen deze twee jaar, bij positief verloop, geleidelijk toegewerkt worden naar het creëren van een basis voor een mogelijke voorwaardelijke beëindiging van de maatregel in 2022.

Ter zitting heeft de deskundige [Naam 3] onder meer verklaard:

Het verlengingsadvies dateert van een half jaar terug en [verdachte] heeft zich sindsdien ontwikkeld. Uit ervaring weten wij dat [verdachte] stappen stapsgewijs moeten zetten, maar dat betekent niet dat er vertraging ontstaat. De reclassering heeft al contact met [verdachte] en is al aan het kijken waar hij in een volgende fase zou kunnen gaan wonen. We willen niet te snel de teugels laten vieren, omdat dat vaak een spannende fase is. De FPA is een tussenstap en we gaan nu goed nadenken welke stap hierna komt. Gelet op de risico’s willen we die volgende stap zorgvuldig vormgeven, want binnen de huidige setting bestaan er geen grote risico’s. De eerste kennismaking met de reclassering heeft plaatsgevonden en we hebben opgemerkt dat de reclassering daar uitgebreid de tijd voor moeten nemen. Het contact met de reclassering was ten tijde van een eerdere resocialisatiepoging niet goed. In het kader van proefverlof is het van belang dat er een goede samenwerking is met de reclassering. Dan komen we daarna op een punt dat op een verantwoorde manier gekeken kan worden naar voorwaardelijke beëindiging. Dan zijn we wel verder dan begin volgend jaar.

4 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij e-mail van 13 maart 2020 de rechtbank bericht dat er een verlenging van een jaar zal worden gevorderd in verband met het ontbreken van de 4-jaarsrapportage. De officier van justitie heeft ter zitting gepersisteerd bij deze vordering. Zij heeft aangevoerd dat zij [verdachte] hiermee geen valse hoop wil geven, want uit het advies van de kliniek en de toelichting van de deskundige blijkt dat een verlenging van twee jaar nodig zal zijn. Over een jaar zal wellicht wel een concreter beeld kunnen worden gegeven over hoe de toekomst er uit zal gaan zien.

5 Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw

[verdachte] heeft aangevoerd dat hij zich kan vinden in het verlengingsadvies. Hij is het eens met de koers van de kliniek om stapsgewijs toe te werken naar een volgende fase. Een eerdere poging is mislukt, omdat er toen geen goed contact was tussen [verdachte] en de reclassering. [verdachte] heeft inmiddels een eerste kennismaking gehad met de reclassering en dat voelt goed. Hij heeft er vertrouwen in dat het deze keer goed gaat komen. Hij heeft al hard aan zichzelf gewerkt, maar is nog bezig met leren om meer open en eerlijk te zijn.


De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in de vordering om te verlengen met een jaar. Er hebben al veel verlengingen plaatsgevonden. Het is goed dat er na een jaar weer wordt geëvalueerd en dat de rechtbank kan toetsen wat er in de afgelopen periode is gebeurd.

6 De beoordeling

De rechtbank constateert dat zij niet heeft voldaan aan de in artikel 6:6:13, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde verplichting dat zij binnen een termijn van twee maanden na de dag waarop de vordering is ingediend de zaak heeft onderzocht. De rechtbank is echter van oordeel dat dit geen gevolgen behoeft te hebben, nu de langere termijn een gevolg is van de maatregelen omtrent het Coronavirus waardoor de zaak niet inhoudelijk kon worden behandeld ter zitting van 17 maart 2020.

De rechtbank constateert dat alle betrokken partijen op één lijn zitten voor wat betreft de verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De rechtbank verenigt zich met het verlengingsadvies van de kliniek en met de daarop ter zitting gegeven toelichting door de deskundige [Naam 3] . Uit het advies volgt naar het oordeel van de rechtbank dat bij [verdachte] sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale, narcistische, borderline en afhankelijke trekken. Ook is er sprake van een stoornis in alcohol- en cannabisgebruik. Bij het beëindigen van de tbs-maatregel wordt het risico op gewelddadig gedrag op de korte termijn als ‘matig’ ingeschat en op de lange termijn als ‘hoog’. De verwachting is dat wanneer de externe factoren wegvallen, [verdachte] door zijn impulsiviteit en zelfoverschatting snel in de (financiële) problemen komt. Door zijn gebrekkige copingvaardigheden zal hij niet in staat zijn om te gaan met de spanningen die hierdoor ontstaan. [verdachte] zal dan vermoedelijk zijn medicatie staken en vervallen in middelengebruik met uiteindelijk agressieve impulsdoorbraken tot gevolg.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eisen.

Uit het verlengingsadvies volgt verder dat, gelet op geleerde lessen uit het verleden, het behandelplan is gericht op stapsgewijze resocialisatie. De insteek voor de komende periode is het vasthouden van de behandelmotivatie in een geleidelijke resocialisatiekoers, waarbij zal worden toegewerkt naar het creëren van een basis voor een mogelijke voorwaardelijke beëindiging van de maatregel in 2022.

De rechtbank stelt vast dat niet te verwachten is dat binnen een jaar gronden aanwezig zullen zijn die een beëindiging van de terbeschikkingstelling rechtvaardigen. Gelet echter op het ontbreken van de 4-jaarsrapportage zoals bedoeld in artikel 6:6:12, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, zal de rechtbank de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege verlengen met een jaar.

7 De beslissing

De rechtbank:

- verlengt de termijn gedurende welke [verdachte] ter beschikking is gesteld met verpleging van overheidswege met een jaar.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter, mr. C.M. Nollen en mr. P.H. Broier, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.F. Stuurman, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 juni 2020.

Buiten staat

mr. C.M. Nollen is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.

=