Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:4432

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
C/03/277673 / KG ZA 20-168
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering opheffing conservatoir beslag. Beslag op grond van artikel 1:96 lid 1 BW, op aandeel van echtgenote (niet-schuldenaar) in woning die tot huwelijksgemeenschap behoort (Hof Arnhem 22 februari 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC5100).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/277673 / KG ZA 20-168

Vonnis in kort geding van 19 juni 2020

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

en

2 [eiseres sub 2] ,

beiden wonend te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. A.L. Stegeman;

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

POSTCO GROUP B.V.,

gevestigd te Heerlen,

gedaagde,

advocaat mr. F.H.C. Aarts.

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers] genoemd worden, en afzonderlijk
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , gedaagde zal Postco Group genoemd worden.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 mei 2020 met producties 1 t/m 14;

  • -

    de bij e-mail van 27 mei 2020 door Postco Group overgelegde producties 1 t/m 6;

  • -

    de bij brief van 29 mei 2020 door [eisers] overgelegde producties 15 t/m 17;

  • -

    de bij e-mail van 3 juni 2020 door Postco Group overgelegde producties 7 en 8;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van [eisers] ;

  • -

    de pleitnota van Postco Group.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort de echtelijke woning aan het adres [adres 1] te [woonplaats] .

2.2.

[eiser sub 1] is de broer van [zus eiser sub 1] .

2.3.

[zus eiser sub 1] houdt alle aandelen in [naam holding 1] Holding B.V.
[eiser sub 1] was tot 14 augustus 2017 enig aandeelhouder en bestuurder in [naam holding 2] Holding B.V. De holdings op hun beurt waren aandeelhouders van Postco Group.

2.4.

Op 16 maart 2020 heeft Postco Group een beslagrekest ingediend bij de
voorzieningenrechter van deze rechtbank, locatie Maastricht, tot het leggen van conservatoir beslag op de respectieve aandelen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in de woning aan het adres [adres 1] te [woonplaats] . Postco Group heeft aan dat rekest het volgende ten grondslag gelegd.

2.4.1.

Op 5 december 2011 heeft [naam holding 1] Holding B.V. de aandelen die
[naam holding 2] Holding B.V. hield in Postco Group overgenomen. Op dat moment had
Holding B.V. een schuld in rekening-courant aan Postco Group van € 75.719,02.

Op 29 november 2011 hebben [naam holding 2] Holding B.V. en [naam holding 1] Holding B.V. een vaststellingsovereenkomst gesloten. In die overeenkomst is in artikel 14 – zakelijk weergegeven – overeengekomen dat de rekening-courantschuld van [naam holding 2] Holding B.V. aan Postco Group zou worden omgezet in een lening, waarvan het rentepercentage per jaar 4 bedraagt. De maandelijkse aflossing dient minimaal € 500,-- te bedragen. De betalingen dienen plaats te vinden vóór het einde van iedere maand. Vervroegde, volledige of gedeeltelijke terugbetaling is steeds toegestaan. In geval van overschrijding van een betalingstermijn of van enige som ter zake van de aflossing, zal de lening met onmiddellijke ingang opzegbaar en opeisbaar zijn.

2.4.2.

Per 31 december 2016 bedroeg de vordering van Postco Group op [naam holding 2]
Holding B.V. volgens Postco Group € 86.316,--. In de boeken van Postco Group is een voorziening voor datzelfde bedrag opgenomen en is de vordering op [naam holding 2] Holding B.V. als oninbaar uit de boeken gehaald.

2.4.3.

In 2013 en 2015 heeft Postco Group, naar zij stelt, getracht om de rekening-
courantvordering te incasseren door middel van het treffen van betalingsregelingen. Na
enkele betalingen stokte de uitvoering van de betalingsregeling volgens Postco Group weer.

2.4.4.

Naar aanleiding van een zogenaamde turboliquidatie heeft [eiser sub 1] per
16 augustus 2017 [naam holding 2] Holding B.V. uitgeschreven uit het handelsregister.

