Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:4413

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
20-07-2020
Zaaknummer
8503828 CV EXPL 20-2084
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kantonrechter geeft overlast plegende huurder laatste kans; gevraagde ontruiming afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8503828 CV EXPL 20-2084

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 18 juni 2020

in de zaak van:

de stichting

STICHTING WOONPUNT,

gevestigd te Maastricht,

eisende partij,

gemachtigde mr. M. van den Oord,

tegen:

[gedaagde] ,

wonend [adres] ,

[woonplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. L.H.G. Pelzer.

Partijen worden hierna Woonpunt en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties a tot en met c en 1 tot en met 29

- de ten behoeve van de mondelinge behandeling ingekomen producties 30 tot en met 33 van Woonpunt

- de mondelinge behandeling op 4 juni 2020

- de overgelegde aantekeningen mondelinge behandeling van Woonpunt

- de overgelegde pleitnota met producties 1 tot en met 4 van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] huurt met ingang van 1 december 1992 van Woonpunt de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] .

2.2.

Op 15 augustus 2018 zou een gesprek tussen [gedaagde] en Woonpunt plaatsvinden over door [gedaagde] veroorzaakte overlast, welk gesprek door [gedaagde] is afgezegd, waarna Woonpunt een waarschuwingsbrief heeft verzonden.

2.3.

Op 29 januari 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde] en Woonpunt.

2.4.

Bij brief van 7 november 2019 heeft Woonpunt aangekondigd voornemens te zijn een procedure bij de kantonrechter op te starten met als doel de huurovereenkomst te doen ontbinden, tenzij [gedaagde] uiterlijk 20 november 2019 de huurovereenkomst opzegt.

2.5.

Bij brief van 20 november 2019 heeft Woonpunt te kennen gegeven dat zij [gedaagde] aanmeldt voor het Zeer Moeilijk Plaatsbaren-traject (ZMP) via de Levantogroep en wordt een laatste waarschuwing gegeven dat indien nieuwe overlastklachten worden ontvangen alsnog een gerechtelijke procedure zal worden gestart.

2.6.

Bij brief van 12 maart 2020 heeft Woonpunt aangekondigd een procedure bij de kantonrechter te entameren met als doel de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij [gedaagde] uiterlijk 23 maart 2020 de huurovereenkomst opzegt.

2.7.

Bij brief van 23 maart 2020 heeft Woonpunt te kennen gegeven dat iets is misgegaan bij de opstart van het ZMP-traject, maar dat zij niet bereid is de afloop van het traject af te wachten en vanwege voortdurende overlast de procedure bij de kantonrechter zal starten, tenzij [gedaagde] uiterlijk de huurovereenkomst op 6 april 2020 opzegt. Dat laatste is niet gebeurd.

3 Het geschil

3.1.

Woonpunt vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn de woning aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen en te verlaten, onder afgifte van sleutels, met alle goederen en al de personen die zijdens [gedaagde] in voormelde woning verblijven en de woning ter vrije beschikking van Woonpunt te stellen;

2. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten en nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Woonpunt heeft een spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming van het gehuurde. Dat spoedeisend belang is gelegen in de verplichting haar (andere) huurders rustig woongenot te verschaffen en haar huurders te vrijwaren van overlast van [gedaagde] .

4.2.

Gezien de ernst van de gevolgen voor de betrokken huurder, [gedaagde] , kan een ontruiming in kort geding slechts worden bevolen, indien de overlast van zodanige aard en ernst is dat ontruiming op korte termijn noodzakelijk is, de uitkomst van een bodem-procedure niet kan worden afgewacht en hoogstwaarschijnlijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden.

4.3.

Woonpunt heeft gesteld dat [gedaagde] het woongenot van omwonenden ernstig verstoort doordat hij sinds langere tijd veelvuldig met name nachtelijke geluidsoverlast veroorzaakt bestaande uit luidruchtig praten, schreeuwen, het afspelen van harde muziek, het gooien met deuren, bonken en door het blaffen van de hond. De overlast is door verschillende omwonenden sinds medio 2018 gemeld bij Woonpunt, waarvan ook meldingen zijn overgelegd, en sinds 1 december 2018 zijn diverse politiemeldingen geregistreerd wegens geluidsoverlast blijkens de (sfeer)rapportages van 27 januari 2020 en 29 april 2020. Nadat op 29 januari 2019 een gesprek tussen [gedaagde] en Woonpunt heeft plaatsgevonden en diverse waarschuwingsbrieven aan [gedaagde] zijn verstuurd waarin hij wordt gesommeerd de overlast te staken, stelt Woonpunt dat de overlast blijft voortduren. De buurtcoördinator heeft bij e-mail van 6 april 2020 gemeld dat de wijkagent zich zorgen maakt over de veiligheid in de buurt en hij vreest dat de wijk het heft in eigen handen zal gaan nemen. Ondanks dat Woonpunt in november 2019 nog aanstuurde op het opstarten van een ZMP-traject ten behoeve van [gedaagde] met in eerste instantie als doel om de situatie leefbaar te houden en dus gericht op woningbehoud, besluit Woonpunt wegens voortdurende overlast om de huisuitzetting in gang te zetten.

