Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:4269

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
8269230 CV EXPL 20-286
Rechtsgebieden
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Q-Park, trein-rijden; verklaring relatie tussen feitelijke bestuurder en kentekenhouder niet onderbouwd; Q-Park: schade voor misgelopen inkomsten, systemen ontgrendeld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8269230 CV EXPL 20-286

Vonnis van de kantonrechter van 17 juni 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudend in Maastricht,

eisende partij,

gemachtigde mr. C.F.P.M. Spreksel,

tegen

[gedaagde] ,

wonend aan de [adres] ,

[woonplaats] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna Q-Park en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 16 december 2019 met producties

- het antwoord met een productie

- de conclusie van repliek en de door de griffier opgemaakte akte depot van 26 februari 2020

- de rolbeslissing waarbij het recht om een conclusie van dupliek te nemen is vervallen verklaard en dat vonnis zal worden gewezen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Q-Park vordert dat [gedaagde] , bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, wordt veroordeeld, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan Q-Park te betalen € 414,00, bestaande uit € 60,00 ter zake het tarief van verloren parkeerkaart, € 300,00 aan aanvullende schadevergoeding en € 54,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de in de dagvaarding omschreven gedraging is gepleegd tot de dag van volledige betaling met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.2.

Q-Park legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] , kentekenhoudster van de auto met [kenteken] als bestuurster van die auto die auto op 18 september 2019 in een parkeergarage heeft geparkeerd en omstreeks 15:25 uur die parkeergarage ROTTERDAM- de Bijenkorf met haar auto heeft verlaten zonder betaling en wel via “treintje rijden”.

2.3.

[gedaagde] betwist ten tijde van de gedraging het voertuig zelf te hebben bestuurd.

2.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover relevant, worden ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

[gedaagde] heeft niet betwist dat haar auto met het op haar naam staande kenteken [kenteken] op 18 september 2019 de parkeergarage heeft verlaten middels ‘treintje rijden’, zodat daarvan kan worden uitgegaan. In de regel mag ervan worden uitgegaan dat een particuliere kentekenhouder ook bestuurder is van die auto. Er wordt daarom in dit geschil uitgegaan van het vermoeden dat [gedaagde] de auto ook heeft bestuurd op 18 september 2019, en dus dat zij de contractspartij is geweest van Q-park en dat zij zich niet conform de overeenkomst heeft gedragen. Dit vermoeden kan worden weerlegd. [gedaagde] heeft dit vermoeden willen weerleggen met de bij antwoord overgelegde handgeschreven brief waarin een zekere [naam] verklaart de auto te hebben geleend van 17 september 2019 tot en met 20 september 2019 en de bestuurder te zijn geweest die treintje heeft gereden. Die verklaring laat echter te veel onbeantwoorde vragen over om voldoende te zijn om het vermoeden dat [gedaagde] bestuurster is geweest te weerleggen. Zo valt in die brief niets te lezen over welke relatie [naam] en [gedaagde] hadden in het kader waarvan de auto maar liefst vier dagen werd uitgeleend. Evenmin heeft [gedaagde] gesteld waarom zij haar auto heeft uitgeleend en evenmin is uitleg verstrekt waarom de in Heerlen wonende [gedaagde] haar auto uitleent aan de in Rotterdam wonende [naam] . Tenslotte is niet uitgelegd waarom [naam] , die in zijn brief van 4 januari 2020 schrijft een en ander te willen betalen, dat niet terstond heeft gedaan, ter voorkoming van voortzetting van dit geschil. Al met al heeft [gedaagde] het vermoeden dat zij bestuurster was dan ook niet weten te weerleggen.

3.2.

Dit betekent dat de vordering zal worden toegewezen met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geschil, die aan de zijde van Q-Park worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 83,52

  • -

    griffierecht € 124,00

  • -

    salaris gemachtigde € 144,00 (2 punten x tarief € 72,00)

totaal € 351,52

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan Q-Park te betalen € 414,00, ter voldoening van het tarief verloren kaart, de aanvullende schadevergoeding en de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de in de dagvaarding omschreven gedraging is gepleegd (18 september 2019) tot aan de dag der algehele voldoening;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van Q-Park tot op heden begroot op € 351,52,

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2020.

Type: NZ