2.4.5.

Verder heeft Postco Group in het beslagrekest gesteld dat [naam holding 2] Holding B.V. voor het laatst over het boekjaar 2012 een jaarrekening heeft gepubliceerd. De over het boekjaar 2013 gepubliceerde jaarrekening is volgens Postco Group dezelfde als die gepubliceerd is over het boekjaar 2012.

2.4.6.

Volgens de boekhouding van [naam holding 2] Holding B.V. had deze op 31 december 2012 vorderingen op derden ten bedrage van € 128.347,--. Postco Group stelt in haar beslagrekest sterke vermoedens te hebben dat dit de rekening-courantverhouding betreft van
Holding B.V. op [eiser sub 1] .

2.4.7.

De laatste jaarrekening (uit 2013) geeft volgens Postco Group geen getrouw beeld van de rechten en verplichtingen van [naam holding 2] Holding B.V. Er hebben volgens Postco Group ook ernstige schendingen van boekhoudkundige regels plaatsgevonden, doordat de eindbalans van 2012 niet aansluit op de beginbalans van 2013.

2.4.8.

Postco Group stelt zich op het standpunt dat [eiser sub 1] , door te kiezen voor een turboliquidatie, het voor een faillissementscurator, die zou zijn benoemd naar aanleiding van een faillissementsaanvraag die [eiser sub 1] volgens Postco Group had moeten doen, onmogelijk heeft gemaakt op zoek te gaan naar het bedrag van € 128.347,-- aan vorderingen op derden. De curator zou volgens Postco Group bij een dergelijk onderzoek tot de slotsom zijn gekomen dat sprake was van kennelijk onbehoorlijk bestuur en [eiser sub 1] zou door de curator aansprakelijk zijn gesteld voor het tekort. Postco Group stelt als schuldeiser een uitdeling tegemoet te hebben kunnen zien uit het faillissement. Door te kiezen voor de
turboliquidatie pleegt [eiser sub 1] volgens Postco Group niet alleen onbehoorlijk
bestuur, maar handelt hij ook onrechtmatig jegens Postco Group. De schade uit dat handelen begroot Postco Group op € 99.673,92.

2.4.9.

Postco Group concludeert in het beslagrekest dat zij er recht op en belang bij heeft om conservatoir beslag te leggen op de echtelijke woning waarin [eiser sub 1] en
[eiseres sub 2] ieder voor de helft gerechtigd zijn. Zij verzoekt ter verzekering van verhaal verlof om beslag te mogen leggen op het aandeel van [eiser sub 1] en op het aandeel van [eiseres sub 2] in de woning.

2.5.

Op grond van de inhoud van het verzoekschrift heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij beschikking van 17 maart 2020 toegestaan dat Postco Group ten laste van [eisers] conservatoir beslag legt op ieders aandeel in de woning aan het adres [adres 1] te [woonplaats] , zulks voor een vordering van € 130.000,--.

2.6.

Postco Group heeft vervolgens op 18 maart 2020 conservatoir beslag gelegd op de bedoelde woning. Bij deurwaardersexploot van 23 maart 2020 is het beslagrekest met daarop het verlof van de voorzieningenrechter van 17 maart 2020, en het proces-verbaal van het beslag op de woning aan [eisers] betekend.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres sub 2] stelt dat Postco Group geen vordering heeft op haar.
heeft zich ten opzichte van Postco Group tot niets verplicht en heeft ook niet onrechtmatig jegens deze gehandeld. [eiseres sub 2] is nooit betrokken geweest bij de afspraken die [eiser sub 1] met zijn zus heeft gemaakt en is ook nooit betrokken geweest bij de bedrijfsvoering of de ontbinding van [naam holding 2] Holding B.V.

3.2.

Volgens [eiseres sub 2] is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar dat, indien haar man ongewild als gevolg van bestuurdersaansprakelijkheid de schuld zou hebben veroorzaakt, die schuld op de gemeenschap zou kunnen worden verhaald, omdat zij als echtgenote niets kon doen aan het ontstaan van die schuld. Dat een eventuele vordering op [eiser sub 1] mogelijk volgens artikel 1:96 lid 1 BW op gemeenschapszaken kan worden verhaald, maakt dat volgens [eiseres sub 2] niet anders. In dat geval zou Postco Group de weg van artikel 708 Rv hebben moeten volgen, hetgeen niet is gebeurd.

3.3.

Ook [eiser sub 1] betwist dat hij onrechtmatig jegens Postco Group heeft gehandeld. De ontbinding van [naam holding 2] Holding B.V., op 14 augustus 2017, was volgens
[eiser sub 1] niet onrechtmatig, omdat deze holding op dat moment geen baten meer had: de vaste activa die er in 2013 nog waren, zijn in 2017 afgeschreven en de resterende vordering op [eiser sub 1] , als directeur-grootaandeelhouder, was afgeboekt wegens oninbaarheid. Het besluit om [naam holding 2] Holding B.V. te ontbinden, is gerechtvaardigd en is niet
onrechtmatig. Het bepaalde in artikel 2:23a lid 4 BW is volgens [eiser sub 1] niet van toepassing.

3.4.

Dat [naam holding 2] Holding B.V. in 2012/2013 nog een vordering had op derden, is volgens [eiser sub 1] niet relevant, omdat de holding op het relevante peilmoment, dat is volgens [eiser sub 1] het moment van ontbinding van de holding, geen actief meer had. De vordering van [naam holding 2] Holding B.V. op [eiser sub 1] is na de publicatie van de jaarstukken over 2012/2013 afgeboekt wegens oninbaarheid. Het afboeken door [naam holding 2] Holding B.V. van de vordering op [eiser sub 1] was, gelet op de inkomsten die
volgens de aanslagen inkomstenbelasting in 2014 en 2015 genoot,
administratief, fiscaal en juridisch geoorloofd en verantwoord, omdat daaruit bleek dat
zijn schuld aan de holding niet kon terugbetalen. De aangiften vennootschapsbelasting van [naam holding 2] Holding B.V. over de jaren 2014 t/m 2017 waren ook nihil.

3.5.

Volgens [eiser sub 1] stelt Postco Group ook ten onrechte in het beslagrekest dat [naam holding 2] Holding B.V. ten tijde van de ontbinding een vordering op hem had wegens het ná 2013 niet (tijdig) publiceren van de stukken bedoeld in artikel 2:394 BW. Met deze stelling miskent Postco Group volgens [eiser sub 1] dat een eventuele vordering ex artikel 2:248 lid 2 BW, wegens overschrijding van de publicatietermijn, pas bij een faillissement ontstaat en op dat moment ook enkel door een curator kan worden ingesteld. Dat bij een faillissement een dergelijke vordering zou zijn ontstaan en door een curator zou zijn ingesteld, berust volgens [eiser sub 1] enkel op aannames van Postco Group. De aansprakelijkheid van [eiser sub 1] voor de schulden van de holding, wegens het niet nakomen van de publicatieplicht, zou volgens [eiser sub 1] ook eenvoudig zijn te weerleggen, omdat de schending van de publicatieplicht geen oorzaak van het faillissement is geweest.

3.6.

[eiser sub 1] betwist dat [naam holding 2] Holding B.V. een vordering op hem zou hebben wegens schending van de boekhoudplicht (artikel 2:10 BW). Of de holding een deugdelijke administratie heeft bijgehouden, kan Postco Group volgens [eiser sub 1] niet weten. Bovendien zijn de jaarstukken en de publicatiestukken over 2012 en 2013 opgesteld door een externe accountant. Uit de overgelegde balansen en de resultatenrekeningen over de jaren 2012 en 2013 blijkt ook niet van de veronderstelde onjuistheden.

3.7.

