Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:4254

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
18-05-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
ROE 20/651
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Woningsluiting artikel 13b Opiumwet. De burgemeester was bevoegd om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden en heeft van die bevoegdheid in redelijkheid gebruik kunnen maken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de noodzaak tot sluiting van de woning er is en dat er geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb zijn die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met dit beleid te dienen doelen. Afwijzing vovo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 20/651

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 mei 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Naam], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Ikiz),

en

De Burgemeester van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigde: M. Ploum).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2020, verzonden op 5 maart 2020, (het primaire besluit) heeft verweerder aan verzoeker op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang opgelegd. Deze strekt tot sluiting van het woonpand gelegen aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) voor de duur van drie maanden met ingang van 9 maart 2020 om 10.45 uur.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft telefonisch te kennen gegeven te wachten met het effectueren van de last onder bestuursdwang totdat uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. Verzoeker is de bewoner van de woning. In een ongedateerde rapportage van de politie is vermeld dat er op 5 december 2019 in de woning van verzoeker 65,5 gram bruto hennep is gevonden. De hennep zat in een heuptas, die in een kast op een slaapkamer lag.

2. Bij brief van 6 januari 2020 heeft verweerder verzoeker, als bewoner van de woning, bericht voornemens te zijn de woning te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De door verzoeker naar voren gebrachte schriftelijke zienswijze van 7 januari 2020 en het zienswijzengesprek van 16 januari 2020 hebben geen verandering gebracht in dit voornemen.

3. In artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in een (eventueel) bodemgeding.

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de twee in artikel 8:81 van de Awb neergelegde formele vereisten is voldaan, nu verzoeker een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de bestuursrechter bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

5. Verzoeker is het niet eens met het besluit van verweerder om zijn woning tijdelijk te sluiten. De aangetroffen drugs waren niet van hem maar van zijn neef, die op dat moment bij verzoeker logeerde. Hij wist ook niet dat zijn neef de drugs bij zich had. Verzoeker wil ook geen drugs in huis hebben, want hij weet wat de consequenties daarvan kunnen zijn. Hij stelt voorts zich op het standpunt dat het huidige handhavingsbeleid van verweerder niet redelijk is. Het is namelijk niet logisch om geen onderscheid te maken in sluitingsduur tussen de situatie van verzoeker, waarbij 65,5 gram bruto hennep is aangetroffen, en een vondst van bijvoorbeeld 100 kilogram cocaïne, 50 kilogram heroïne of 1000 MDMA-pillen. Bij een vondst van 65,5 gram bruto hennep is in zijn ogen geen sprake van een ernstige verstoring van de openbare orde, nog afgezien van de vraag of hiermee sprake is van een indicatie dat in de woning drugs worden verhandeld. Verzoeker verwijst in dit verband naar het toetsingskader, zoals neergelegd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840. Dit is van belang voor de vraag of verweerder niet had moeten volstaan met een waarschuwing. Sluiting van de woning betekent ook een schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoeker zal zijn woning kwijtraken en met een enorme huurschuld achterblijven. Die schuld kan hij met zijn inkomen uit een Wajonguitkering niet aflossen. Kortom, verweerder heeft volgens verzoeker onvoldoende gemotiveerd waarop de sluiting van het pand is geïndiceerd.

6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Juridisch kader

7. Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet luidt:

De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid,

wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

8. Op grond van artikel 5:21 van de Awb wordt onder een last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Was de burgemeester bevoegd om sluiting van de woning te gelasten?

9. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de burgemeester bevoegd is om de sluiting van het pand te gelasten.

