Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:4409

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1361
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting van een woning voor de duur van drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet heeft de burgemeester in redelijkheid proportioneel kunnen vinden. Grote handelshoeveelheid (soft- en hard)drugs gevonden in de woning. Zelfs al zou verzoekster niet van de drugs hebben geweten, dan nog kan haar een verwijt van de overtreding (hoe gering ook) worden gemaakt. Zij is als bewoner van de woning namelijk verantwoordelijk voor de gang van zaken in en om de woning. Van haar mocht worden verwacht dat zij bekend was met het gebruik van de verschillende vertrekken van de woning en de daarin aanwezige goederen. Geen sprake van bijzondere binding met de woning. Voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 20/1361

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 juni 2020

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] te Maastricht, verzoekster

(gemachtigde: [naam 2] ),

en

De Burgemeester van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigde: mr. R.G.A. Stassen).

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder onder aanzegging van bestuursdwang gelast dat de woning van verzoekster aan de [straatnaam] [huisnummer] te Maastricht (hierna: de woning) op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van drie maanden wordt gesloten.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2020. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Wat is de aanleiding geweest voor het nemen van het bestreden besluit?

2. De politie heeft aan verweerder een sluitingsrapportage doen toekomen. Uit deze rapportage volgt dat er op 10 december 2019 drugs zijn aangetroffen in de woning, te weten: 900 gram amfetamine, 200 gram cocaïne, 200 gram heroïne en 190 gram hennep. Uit de sluitingsrapportage komt verder naar voren – aldus verweerders gemachtigde ter zitting – dat de zoon van de partner van verzoekster uit de woning komt en dan contact heeft met junkachtige personen. De verbalisant heeft tot slot in de sluitingsrapportage opgemerkt dat hij vermoedt dat verzoekster en haar partner niets van de drugs in hun woning afwisten en gelet op de sociale omstandigheden van beiden, de zonen misbruik hebben gemaakt van de situatie.

Waarom is verzoekster het niet eens met het bestreden besluit?

3. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij van niets wist. Zij wist niet dat de drugs zich in haar woning bevonden. Verzoekster is de mening toegedaan dat zij niet hiervoor verantwoordelijk is, maar waarschijnlijk haar zoon. Verzoekster heeft voorts aangevoerd dat zij ernstige psychische problemen heeft naar aanleiding van het overlijden van een van haar kinderen, terwijl haar partner lichamelijk beperkt is en afhankelijk is van een scootmobiel. Ook kan haar partner de bovenetage enkel bereiken met een aanwezige traplift. Er is hierdoor sprake van een aangepaste woning, aldus verzoekster. Het is volgens verzoekster niet mogelijk om – gezien de slechte lichamelijke toestand van haar partner – op korte termijn elders een geschikte woning te vinden. De woning dient namelijk niet alleen gelijkvloers te zijn, zoals verweerder stelt, maar haar partner dient zich ook te kunnen verplaatsen door het huis ten aanzien van deuropeningen en bochten. Dergelijke woningen zijn beperkt en niet zo snel te vinden. Het voorgaande betekent volgens verzoekster dat haar psychische gezondheid en de gezondheidstoestand van haar partner ernstig wordt bedreigd als gevolg van de ophanden zijnde woningsluiting. Waarschijnlijk zal zij en haar partner dan worden gesplitst en niet meer bij elkaar kunnen wonen. Daarnaast heeft verzoekster aangevoerd dat als gevolg van de woningsluiting de verhuurder (Woningstichting Sint Servatius) wellicht de huurovereenkomst buitenrechtelijk zal ontbinden, waardoor zij en haar partner ook na afloop van de sluitingsperiode dakloos zullen zijn.

Welke wettelijke regels zijn van toepassing?

4. Voor de wettelijke regels die van toepassing zijn verwijst de voorzieningenrechter naar de bijlage bij deze uitspraak.

Is verweerder bevoegd de woning van verzoekster te sluiten?

5. De sluiting van de woning is gebaseerd op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Deze bepaling maakt het mogelijk – kort gezegd – een woning te sluiten indien vanuit die woning hard- of softdrugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn.

6. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 1 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2933), overwogen dat mag worden aangenomen dat een meer dan geringe hoeveelheid drugs niet, althans niet uitsluitend, voor eigen gebruik van een persoon bestemd is, maar deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. Daarbij kan in redelijkheid worden aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria, volgens welke een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0.5 gram en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram als hoeveelheid voor eigen gebruik worden aangemerkt. Bij de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid is in beginsel aannemelijk dat deze bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van verzoekster om het tegendeel aannemelijk te maken. Deze lijn heeft de Afdeling in de uitspraak van 14 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:738) nogmaals bevestigd.

7. Op grond van de stukken in het dossier is voldoende vast komen te staan dat in de woning van verzoekster 900 gram amfetamine in de diepvries is aangetroffen en op de eerste verdieping op een kamer 200 gram cocaïne, 200 gram heroïne en 190 gram hennep. Gelet daarop heeft verweerder mogen aannemen dat de aangetroffen (hard- en soft)drugs deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden bestemd waren. De bevoegdheid van verweerder om verzoekster op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een last onder bestuursdwang te mogen opleggen staat daarmee vast. Verzoekster heeft deze bevoegdheid als zodanig ook niet bestreden. De voorzieningenrechter overweegt verder dat deze bepaling niet vereist dat verzoekster kennis moet hebben gehad van de aanwezigheid van de verdovende middelen en/of dat zij betrokken moet zijn geweest bij de verkoop ervan. De door verzoekster aangevoerde omstandigheid dat zij niet wist dat de drugs zich in haar woning bevonden, is voor het vaststellen van de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang dan ook niet relevant.

Is de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden evenredig?

8. Verweerder heeft voor de sluiting van de woning van verzoekster aansluiting gezocht bij zijn beleid voor het sluiten van een woning waarin (hard- en soft)drugs zijn aangetroffen. Op grond van zijn beleid sluit verweerder een woning dan voor drie maanden. Het bestreden besluit tot sluiting van de woning is in overeenstemming met het beleid.

9. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Verweerder dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen (vergelijk overweging 4 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912). In de eerste plaats dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde (vergelijk overweging 4.1 van de hiervoor genoemde uitspraak van 28 augustus 2019). Daarbij is ook van belang of feitelijke handel heeft plaatsgevonden in of vanuit de woning of daarbij behorende erven. Vervolgens moet worden beoordeeld of sluiting van de woning evenredig is (vergelijk overweging 4.2 van de uitspraak van 28 augustus 2019). Bij die beoordeling dienen in ieder geval te worden betrokken de verwijtbaarheid, de gevolgen van de sluiting en de aanwezigheid van minderjarige kinderen.

10. Wat betreft de vraag of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid hanteert de voorzieningenrechter het toetsingskader, zoals de Afdeling dat heeft uiteengezet in de uitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912).

11. In de eerste plaats dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.

12. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat in de woning een zeer grote hoeveelheid (hard)drugs is aangetroffen en ook een handelshoeveelheid softdrugs (190 gram hennep is meer dan de gebruikershoeveelheid van 5 gram softdrugs). De aanwezigheid van een dergelijke handelshoeveelheid in een woning kan als een ernstig geval worden aangemerkt, zodat bij een eerste overtreding van de Opiumwet niet hoeft te worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel.

13. Voor de vraag of gebleken is dat de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, is het uitgangspunt dat als in een woning een dergelijke handelshoeveelheid wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1435). Niet gebleken is dat dit uitgangspunt niet van toepassing zou zijn.

14. De volgende vraag die beantwoord dient te worden is of de sluiting ook evenredig is. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

15. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist is voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. De vraag of verzoekster een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, kan daarentegen wel aan de orde komen in het kader van de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting (zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2241). Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Hiervan kan sprake zijn als verzoekster niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen verdovende middelen in haar woning (zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2116). Verzoekster heeft betoogd dat dit het geval was. Ook de verbalisant van de sluitingsrapportage merkt op dat hij vermoedt dat verzoekster en haar partner niet op de hoogte waren van de aanwezigheid van de drugs in de woning en dat hun zonen misbruik hebben gemaakt van de situatie. De voorzieningenrechter overweegt met betrekking tot dit punt dat zelfs al zou verzoekster niet van de drugs hebben geweten, dan nog kan haar een verwijt van de overtreding (hoe gering ook) worden gemaakt. Zij is als bewoner van de woning namelijk verantwoordelijk voor de gang van zaken in en om de woning. Van haar mocht worden verwacht dat zij bekend was met het gebruik van de verschillende vertrekken van de woning en de daarin aanwezige goederen.

16. Met betrekking tot de gevolgen van de sluiting voor verzoekster en haar partner overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

17. Inherent aan een sluiting van een woning is dat een bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat wordt anders als de betrokkene een bijzondere binding heeft met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. Daarbij gaat het niet om een binding met de omgeving van de woning, maar specifiek om een binding met de woning zelf. Daarbij is van belang in hoeverre de betrokkene zelf geschikte vervangende woonruimte kan regelen, maar is ook een rol weggelegd voor verweerder. Gelet op de vereiste evenredigheid van de sluiting dient verweerder te informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting. De gevolgen van een woningsluiting kunnen ook bijzonder zwaar zijn indien de betrokkene niet kan terugkeren in de woning na de sluiting, bijvoorbeeld omdat door de sluiting zijn huurcontract wordt ontbonden. In dat kader dient ook betekenis te worden toegekend aan de vraag of de betrokkene door sluiting van de woning op een zogenoemde zwarte lijst komt te staan bij een woningbouwcorporatie als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio (zie de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840). Dit hoeft zich echter niet zonder meer tegen sluiting te verzetten, bijvoorbeeld niet als de betrokkene een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:719) of gezien de ernst van de overtreding (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1149).

18. De voorzieningenrechter is het met verweerder eens dat niet gezegd kan worden dat de partner van verzoekster vanwege zijn lichamelijke klachten een bijzondere binding heeft met de woning en daarom is aangewezen op deze woning. Verzoekster kan met haar partner gelijkvloers gaan wonen. In de overgelegde medische stukken van de partner van verzoekster wordt ook niet inzichtelijk gemaakt dat een woningsluiting onevenredige gevolgen heeft voor zijn gezondheidstoestand. Dat sprake is van psychische problematiek van verzoekster, neemt de voorzieningenrechter aan, maar dat deze problematiek zodanig zal gaan verergeren vanwege de stress van de aanstaande woningsluiting dat zij niet naar een andere woning kan verhuizen, is niet met medische stukken onderbouwd. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de beperkingen van verzoekster en haar partner niet maken dat het vinden van een geschikte tijdelijke woonruimte (op korte termijn) onmogelijk is. Dat verzoekster en haar partner na de sluiting niet kunnen terugkeren naar de woning, omdat de huurovereenkomst wordt ontbonden, hoeft zich niet tegen de woningsluiting te verzetten gezien de ernst van de overtreding.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, ondanks de geringe verwijtbaarheid van verzoekster, de belangen voldoende afgewogen in die zin dat het belang van de woningsluiting zwaarder weegt vanwege de omvang van de drugshandel dan het persoonlijke belang van verzoekster bij het behoud van de woning.

Wat is de conclusie?

19. Gelet op het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat hetgeen verzoekster heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden zijn die ertoe moeten leiden dat verweerder de sluitingsduur verder had dienen te matigen of een waarschuwing had moeten opleggen. Ook overigens is de voorzieningenrechter niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden.

20. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van verzoekster geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Gruiters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H.J. Laeven, griffier, op 19 juni 2020

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

de griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op: 19 juni 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

BIJLAGE

Wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 5:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Op grond van artikel 4:84 van de Awb kan de burgemeester gemotiveerd afwijken van dit beleid. Op grond van deze afwijkingsbevoegdheid kan de burgemeester, in bijzondere gevallen, besluiten om redenen van redelijkheid en billijkheid, een eenmaal opgelegd besluit tot sluiting opheffen.

Opiumwet

Artikel 2, van de Opiumwet bepaalt dat het verboden is een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

B. te telen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

D. te vervaardigen.

Artikel 3, van de Opiumwet bepaalt dat het verboden is een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

D. te vervaardigen.

Amfetamine, cocaïne en heroïne staan vermeld op lijst I.

Hennep staat vermeld op lijst II.

Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bepaalt dat de burgemeester bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Beleid inzake bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet

“Damoclesbeleid Lokalen en woningen” (bekendgemaakt op 18 juli 2019 en inwerking getreden op 19 juli 2019; hierna: het beleid). In dit beleid is het volgende weergegeven: “De woning wordt gesloten voor de duur van drie maanden indien sprake is van:

a. het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van een middel als bedoeld op lijst I of II behorende bij de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, of

b. het voorhanden hebben van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3º, of artikel 11a, van de Opiumwet (voorbereidingshandelingen).”