Er bestaan volgens [eiser sub 1] ook geen vorderingen van [naam holding 2] Holding B.V. op hem wegens de beweerde schending van de administratie- en publicatieplicht,
omdat de holding aan [eiser sub 1] decharge heeft verleend. De holding kan
daarom niet aanspreken wegens onbehoorlijke taakvervulling of andere nalatigheden.

3.8.

De beweerde vordering van Postco Group op [naam holding 2] Holding B.V. is volgens [eiser sub 1] bovendien verjaard. Uit het bepaalde in artikel 14 van de vaststellingsovereenkomst volgt volgens [eiser sub 1] dat de gehele vordering uit de rekening-courantverhouding onmiddellijk en volledig opeisbaar is, indien één enkele maandelijkse aflossingstermijn niet zou worden gehaald. Daaruit volgt dat al meteen in januari 2012 de vordering volledig opeisbaar was. Omdat toen ook meteen de verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen, is de beweerde vordering begin 2017 verjaard. Er heeft in de tussentijd geen stuiting van de verjaring plaatsgevonden, er is door Postco Group geen vordering in rechte ingesteld en er heeft ook geen erkenning van de vordering plaatsgevonden. In dat laatste verband stelt [eiser sub 1] dat de betaling van enig bedrag in 2014 en/of 2015 aan Postco Group niet als erkenning kan worden uitgelegd van de verschuldigdheid van enig ander bedrag, dan het bedrag dat werd betaald.

3.9.

Postco Group heeft haar recht op betaling van het gevorderde volgens
[eiser sub 1] ook verwerkt, omdat zij haar vordering op [naam holding 2] Holding B.V., als
oninbaar, heeft afgeboekt. Door het afboeken geeft Postco Group aan dat de vordering voor haar geen waarde meer vertegenwoordigt, zodat Postco Group door het verlies van de
vordering geen schade kan hebben geleden.

3.10.

[eiser sub 1] betwist verder de hoogte van de omstreden vordering. De hoogte van de vordering volgt uit jaarrekening van 2011 van Postco Group. [eiser sub 1] is bij de totstandkoming van die jaarrekening echter niet betrokken geweest, zodat de inhoud daarvan hem niet kan worden tegengeworpen. [eiser sub 1] betwist dat de vordering na 2011 nog zou zijn toegenomen. Hij was toen niet meer bij de bedrijfsvoering van Postco Group betrokken en er zijn toen ook geen middelen door [naam holding 2] Holding B.V. uit het vermogen van Postco Group opgenomen.

3.11.

[eisers] stellen dat een belangenafweging in hun voordeel moet uitvallen. Zij hebben in februari 2020 de woning aan de [adres 2] te [plaats] aangekocht voor een bedrag van € 305.000,--. De akte waarbij deze woning wordt geleverd moet op 26 juni aanstaande worden gepasseerd. De volledige koopsom moet worden gefinancierd en daarnaast is er een overbruggingshypotheek van € 35.000,-- afgesloten. Het overbruggingskrediet moet bij de verkoop en de levering van de huidige woning worden afgelost. Als [eisers] de door hen gekochte woning niet afnemen, verbeuren zij een boete van € 30.500,--. Indien zij de verkochte woning niet op 31 juli 2020 leveren, verbeuren zij een boete van

€ 31.000,--.

3.12.

[eisers] stellen er een evident belang bij de te hebben dat de hiervoor bedoelde koop- en verkoopovereenkomst doorgaan. Door het conservatoir beslag lopen zij het risico dat beide overeenkomsten geen doorgang kunnen vinden en dat zij op grond daarvan een boete aan de koper van de woning verschuldigd zijn van € 31.000,-- en dienen zij het overbruggingskrediet van € 35.000,-- terug te betalen. Deze schade gaan [eisers] lijden,
terwijl de gronden waarop het rekest tot beslaglegging is gebaseerd niet vaststaan en zelfs onaannemelijk zijn. Door het beslag te handhaven, handelt Postco Group volgens [eisers] onrechtmatig en onredelijk.

3.13.

Postco Group maakt volgens [eisers] ook misbruik van recht, nu haar handelwijze enkel is ingegeven door rancune. Postco Group heeft sedert 2011 geen reden gezien om tegen de [naam holding 2] Holding B.V. te procederen. Pas nu, nu zij vernomen heeft dat
[eisers] hun woning willen verkopen, legt zij beslag. Het werkelijke motief van de beslaglegging is niet het verzekeren van verhaalsmogelijkheden, want dan zou Postco Group al eerder hebben gehandeld, maar het frustreren van de wens van [eisers] om te verhuizen.

3.14.

Voor het geval het beslag niet worden opgeheven, vorderen [eisers] dat Postco Group een bankgarantie stelt voor de schade die zij lijden als gevolg van het leggen en handhaven van het beslag, indien de vordering van Postco Group, waarvoor het beslag is gelegd, wordt afgewezen. Subsidiair vorderen [eisers] dat Postco Group wordt veroordeeld om bij handhaving van het gelegde beslag binnen vijf dagen na het vonnis een bankgarantie door een gerenommeerde bank te doen stellen, zulks onder gebruikelijke condities en voor en bedrag van € 100.000,-- en op straffe waarvan het beslag wordt opgeheven.

3.15.

Op grond van het vorenstaande vorderen [eisers] dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1a. het door Postco Group op 23 maart 2020 op de woning van [eisers] , [adres 1] te [woonplaats] , gelegde conservatoire beslag onmiddellijk opheft, dan wel

1b. het door Postco Group op 23 maart 2020 op de woning van [eisers] , [adres 1] te [woonplaats] , gelegde conservatoire beslag opheft, tenzij Postco Group binnen vijf werkdagen na dit vonnis een bankgarantie door een gerenommeerde bank en onder gebruikelijke voorwaarden stelt ten bedrage van € 100.000,--;

2. Postco Group veroordeelt in de kosten van deze procedure, de kosten van de
raadsman van [eisers] daaronder begrepen.

3.16.

De vordering wordt door Postco Group gemotiveerd betwist.

3.17.

Op de stellingen van partijen zal de voorzieningenrechter, voor zover van belang, hieronder ingaan.

4 De beoordeling

Spoedeisend belang

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de zaak.

Algemeen

4.2.

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld (artikel 705 lid 2 Rv).

4.3.

Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.4.

De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen.

De vordering op [eiseres sub 2]

4.5.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft Postco Group gesteld dat
[eiseres sub 2] onrechtmatig handelt jegens Postco Group door te bevorderen dat haar echtgenoot niet zijn schuld aan [naam holding 2] Holding B.V., die in de huwelijksgemeenschap valt, voldoet. Hierdoor heeft [eiseres sub 2] geprofiteerd van de onrechtmatige daad van
[eiser sub 1] jegens Postco Group.

4.6.

Deze grondslag voor de aansprakelijkheid van [eiseres sub 2] is niet aangevoerd in het beslagrekest op basis waarvan het omstreden beslag is toegestaan. Bij de beoordeling van de vraag of het beslag moet worden opgeheven omdat de vordering summierlijk ondeugdelijk is, is enkel relevant wat in het beslagrekest ten grondslag is gelegd aan het verzochte beslag. Derhalve kan die nieuw aangevoerde grondslag niet dienen als onderbouwing van de vordering ten behoeve waarvan het beslag is gelegd.

4.7.

Aan het verzoek om beslag te kunnen leggen op het aandeel van [eiseres sub 2] in de woning heeft Postco Group kennelijk – zo is dat ook begrepen door [eisers] – in het beslagrekest ten grondslag gelegd dat [eiseres sub 2] op grond van het bepaalde in
artikel 1:96 BW verhaalsaansprakelijk is voor de schulden van haar man, nu de omstreden rekening-courantschuld in de huwelijksgemeenschap valt waarin [eisers] zijn gehuwd.

4.8.

De voorzieningenrechter overweegt dat gemeenschapsschulden en privé-schulden van een van de echtgenoten verhaald kunnen worden op de goederen van de gemeenschap
(artikel 1:96 lid 1 BW). Dat [eiseres sub 2] zelf geen schuldenaar is met betrekking tot de vordering waarvoor beslag wordt gelegd, staat niet er aan in de weg dat beslag wordt gelegd te haren laste op de van de huwelijksgemeenschap deel uitmakende echtelijke woning (zie ook de zaak die geleid heeft tot het arrest van Hof Arnhem 22 februari 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC5100 waarin in hoger beroep alsnog verlof verleend werd om conservatoir beslag te leggen op het onverdeeld aandeel van een echtgenoot-niet-schuldenaar in de tot de huwelijksgemeenschap behorende woning).

4.9.

[eiseres sub 2] heeft verder als verweer aangevoerd dat zij niets zou hebben kunnen doen aan de mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid van haar man, zodat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schade als gevolg daarvan verhaalbaar is op de huwelijksgemeenschap. Dat verweer moet worden verworpen omdat het geen steun vindt in het recht.

4.10.

De stelling van [eiseres sub 2] , dat in dat geval de weg van artikel 708 Rv had moeten worden gevolgd, hetgeen volgens [eisers] niet is gebeurd, moet worden verworpen. Van belang is dat de echtgenoot-niet-schuldenaar van het beslag op de hoogte komt en zich hiertegen kan verzetten. Met de betekening van het proces-verbaal van beslag op de woning op 23 maart 2020 aan [eisers] is [eiseres sub 2] van het beslag op de hoogte gekomen en heeft zij de kans gekregen zich te verzetten tegen het beslag.

De vordering op [eiser sub 1]

4.11.

Vast staat dat [eiser sub 1] als enig bestuurder van [naam holding 2] Holding B.V. heeft beslist om de rekening-courant-vordering op zichzelf af te boeken. [eisers] hebben onvoldoende onderbouwd dat het afboeken van de bedoelde schuld geen benadeling voor Postco Group oplevert omdat de omstreden vordering van [naam holding 2] Holding B.V. op
toch oninbaar zou zijn. [eiser sub 1] heeft onvoldoende gegevens verstrekt over zijn vermogenspositie ten tijde van de afboeking. Concrete gegevens over het toenmalige inkomen en zijn vermogenspositie (bankrekeningen, overwaarde van de woning, waarde inboedel etc.) ontbreken immers. De post “vorderingen en overlopende activa” die op de balans per 31 december 2013 van [naam holding 2] Holding B.V. staat en volgens die balans € 110.854,-- bedraagt, betreft volgens [eiser sub 1] de vordering die [naam holding 2] Holding B.V. op hem had. Die vordering zou (hebben) volstaan om daarmee de vordering van Postco Group op [naam holding 2] Holding te voldoen.

4.12.

Dat er geen causaal verband bestaat tussen de omstreden ontbinding van
[naam holding 2] Holding B.V. en de schade van Postco Group, omdat de vordering van
Holding B.V. op [eiser sub 1] toch oninbaar zou zijn, zoals [eisers] stellen, staat derhalve niet vast.

4.13.

Gelet op het voorgaande is niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de gestelde grondslag van de vordering dat [eiser sub 1] onrechtmatig gehandeld heeft
jegens Postco Group. De overige gronden die door Postco Group zijn aangevoerd voor aansprakelijkheid van [eiser sub 1] behoeven daarom geen bespreking meer.

Rechtsverwerking

4.14.

Niet relevant is het verweer van [eisers] , dat Postco Group haar vordering op [naam holding 2] Holding B.V. heeft afgeboekt. Het betreft immers enkel een boekhoudkundige handeling, ingegeven door het voorzichtigheidsbeginsel, om een dubieuze vordering af te boeken. Deze heeft niet de bedoeling om jegens [naam holding 2] Holding B.V. afstand te doen van die vordering. Bovendien is die handeling niet gericht tot die holding en kan die holding daar dan ook geen rechten aan ontlenen.