10. De voorzieningenrechter overweegt, op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3907, dat artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing is bij de enkele aanwezigheid van drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Daarbij is in beginsel aannemelijk dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, indien de aangetroffen drugs de maximale hoeveelheid voor eigen gebruik, te weten 0,5 gram bij harddrugs, 5 gram bij softdrugs en 5 wiet- of hennepplanten, overschrijdt. Het is aan de rechthebbende om aannemelijk te maken dat de aangetroffen hoeveelheid drugs niet voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is verweerder op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

11. Vast staat dat de politie op 5 december 2019 in de woning 65,5 gram bruto hennep heeft aangetroffen. Uit een aanvullend op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 23 maart 2020 dat bij het verweerschrift is gevoegd, blijkt dat de verbalisant op basis van kennis en ervaring heeft geconstateerd dat het om hennep ging. Indicatoren zijn de kleur, geur en samenstelling van de aangetroffen stof. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om niet van de rapportage van de politie uit te gaan. Onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet noodzakelijk. Hierbij neemt de voorzieningenrechter mede in aanmerking dat verzoeker ook niet betwist heeft dat het om hennep ging. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat deze hoeveelheid geen geringe, maar een aanmerkelijke overschrijding betreft van de als uitgangspunt genoemde grens van 5 gram (zie bijvoorbeeld ECLI:NLRVS:2019:3907). Daarom is in beginsel aannemelijk dat het om een handelshoeveelheid drugs ging die (mede) bestemd was voor verkoop, aflevering of verstrekking in of vanuit de woning en dat mag worden aangenomen dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd (vergelijk de uitspraak van 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1435). Het ligt vervolgens op de weg van verzoeker om tegenbewijs te leveren dat geen sprake is van handel. Hij heeft hierover niets aangevoerd. De enkele stelling dat de tas waar de drugs in zaten van zijn neef was, die op dat moment bij verzoeker logeerde, is daartoe onvoldoende. Verweerder mocht er daarom van uitgaan dat de drugs voor de verkoop, aflevering of verstrekking aanwezig waren. Omdat sprake is van een handelshoeveelheid softdrugs, is verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd om de woning op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet te sluiten.

Heeft verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid om de woning te sluiten gebruik kunnen maken of had hij eerst moeten waarschuwen?

12. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag geplaatst of verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om over te gaan tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden.

13. Bij het uitoefenen van de bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder beslissingsruimte. Daaruit vloeit voort dat de voorzieningenrechter de invulling van die bevoegdheid door verweerder terughoudend moet toetsen. Ook bij de vaststelling van de sluitingsduur beschikt verweerder over beslissingsruimte. Ter uitvoering van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft verweerder handhavingsbeleid (het zogenoemde Damoclesbeleid) ontwikkeld, dat onder meer het volgende inhoudt. Indien sprake is van softdrugs zal verweerder een waarschuwing geven. De woning zal echter zonder waarschuwing voor de duur van drie maanden worden gesloten, indien sprake is van zodanige omstandigheden dat zich een ernstige situatie voordoet. Hierbij kunnen verschillende omstandigheden een rol spelen die in het beleid niet limitatief of cumulatief zijn opgesomd. De voorzieningenrechter acht dit beleid, anders dan verzoeker, niet onredelijk. Het beleid is voldoende duidelijk en biedt voldoende ruimte voor maatwerk.

14. Verweerder heeft op grond van de aangetroffen hoeveelheid softdrugs een ernstige situatie aangenomen en heeft in overeenstemming met zijn beleid de woning voor de duur van drie maanden gesloten. Daarbij heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de woning zich bevindt in een voor drugscriminaliteit “kwetsbare” straat [straatnaam]) en woonwijk (Malpertuis). Het zichtbaar voor de wijk sluiten van een woonhuis weegt daarom voor verweerder zwaar. Daarbij stelt verweerder ook nog dat verzoeker en zijn neef bij de politie bekend staan als drugshandelaren.

15. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van een ernstige situatie waarbij op grond van het beleid niet volstaan kan worden met een waarschuwing als bedoeld in het beleid. Daarvoor acht de voorzieningenrechter redengevend dat er sprake is van een zeer ruime overschrijding van de hoeveelheid toegestane softdrugs.

16. Vervolgens dient beoordeeld te worden of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting met drie maanden noodzakelijk is. Daarvoor geldt het volgende toetsingskader. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840, herhaald bij uitspraken van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2924 en van

28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, dient de burgemeester alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb, die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362, heeft overwogen, dient aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning - die een inmenging in het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht kan vormen - een zwaar gewicht te worden toegekend bij de beoordeling van de vraag of de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en, zo ja, of de wijze waarop de bevoegdheid is toegepast evenredig is.

