Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:4386

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
8189532 cv 19-8311
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Dexia vordert verklaring voor recht dat zij niets meer aan afnemer verschuldigd is. Dexia heeft er belang bij om uitsluitsel te krijgen over de vraag of afnemer daadwerkelijk een bestaand civielrechtelijke recht heeft. Daartoe kan de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel zijn. Het instellen van de vordering door Dexia is dan ook geen misbruik van recht.

Bij de huidige stand van de jurisprudentie heeft afnemer, tegen de achtergrond van de in vele procedures beschreven werkwijze van de tussenpersonen en wetenschap van Dexia, met de overgelegde stukken voldoende onderbouwd dat sprake is geweest van advisering in de zin van artikel 41 NR 1999. Het is daarom aannemelijk dat afnemer op die grond een vordering op Dexia heeft, zodat niet ten volle kan worden vastgesteld dat Dexia geen verplichtingen jegens afnemer meer heeft. Vordering van Dexia wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 8189532 \ CV EXPL 19-8311

Vonnis van de kantonrechter van 17 juni 2020

in de zaak van:

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij,

verder te noemen Dexia,

gemachtigde mr. J.R. van Staveren,

tegen:

[gedaagde] ,

wonend [adres] ,

[woonplaats] ,

gedaagde partij,

verder te noemen [gedaagde] ,

gemachtigde mr. G. van Dijk.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 november 2019;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie dupliek.

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Dexia Bank Nederland, Bank Labouchere en Legio Lease. Waar sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder begrepen.

2.2.

[gedaagde] is op 9 december 1999 een effectenlease-overeenkomst, genaamd ‘Capital Effect’ aangegaan met Dexia (hierna: de overeenkomst).

2.3.

De overeenkomst is op 8 mei 2006 beëindigd. Daarbij is een restschuld ontstaan van € 106,45, die door [gedaagde] is voldaan. Dexia heeft in 2012 een bedrag van € 91,58 aan [gedaagde] terugbetaald.

2.4.

[gedaagde] heeft door middel van een zogenaamde ‘opt-out verklaring’ aangegeven niet gebonden te willen zijn aan de door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 algemeen verbindend verklaarde Duisenberg-regeling.

2.5.

Bij brief van 23/24 januari 2012 heeft Leaseproces namens [gedaagde] aan Dexia meegedeeld:

(…) dat zij hun vorderingen op Dexia onverkort handhaven en dat deze brief met bijlage bedoeld is om de verjaring van deze vorderingen (…) te stuiten. (…)

2.6.

Dexia heeft bij brief van 23 november 2018 aan [gedaagde] meegedeeld dat zij een einde wil maken aan het geschil tussen haar en [gedaagde] . Dexia heeft [gedaagde] verzocht (doormiddel van het invullen van een bij de brief gevoegde bijlage) mee te delen of Dexia aan al haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan en – zo niet – mee te delen en te onderbouwen waarom Dexia nog niet aan al haar verplichtingen zou hebben voldaan. [gedaagde] heeft hierop niet gereageerd. Bij brief van 2 januari 2019 heeft Dexia aan [gedaagde] een herinnering gezonden, maar ook hierop is door [gedaagde] niet gereageerd.

3
3. De vordering en het verweer

3.1.

Dexia vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten, zal verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomst met nummer 21680085 aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Dexia stelt dat zij zich geconfronteerd ziet met de situatie dat [gedaagde] een niet nader geduide vordering op haar pretendeert te hebben, maar deze vordering niet concretiseert of motiveert en evenmin aan de rechter voorlegt. Dexia heeft er belang bij dat in rechte wordt vastgesteld dat [gedaagde] geen vordering op haar heeft in verband met de overeenkomst. Dexia heeft haar commerciële activiteiten al jaren geleden gestaakt en bestaat nog slechts voort om geschillen, zoals die met [gedaagde] , af te wikkelen. Als [gedaagde] wel een vordering op Dexia zou blijken te hebben heeft Dexia ook belang bij vaststelling daarvan, om het verder oplopen van wettelijke rente te voorkomen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer tegen de vordering.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hieronder nader ingegaan.

4
4. De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenlease-overeenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 á 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, waaronder [gedaagde] .

4.2.

De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:11363.30). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

4.3.

Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. [gedaagde] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

4.4.

Dexia vordert een verklaring voor recht die ertoe strekt het niet-bestaan van een recht vast te stellen. In haar visie is zij niets meer aan [gedaagde] verschuldigd. Volgens [gedaagde] heeft Dexia geen belang bij haar gevraagde verklaringen voor recht en maakt zij misbruik van recht door de vordering in te stellen. Ook meent hij nog enkele vorderingen op Dexia te hebben.

4.5.