Decharge

4.15.

Dat [naam holding 2] Holding B.V. aan [eiser sub 1] decharge zou hebben verleend en daarmee afstand zou hebben gedaan van ieder recht om hem als bestuurder achteraf nog aan te spreken, is niet relevant. Het gaat in deze zaak immers om de aansprakelijkheid van
jegens Postco Group, waaraan de decharge door [naam holding 2] Holding B.V. niet afdoet.

Verjaring

4.16.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beroep op verjaring moet worden verworpen. Bij de beoordeling van het beroep op verjaring door [eisers] moet onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende grondslagen waarop de vorderingen van Postco Group jegens [eiser sub 1] worden gebaseerd.

4.17.

Voor zover de vordering van Postco Group is gebaseerd op de stelling dat
[eiser sub 1] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door [naam holding 2] Holding B.V. te ontbinden via een zogenaamde turboliquidatie, moet het in dat kader gedane beroep door [eiser sub 1] op verjaring worden afgewezen. Vast staat dat de omstreden turboliquidatie heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2017. Op dat moment is de toepasselijke verjaringstermijn van vijf jaren volgens artikel 3:310 BW aangevangen. Nu sedertdien minder dan vijf jaren zijn verstreken, is de op deze grondslag gebaseerde vordering nog niet verjaard.

4.18.

Voor zover de stelling van [eisers] inhoudt dat de vordering van Postco Group op [naam holding 1] Holding B.V. wegens de geldlening op grond van het bepaalde in artikel 14 van de vaststellingsovereenkomst is verjaard, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Anders dan [eisers] stellen, is de verjaringstermijn ten aanzien van de gehele geldlening niet al aangevangen in 2012, op het moment dat de eerste aflossingstermijn verviel doch niet is betaald. Dat in artikel 14 van de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat in geval van de overschrijding van een betalingstermijn, of van de opeisbaarheid van enige som ter zake van de aflossing, de lening met onmiddellijke ingang opzegbaar is en opeisbaar is, betekent enkel dat Postco Group in dat geval gerechtigd is, en dus niet verplicht is, (het restant van) de lening ineens in zijn geheel vervroegd op te eisen, noch dat
[naam holding 2] Holding B.V. van rechtswege gehouden is vanaf dat moment (het restant van) de lening ineens in haar geheel terug te betalen. Op grond van het bepaalde in artikel 3:308 BW verjaren de afzonderlijke aflossingstermijnen vijf jaar nadat deze opeisbaar zijn geworden, in dit geval voor het einde van iedere maand. Voordat het restant van de vordering uit de
lening geheel kan worden geïnd, moet deze, nadat Postco Group gerechtigd is geworden om over te gaan opzegging en opeising van de lening, vervolgens ook daadwerkelijk worden opgezegd en opgeëist. Pas bij schrijven van 20 september 2018 heeft Postco Group gesommeerd het restant van de geldlening in haar geheel terug te betalen. Het standpunt van
[eisers] vindt derhalve geen steun in het recht.

4.19.

Op 11 september 2015 (productie 3 bij de dagvaarding) heeft Postco Group
[naam holding 2] Holding B.V. bij brief gewezen op het feit dat zij haar aflossingsverplichtingen uit de leningsovereenkomst niet nakomt en dat op dat moment de betalingsachterstand € 1.000,-- bedraagt. Voorts is [naam holding 2] Holding in die brief gesommeerd en in gebreke gesteld om het bedrag van € 1.000,-- te betalen uiterlijk op 21 september 2015. De inhoud van dit schrijven is door [eisers] niet betwist. De bedoelde vordering zag, omdat daarvan uitdrukkelijk melding wordt gemaakt, op de betaling van maandtermijnen die toen (nog) achterstallig waren, te weten die van de maanden juli en augustus 2015. De maandtermijnen die sedertdien nog zouden moeten vervallen, zijn nog niet verjaard, nu sedertdien geen vijf jaren zijn verstreken. Niet juist is dan ook het verweer van [eisers] dat de sommatiebrief van 20 september 2018 pas is verstuurd nadat de verjaring al was voltooid. Dat [naam holding 2]
Holding B.V. toen al een jaar niet meer bestond, betekent, anders dan [eisers] betogen, evenmin dat Postco Group dus geen vordering meer heeft.