17. Op de eerste plaats dient aan de hand van de aard en de omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Daarbij is mede van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1435). Verweerder heeft aangegeven dat reeds op grond van de hoeveel aangetroffen hennep, die bovendien was verpakt in meerdere seal bags, kan worden uitgegaan van “handel vanuit de woning”. Op grond van het bovenstaande volgt de voorzieningenrechter verweerder in zijn standpunt dat de sluiting van de woning (in beginsel) noodzakelijk is.

Is de beslissing om de woning te sluiten evenredig?

18. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. Verzoeker vindt de sluiting van de woning voor drie maanden niet evenredig. Hij wordt nu gestraft voor iets waar hij geen schuld aan heeft. De drugs waren niet van hem maar van zijn neef. Hij was ook niet op de hoogte van het feit dat de neef drugs bij zich had. Gevolg van dit alles is wel dat hij zijn woning zal kwijtraken en dat hij de daarmee gepaard gaande schulden niet zal kunnen aflossen met zijn geringe inkomen.

- Valt verzoeker redelijkerwijs iets te verwijten?

19. De vraag of de rechthebbende een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, kan aan de orde komen in het kader van de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2241. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zo kan bijvoorbeeld de betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt, als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2116). In dit kader kan de voorzieningenrechter verweerders standpunt volgen dat verzoeker redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de hennep, mede gelet op de vindplaats van de drugs, in een kast op de slaapkamer.

- Maakt het nog wat uit wat de gevolgen van de woningsluiting voor verzoeker (kunnen) zijn?

20. Inherent aan een sluiting van een woning is dat een bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat wordt anders als de betrokkene een bijzondere binding heeft met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. Daarbij gaat het niet om een binding met de omgeving van de woning, maar specifiek om een binding met de woning zelf. Daarbij is van belang in hoeverre de betrokkene zelf geschikte vervangende woonruimte kan regelen, maar is ook een rol weggelegd voor de burgemeester. Gelet op de vereiste evenredigheid van de sluiting dient de burgemeester te informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting. De gevolgen van een woningsluiting kunnen ook bijzonder zwaar zijn indien de betrokkene niet kan terugkeren in de woning na de sluiting, bijvoorbeeld omdat door de sluiting zijn huurcontract wordt ontbonden. In dat kader dient ook betekenis te worden toegekend aan de vraag of de betrokkene door sluiting van de woning op een zogenoemde zwarte lijst komt te staan bij een woningbouwcorporatie als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio (zie de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840). Dit hoeft zich echter niet zonder meer tegen sluiting te verzetten, bijvoorbeeld niet als de betrokkene een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:719) of gezien de ernst van de overtreding (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1149).

21. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de noodzaak tot sluiting van de woning er is en dat er geen bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb zijn die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met dit beleid te dienen doelen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs niet kon weten dat zijn neef de drugs bij zich had. Hierbij komt dat verzoeker als huurder van het pand verantwoordelijk is voor wat er zich in zijn woning afspeelt. Dat verzoeker zijn woning zeer waarschijnlijk kwijt zal raken en er een schuldenlast zal ontstaan, is ook geen omstandigheid dit maakt dat de sluiting van de woning voor drie maanden onevenredig is.

Conclusie

22. Uit het voorgaande volgt dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

23. Het verzoek stond aanvankelijk geagendeerd op een zitting van de voorzieningenrechter op 24 maart 2020. Deze zitting is geannuleerd in verband met de getroffen maatregelen vanwege de coronapandemie. Gelet op de voorgaande overwegingen en mede in aanmerking genomen dat het in het belang van verzoeker is dat alsnog zo snel mogelijk duidelijk wordt dat deze verzoekprocedure niet tot het beoogde resultaat zal leiden, heeft behandeling van het verzoek ter zitting - via videobellen of anderszins - geen meerwaarde (meer). De voorzieningenrechter doet daarom met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, van de Awb schriftelijk uitspraak.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 18 mei 2020

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

de griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op: 18 mei 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.