4.4.

[gedaagde] voert verweer en stelt dat hij al 28 jaar de woning huurt, maar dat hij sinds begin 2019 een conflict heeft met zijn buurvrouw. Hij erkent dat vanwege dit conflict er sprake is van schreeuwen en overige buurtbewoners daar last van kunnen ondervinden, maar het niet zijn bedoeling is om overlast te veroorzaken. [gedaagde] stelt dat hij zijn buurvrouw aanspreekt op haar gedrag in plaats van dat hij de politie belt. De buurvrouw maakt echter voor ieder wissewasje een melding bij de politie waardoor de onterechte indruk is ontstaan, mede bij overige buurtbewoners, dat [gedaagde] de (enige) bron van overlast zou zijn. Voorts stelt [gedaagde] dat Woonpunt niets heeft ondernomen om het conflict met zijn buurvrouw op te lossen. Zo heeft er nooit een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden om de onderlinge verstandhouding te verbeteren, terwijl dat wel is afgesproken tijdens het gesprek dat [gedaagde] had op 29 januari 2019 met Woonpunt. Woonpunt meldt bij brief van 20 november 2019 dat zij [gedaagde] heeft aangemeld bij het meldpunt voor Zeer Moeilijk Plaatsbaren (ZMP), welk traject door de Levantogroep zou worden uitgevoerd en volgens voornoemde brief is gericht op voorkoming van huisuitzetting. Nadat bij Woonpunt iets is misgegaan inzake het opstarten van het ZMP-traject wordt het intakegesprek pas gepland op 19 mei 2020. Tot verbazing van [gedaagde] vindt dit gesprek uiteindelijk geen doorgang, aangezien Woonpunt alsnog een ontruimingsprocedure is gestart.

[gedaagde] stelt dat hij vanaf 2011 chronisch depressief is en al jaren wordt behandeld door PsyQ. Daarbij erkent hij dat regelmatig alcohol in het spel is en hij al sinds zijn twaalfde wiet gebruikt. Echter [gedaagde] stelt dat hij openstaat voor aanvullende hulp en dat die (deels) ook al in gang is gezet door het opstellen van een 1Gezin1Plan en hij wekelijks intensieve thuiszorg ontvangt. Tevens heeft hij zich op eigen initiatief aangemeld bij Radix voor een agressietraining en zou hij graag alsnog het ZMP-traject bij Levanto willen volgen. Ook het bemiddelingsgesprek dient wat hem betreft alsnog plaats te vinden.

4.5.

Voorop wordt gesteld dat de kantonrechter het, gelet op de door Woonpunt in het geding gebrachte documenten, mede in het licht van het verhandelde ter zitting, aannemelijk acht dat [gedaagde] overlast veroorzaakt. Van belang is verder dat [gedaagde] er blijk van heeft gegeven dat bij diverse instanties hulp is gezocht, zoals de wekelijkse intensieve thuiszorg en de aanmelding bij Radix. Ook zou wenselijk zijn dat alsnog het traject bij Levanto, zoals voorgesteld door Woonpunt, en een bemiddelingsgesprek tussen [gedaagde] en in ieder geval zijn buurvrouw zou plaatsvinden om alsnog de kern van het probleem aan te pakken. Van Woonpunt mag als verhuurder die mede belast is met de uitvoering van een sociaal woningbeleid verwacht worden dat zij in ieder geval een gesprek met de betrokken klagende buurtbewoners organiseert dan wel een op haar initiatief gestart ZMP-traject daadwerkelijk op gang brengt, wat niet is gebeurd door een fout aan de zijde van Woonpunt zelf, zodat een gedragsverandering bij [gedaagde] kan worden bewerkstelligd. De kantonrechter wil hierbij echter benadrukken dat de door [gedaagde] veroorzaakte overlast ernstig is en [gedaagde] als een terdege gewaarschuwd man heeft te gelden. [gedaagde] dient ervoor zorg te dragen dat hij zijn leefgedrag als huurder op korte termijn verbetert, maar hij moet, gegeven de schetste feiten en omstandigheden, waaruit volgt dat ook Woonpunt steken heeft laten vallen, wel een (laatste) kans krijgen om dat met hulp van de ingeroepen instanties te realiseren. In de reeds aanhangige bodemprocedure kan dan de balans worden opgemaakt.

4.6.

De slotsom is dan ook dat de vorderingen van Woonpunt worden afgewezen.

4.7.

Woonpunt zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot op heden begroot op € 720,00 aan gemachtigdensalaris.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen van Woonpunt af,

5.2.

veroordeelt Woonpunt in de kosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 720,00,

5.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken.

type: LS