4.20.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog dat het verweer van
[eisers] , dat de e-mails uit 2015 en 2016, die door Postco Group als producties 1 en 2 zijn overgelegd, geen stuitende werking hebben, omdat deze zijn gericht aan de verkeerde adressaat, namelijk aan [eiser sub 1] , in plaats van aan [naam holding 2] Holding B.V., moet worden verworpen. De hiervoor genoemde brief van 11 september 2015 is gericht aan zowel
[eiser sub 1] als aan [naam holding 2] Holding B.V. Ook de sommatiebrief van

20 september 2018 (productie 4 van Postco Group) is gericht aan [naam holding 2] Holding B.V. en aan [eiser sub 1] .

4.21.

De verwijzing door [eisers] naar het vonnis van de rechtbank Arnhem van 17 oktober 2012 (LJN BY 2198) is in het licht van het hiervoor overwogene niet relevant.

Hoogte van de vordering

4.22.

[eisers] hebben in de dagvaarding de hoogte betwist van de vordering van Postco Group op [naam holding 2] Holding B.V., doch zij hebben niet onderbouwd wat de juiste hoogte van die vordering zou zijn, zodat de voorzieningenrechter aan dat verweer voorbij gaat.

Belangenafweging, misbruik van recht en bankgarantie

4.23.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang dat [eisers] bij opheffing van het beslag stellen te hebben niet zwaarder weegt dan het belang dat Postco Group stelt te hebben bij handhaving daarvan. De vordering van Postco Group op [naam holding 2] Holding B.V. is reeds lang opeisbaar. Ondanks vele sommaties gedurende een groot aantal jaren, is de holding nalatig gebleven het door haar verschuldigde te voldoen. [eisers] bieden geen enkele zekerheid voor de beweerde vordering van Postco Group. Dat [eisers] als gevolg van het blijven rusten van het beslag aanzienlijke schade zullen lijden, omdat zij de boete van € 31.000,--, verschuldigd in verband met het niet kunnen leveren van de verkochte woning en het niet kunnen aflossen van een overbruggingskrediet van € 35.000,-- niet kunnen betalen, dient voor hun risico te blijven. Postco Group maakt dan ook geen misbruik van haar recht om juist nu beslag te leggen.

4.24.

In het kader van de belangenafweging hebben [eisers] nog aangevoerd dat Postco Group geen enkel verhaal biedt voor de mogelijke schadevordering als Postco Group in een bodemprocedure in het ongelijk zou worden gesteld.

4.25.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit verweer terecht is voorgedragen. Postco Group heeft niet betwist dat uit jaarstukken over 2018 blijkt dat zij niet beschikt over activa en dat zij enkel schulden heeft voor een bedrag van € 80.000,--.

4.26.

Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, zal de voorzieningenrechter de vordering tot opheffing van het beslag (de vordering sub 1) afwijzen, maar bepalen dat het beslag zal worden opgeheven, indien Postco Group niet uiterlijk binnen vijf dagen na heden een bankgarantie doet stellen door een gerenommeerde bank en onder de gebruikelijke voorwaarden stelt voor een bedrag van € 100.000,--.

4.27.

Omdat partijen over en weer deels in het gelijk en het ongelijk zijn gesteld, zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

heft het door Postco Group op 23 maart 2020 op de woning van [eisers] , aan het adres [adres 1] te [woonplaats] gelegde conservatoire beslag op, tenzij Postco Group binnen vijf dagen na heden een bankgarantie doet stellen van een gerenommeerde bank en onder gebruikelijke voorwaarden ten bedrage van € 100.000,--;

5.2.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken.1

1 type: MT