In beginsel is het aan de schuldeiser van een vordering om te bepalen of en op welk moment hij zijn vordering in rechte geldend wil maken. Indien hij de regels ten aanzien van de (stuiting van) de verjaring (en onder omstandigheden de klachtplicht) in acht neemt, kan hij daarvoor de tijd nemen. Anderzijds dient het procesrecht er ook toe om bescherming te bieden aan een schuldenaar die jarenlang wordt genoodzaakt rekening te houden met een onduidelijke, mogelijk nog jegens hem geldend te maken vordering. Ook hem moet de mogelijkheid worden geboden om aan die situatie op enig moment een einde te maken door uitsluitsel te kunnen krijgen over de vraag of het gaat om daadwerkelijk bestaande civielrechtelijke rechten. Daartoe kan de door Dexia gevraagde verklaring voor recht een geëigend middel zijn. Anders dan [gedaagde] betoogt, heeft Dexia derhalve voldoende belang bij haar vordering. Het instellen van de vordering is dan ook geen misbruik van recht.

4.6.

Bij een dergelijke negatieve verklaring voor recht, blijven de stelplicht en bewijslast rusten op de partij die in materieel opzicht aan bepaalde feiten rechtsgevolgen verbonden wil zien. De vorm waarin de vordering is gegoten is daarbij niet bepalend. Voor toewijzing van de vordering van Dexia is vereist dat in dit geding kan worden vastgesteld dat zij niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is. Dat betekent dat wanneer dat niet ten volle kan worden vastgesteld, in beginsel afwijzing van de vordering behoort te volgen.

4.7.

[gedaagde] noemt een aantal gronden waarom hij meent nog een vordering op Dexia te hebben. Eén van die gronden betreft de betrokkenheid van een tussenpersoon bij de totstandkoming van de overeenkomst. [gedaagde] stelt dat sprake is van een handelen in strijd met artikel 41 NR 99, doordat Dexia wist, althans behoorde te weten dat de tussenpersoon, Spaar Advies, [gedaagde] niet alleen als klant aanbracht maar hem tevens persoonlijk had geadviseerd en Spaar Advies geen vergunning daarvoor bezat.

4.8.

[gedaagde] stelt op dit punt onder meer het volgende:
De ouders van [gedaagde] zijn in 1999 in contact met SpaarAdvies gekomen. Tijdens een telefonisch gesprek stelde de medewerker van SpaarAdvies voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van het gehele gezin door te nemen met een financieel adviseur van SpaarAdvies. De ouders van [gedaagde] hebben hiermee ingestemd. Vervolgens zij er twee adviseurs van Spaar Advies langs gekomen. [gedaagde] en zijn broer woonden destijds nog bij hun ouders. Zij waren ook aanwezig bij het gesprek met de adviseurs.

Tijdens het gesprek heeft de adviseur van SpaarAdvies ook geïnformeerd naar de wensen en de situatie van [gedaagde] . Zo is met de adviseur gesproken over het feit dat [gedaagde] 18 jaar was en op dat moment nog bij zijn ouders woonde. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [gedaagde] om vermogen op te bouwen voor de toekomst. De adviseur gaf aan dat dit mogelijk was en vertelde dat hij daar een geschikt product voor had. Geadviseerd werd om een Capital Effect product van Dexia af te sluiten. Dit product zou namelijk een hoog rendement hebben, doordat in stabiele fondsen werd geïnvesteerd. [gedaagde] diende voor het Capital Effect maandelijks een bedrag in te leggen. Besloten dat [gedaagde] f 200,00 per maand zou kunnen inleggen in het product. Volgens de adviseur zou [gedaagde] op deze wijze een aanzienlijk vermogen opbouwen voor de toekomst. De adviseur onderbouwde zijn verhaal door middel van positieve rekenvoorbeelden. Deze hielden geenszins rekening met tegenvallende resultaten. De adviseur heeft niet gewezen op de specifieke risico’s. [gedaagde] had geen beleggingservaring of kennis van complexe financiële producten en heeft het advies van de adviseur opgevolgd. De adviseur heeft de aanvraag voor het Capital Effect product in werking gesteld. Vervolgens heeft [gedaagde] het contract per post ontvangen en getekend retour gestuurd.

De adviseur heeft [gedaagde] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s en de daadwerkelijke constructie van het product. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met de inleg de rentelasten voor een lening (het effectenleasecontract) werden betaald en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van het effectenleasecontract.
Uit de door Dexia in het geding gebrachte overeenkomst blijkt dat SpaarAdvies daarop als adviseur is vermeld.

4.9.

Bij de huidige stand van de jurisprudentie heeft [gedaagde] , tegen de achtergrond van de in vele procedures beschreven werkwijze van de tussenpersonen en wetenschap van Dexia, met de overgelegde stukken voldoende onderbouwd dat sprake is geweest van advisering in de zin van artikel 41 NR 1999. Het is dan ook aannemelijk dat [gedaagde] op die grond een vordering op Dexia heeft, zodat niet ten volle kan worden vastgesteld dat Dexia geen verplichtingen jegens [gedaagde] meer heeft. De overige door [gedaagde] gestelde gronden voor een vordering op Dexia hoeven daarom geen bespreking meer.

4.10.

De vordering zal daarom afgewezen worden. Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten en in de nakosten.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt Dexia in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden vastgesteld op € 480,00 aan salaris gemachtigde en in de nakosten, die bepaald worden op € 120,00,

5.3.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken.

type: ksf

coll: