Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:4253

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
03/170446-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging van een politieagent door op korte afstand met een personenauto in de richting van die agent te rijden, schuldheling van een personenauto en diefstal van kentekenplaten. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03/170446-19

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 juni 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

gedetineerd in P.I. Leeuwarden te Leeuwarden.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. L. Schyns, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 19 mei 2020. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

feit 1: een politieagent heeft bedreigd door met een personenauto in diens richting te rijden en door gas te geven en de personenauto te laten bewegen terwijl de politieagent zich met zijn bovenlichaam in de personenauto bevond en diens benen en voeten zich buiten de personenauto bevonden,

feit 2: een personenauto heeft gestolen (primair) dan wel geheeld (subsidiair),

feit 3: kentekenplaten heeft gestolen.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van feit 2 primair en bewezenverklaring van de feiten 1, 2 subsidiair en 3.

De officier van justitie heeft zich met betrekking tot feit 1 gebaseerd op de aangifte van [slachtoffer] en de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [slachtoffer] en [verbalisant 1] . Uit deze stukken blijkt dat er een aantal momenten is geweest waarop de verdachte moet hebben geweten dat het dienstvoertuig en verbalisant [slachtoffer] achter hem stonden, namelijk toen zijn voertuig werd beschenen door het felle zoeklicht vanaf de dienstauto, toen [slachtoffer] en de verdachte oogcontact hadden, toen [slachtoffer] de verdachte aanriep en op de ruit van de auto van verdachte tikte, en toen [verbalisant 1] vanuit het dienstvoertuig claxonneerde. De verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat het dienstvoertuig en verbalisant [slachtoffer] achter hem stonden, is dan ook onaannemelijk. Beide verbalisanten relateren in hun processen-verbaal dat de verdachte met zijn auto achteruit is gereden, dat de motor vervolgens is afgeslagen en dat de verdachte de auto daarna opnieuw heeft gestart terwijl verbalisant [slachtoffer] inmiddels vóór de auto van verdachte stond. Hierbij maakte de auto hoge toeren, en de verdachte heeft door gas te geven de auto ook daadwerkelijk laten bewegen in de richting van [slachtoffer] . Hierdoor vreesde [slachtoffer] frontaal te worden aangereden door de verdachte. Een moment later maakte de auto eveneens hoge toeren terwijl verbalisant [slachtoffer] met zijn bovenlichaam in de auto hing en zijn benen en voeten nog naar buiten staken. [slachtoffer] vreesde met zijn benen en voeten langs de muur te worden geschraapt wanneer de verdachte daadwerkelijk weg zou rijden.

De officier van justitie heeft zich met betrekking tot feit 2 subsidiair gebaseerd op het proces-verbaal van verhoor bij inverzekeringstelling van verdachte. De verdachte heeft toen verklaard dat als hij keek naar de persoon van wie hij de auto had gekregen, hij had kunnen vermoeden dat het niet klopte. Dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de auto gestolen was, wordt verder ondersteund door de verklaring van de verdachte dat hij valse kentekenplaten op de auto had aangebracht. Daarbij komt dat de verklaring van de verdachte ter zitting over het bedrag dat hij aan [naam] zou hebben betaald voor het huren van de auto, afwijkt van zijn verklaring tegenover de politie. Ook is van belang dat de getuige [getuige] verklaart dat [naam] geen contact had met de verdachte en dat de verdachte alles bij elkaar liegt.

De officier van justitie heeft zich met betrekking tot feit 3 gebaseerd op de aangifte van [aangever 1] en de bekennende verklaring van de verdachte.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 en feit 2 primair en subsidiair. Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, omdat de verdachte dit feit heeft bekend.

Met betrekking tot feit 1, de bedreiging van verbalisant [slachtoffer] , heeft de raadsvrouw aangevoerd dat voor beide door de officier van justitie genoemde momenten onvoldoende bewijs is. Voor bedreiging is vereist dat deze van dien aard en onder zodanige omstandigheden heeft plaatsgevonden dat bij het slachtoffer de redelijke vrees kon postvatten dat deze zou komen te komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen door het handelen van verdachte. Gelet op de locatie en de positie van de politieauto, de auto van verdachte en verbalisant [slachtoffer] ten opzichte van elkaar, bestond er geen concrete of reële kans dat dat gevolg zou intreden. Voorts moet worden bewezen dat het opzet van de verdachte daarop gericht zou zijn geweest. De verdachte ontkent wie dan ook te hebben bedreigd. Van opzet is dan ook geen sprake, ook niet in voorwaardelijke zin. De verdachte werd onverwacht geconfronteerd met het toeteren en het zoeklicht van – naar pas later bleek – een politieauto. De verdachte dacht dat hij met zijn auto iemand in de weg stond en de parkeerplaats af moest. Hij is daarom een stukje achteruit gereden en heeft daarbij mogelijk het dienstvoertuig geraakt zonder dit zelf te merken. De verdachte heeft verklaard dat opeens een politieagent voor zijn auto sprong op het moment dat hij weg wilde rijden. Hierdoor moest hij remmen en sloeg de motor af. Het afslaan van de motor is door verbalisant [slachtoffer] bevestigd. De auto heeft daarbij wellicht naar voren bewogen, maar verbalisant [slachtoffer] kan niet goed toelichten hoe de auto zich exact heeft verplaatst. Er kan dan ook niet worden bewezen dat de verdachte bewust in diens richting is gereden.

Toen [slachtoffer] het portier aan de bijrijderskant opentrok, gaf hij de verdachte direct een paar rake klappen in zijn gezicht. De verdachte raakte daardoor in paniek. Dat is de reden dat hij weg wilde komen. Het lijkt erop dat [slachtoffer] niet overeenkomstig de waarheid heeft geverbaliseerd, en het door hemzelf toegepaste geweld bewust buiten het proces-verbaal heeft gehouden. De verdachte had aantoonbaar letsel, zo blijkt uit een foto die de raadsvrouw nog op het politiebureau van hem heeft gemaakt. Dat [slachtoffer] ook door het openbaar ministerie niet in zijn relaas wordt gevolgd, blijkt eruit dat niet poging doodslag, maar ‘slechts’ een bedreiging wordt ten laste gelegd.

Evenals de officier van justitie heeft de raadsvrouw zich met betrekking tot feit 2 primair op het standpunt gesteld dat enig bewijs voor de verdenking dat de verdachte de auto zou hebben gestolen, ontbreekt. Met betrekking tot feit 2 subsidiair heeft zij aangevoerd dat de verdachte mocht vertrouwen dat [naam] de auto niet had gestolen: er was immers geen reden om de kentekenplaten te verwisselen alvorens te gaan tanken zonder te betalen, als de auto toch al van diefstal afkomstig was. De verdachte heeft [naam] gevraagd of de auto gestolen was. Verder heeft hij [naam] betaald om de auto te mogen lenen en heeft hij de sleutels en de bijbehorende autopapieren overhandigd gekregen. De verklaring van de verdachte bij inverzekeringstelling dat hij had kunnen weten dat de auto gestolen was, heeft hij afgelegd nadat hem was verteld dat de auto van diefstal afkomstig was. Er dient echter beoordeeld te worden of de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de auto gestolen was op het moment van het verkrijgen van die auto. De verdachte ontkent dat hij dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden. Tot slot acht de raadsvrouw de verklaring van [getuige] met betrekking tot dit feit volstrekt irrelevant.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Vrijspraak

Feit 2 primair (diefstal personenauto)

Evenals de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de diefstal niet kan worden bewezen. Uit het dossier komt weliswaar naar voren dat de verdachte bij zijn aanhouding op 15 juli 2020 de gebruiker was van de gestolen auto, maar voor een directe betrokkenheid bij de diefstal van de personenauto op 12 juli 2020 ontbreekt het bewijs. De verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

Feit 1

Op 15 juli 2019 omstreeks 00.20 uur gingen verbalisanten [slachtoffer] en [verbalisant 1] naar aanleiding van een melding van een mogelijke auto-inbraak naar de [adres] in Maastricht. Ter plaatse werd door verbalisant [verbalisant 1] het zoeklicht aan de rechterzijde van het dienstvoertuig in werking gesteld. Een van de geparkeerde auto’s betrof een blauwe Ford met daarin een persoon die later de verdachte bleek te zijn. Verbalisant [slachtoffer] verliet het dienstvoertuig en liep in de richting van de bestuurderszijde van de Ford. Hij zag dat de witte achteruitrijverlichting van de Ford aansprong. Hij hoorde dat de motor accelereerde. [slachtoffer] sloeg enkele malen op het raam van de Ford en riep: “Hallo! Hallo! Stop! Stop!”. De Ford bewoog achteruit richting het dienstvoertuig en raakte deze.2

Door deze manoeuvre stond de Ford haaks op de parkeerplaats, met de voorzijde in de richting van [slachtoffer] . De afstand tussen de Ford en [slachtoffer] betrof circa 2 à 3 meter. [slachtoffer] en de verdachte keken in elkaars richting. [slachtoffer] hoorde het geluid van een hevig accelererende motor en zag dat de Ford een halve meter naar voren bewoog. Vervolgens hoorde [slachtoffer] het geluid van een stokkende motor en zag hij dat het voertuig tot stilstand kwam. [slachtoffer] bevond zich in een benarde situatie door het dienstvoertuig aan zijn rechterzijde, een muur aan zijn linkerzijde en de Ford aan zijn voorzijde. Hierop rende hij richting de bijrijderszijde van de Ford. [slachtoffer] kreeg het gevoel dat de man zich ten koste van 'alles' van hem wilde ontdoen, en dat de verdachte hem bewust 'omver' wilde rijden. Dit vermoeden werd door het geluid van de accelererende motor meermaals bevestigd.3

Bewijsoverwegingen feit 1

Bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte het kennelijke doel had om zich koste wat kost aan de politiecontrole te onttrekken. Door de omstandigheid dat hij ook na de aanrijding met het dienstvoertuig niet uitstapte maar integendeel nog hoorbaar gas gaf en de auto ook daadwerkelijk bewoog in de richting van verbalisant [slachtoffer] terwijl deze voor dat voertuig stond, kon bij verbalisant [slachtoffer] de redelijke vrees ontstaan dat de verdachte hem wilde aanrijden. De rechtbank acht de kans aanmerkelijk dat een daadwerkelijke frontale aanrijding de dood tot gevolg zou hebben gehad. Daarom acht de rechtbank bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zoals onder feit 1 tenlastegelegd, wettig en overtuigend bewezen.

Partiële vrijspraak

De onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde bedreiging acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen. De omstandigheden moeten voor verbalisant [slachtoffer] zonder meer beangstigend zijn geweest. Het dossier biedt echter onvoldoende aanknopingspunten voor een reële dreiging dat de verdachte zou gaan rijden met [slachtoffer] , die half in en half uit de auto hing. Aldus kan niet worden bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad op de bedreiging van [slachtoffer] , ook niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank zal de verdachte van dat deel van het onder feit 1 ten laste gelegde dan ook vrijspreken.

Feit 2

Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , die enkele minuten later ter plaatse kwamen, hebben de personenauto onderzocht waarin de verdachte door hun collega’s was aangetroffen. Via de mobilofoon hoorden zij dat de kentekenplaten, [kenteken 1] , op 14 juli 2019 gestolen waren. Hierop heeft verbalisant [verbalisant 2] het chassisnummer van het voertuig gecontroleerd. Dit chassisnummer [chassisnummer] bleek te horen bij het Nederlandse kenteken [kenteken 2] . De tenaamgestelde van de personenauto betrof [aangever 2] .4

Op 15 juli 2019 heeft [aangever 2] aangifte gedaan van diefstal van zijn blauwe personenauto van het merk Ford type Focus 1.8 voorzien van het Nederlands kenteken [kenteken 2] en chassisnummer [chassisnummer] .5

De verdachte heeft bij zijn inverzekeringstelling verklaard dat hij de personenauto van [naam] heeft geleend en dat hij dacht dat de auto eerlijk was, maar dat hij had kunnen vermoeden dat er iets niet klopte gelet op de persoon van wie hij de auto heeft gekregen.6

Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de Ford Focus voorhanden heeft gehad, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Feit 3

De rechtbank acht het ten laste gelegde onder 3 wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte het feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de aangifte van [aangever 1] ;7

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 mei 2020.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

t.a.v. feit 1:

op 15 juli 2019 in de gemeente Maastricht, een politieagent, [slachtoffer] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, met een door hem bestuurde personenauto in de richting van die [slachtoffer] gereden, terwijl die [slachtoffer] op korte afstand voor de personenauto stond en waarbij de motor van de personenauto veel toeren maakte;

t.a.v. feit 2 subsidiair:

op 15 juli 2019 in de gemeente Maastricht, een goed, te weten een personenauto (Ford Focus met kenteken [kenteken 2] ) heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

t.a.v. feit 3:

op of omstreeks 13 juli 2019 in de gemeente Maastricht, twee kentekenplaten ( [kenteken 1] ), die toebehoorden aan [aangever 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om zich deze wederrechtelijk toe te eigenen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

t.a.v. feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

t.a.v. feit 2 subsidiair:

schuldheling,

t.a.v. feit 3:

diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om aan de verdachte, rekening houdend met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, een gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest niet overstijgt in geval van bewezenverklaring van feit 3. Eigenlijk betreft feit 3 een gedraging waarbij een taakstraf past, aldus de raadsvrouw. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring van meerdere feiten komen, dan heeft de raadsvrouw verzocht om bij de oplegging van een straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Na mislukte afspraken rond verdachtes behandeling, is hij afgegleden. Hij doet het nu goed in de penitentiaire inrichting en heeft al verschillende cursussen succesvol afgerond.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft gedreigd op een verbalisant in te rijden die op korte afstand voor zijn auto stond. Het voorval heeft een grote impact gehad op de betrokken verbalisant. De verbalisant beschrijft dat hij zich in een zeer bedreigende, hectische en stressvolle situatie bevond en ernstig voor zijn leven heeft gevreesd. Behalve voormeld feit heeft de verdachte zich bovendien schuldig gemaakt aan schuldheling van een personenauto en diefstal van kentekenplaten. Dergelijke delicten zorgen doorgaans voor veel overlast en ergernis bij de slachtoffers.

De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder voor vermogensdelicten is veroordeeld.

De reclassering bespreekt in haar advies van 10 oktober 2019 de zeer traumatische jeugd van de verdachte en zijn delictgerelateerde psychische - en verslavingsproblematiek. Hoewel de laatste jaren een aanmerkelijke en positieve ommekeer in de denkpatronen van de verdachte en daarmee ook in zijn houding lijkt te zijn gekomen, is de gedragsverandering nog niet afdoende en blijvend. Het recidiverisico wordt als gemiddeld tot hoog ingeschat.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij zelf, zonder begeleiding, aan zijn problematiek wil werken, omdat hij geen vertrouwen meer heeft in de hulpverlening van justitiële instanties.

De rechtbank heeft zich voor de straftoemeting georiënteerd op de voor soortgelijke strafbare feiten gebruikelijke straffen. Strafverzwarend is de omstandigheid dat de bedreiging is begaan tegen een politieagent. Tevens heeft de rechtbank zwaar ten nadele van de verdachte meegewogen dat hij geen enkele blijk heeft gegeven van inzicht in het laakbare van zijn handelen. Integendeel: hij zou zelf het slachtoffer zijn geweest van een mishandeling die moedwillig in het proces-verbaal zou zijn verzwegen. De rechtbank merkt hierover op dat dit op geen enkele manier aannemelijk is gemaakt. Het letsel dat zichtbaar is op de foto die de raadsvrouw ter terechtzitting heeft overgelegd, strookt in het geheel niet met de rake klappen in het gezicht die de verdachte beweerdelijk zou hebben ontvangen, maar laat zich veeleer verklaren door het later door de verdachte tegen zijn aanhouding geboden verzet.

Alles afwegende zal de rechtbank in afwijking van de eis van de officier van justitie een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 6 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] (feit 1)

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering ingediend van € 530,00 ter zake van immateriële schade. Voorts verzoekt de benadeelde om het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade en om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

[aangever 2] (feit 2)

De benadeelde partij [aangever 2] heeft een vordering ingediend van € 393,96 ter zake van materiële schade. De materiële schade betreft de kosten voor het vervangen van diverse passen, het betalen van een verkeersboete en de aanschaf van een nieuwe telefoon en kentekenplaten. Voorts verzoekt de benadeelde om het schadebedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade en om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

[slachtoffer] (feit 1)

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van [slachtoffer] . De verdachte is aansprakelijk voor de door [slachtoffer] geleden immateriële schade. De officier van justitie heeft gevorderd om daarbij aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

[aangever 2] (feit 2)

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [aangever 2] in de vordering gelet op het te ver verwijderde verband tussen de schade en de schuldheling die aan verdachte is te verwijten.

7.3

Het standpunt van de verdediging

[slachtoffer] (feit 1)

De raadsvrouw verzoekt primair om de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, nu zij vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat de ‘aantasting in de persoon’ als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) onvoldoende is onderbouwd.

[aangever 2] (feit 2)

De raadsvrouw verzoekt om de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering dan wel om de vordering af te wijzen, nu de vordering betrekking heeft op diefstal van de personenauto van Druif en de diefstal ten aanzien van de verdachte niet bewezen kan worden verklaard.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer] (feit 1)

De benadeelde [slachtoffer] heeft zijn vordering schriftelijk toegelicht en daarin aangevoerd dat hij is aangetast in zijn persoon in de vorm van schrikschade, nu hij tijdens het voorval hevige angst heeft ervaren en als gevolg van het handelen van de verdachte slecht heeft geslapen en cynisch is geworden.

Ten aanzien van de gevorderde schrikschade oordeelt de rechtbank als volgt. Artikel 6:106 BW kent – indien is voldaan aan een aantal vereisten – ruimte voor vergoeding als gevolg van onrechtmatig handelen, onder andere in geval van een aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in zijn eer of goede naam of op een andere wijze. Om van persoonsaantasting te kunnen spreken is een meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen onvoldoende. Voor de toewijsbaarheid van een vordering ter zake van persoonsaantasting is uitgangspunt dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn bij een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. In elk geval dient de benadeelde voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is (of had kunnen worden) vastgesteld. Op het uitgangspunt dat geestelijk letsel moet zijn aangetoond, kan nog wel een uitzondering worden gemaakt in verband met de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde.

De rechtbank neemt zonder meer aan dat dit een angstaanjagende gebeurtenis voor verbalisant [slachtoffer] moet zijn geweest. De rechtbank is echter van oordeel dat de vordering tot immateriële schadevergoeding onvoldoende concreet is onderbouwd. Immers: er is geen medische verklaring of ander bewijsstuk overgelegd waaruit blijkt dat de gestelde schrikschade door een deskundige is vastgesteld. Voorts doet geen van de voornoemde uitzonderingssituaties zich voor. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] dan ook afwijzen.

[aangever 2] (feit 2)

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde in de vordering tot materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat een causaal verband tussen de diefstal van de personenauto en het bewezen verklaarde handelen van de verdachte (schuldheling) ontbreekt.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57, 63, 285, 310 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat de verdachte het hem onder feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat onder 1, 2 subsidiair en 3 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is vermeld;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen

[slachtoffer] (feit 1)

  • -

    wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] af;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten door de verdachte in het kader van deze procedure gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

[aangever 2] (feit 2)

  • -

    verklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

  • -

    veroordeelt de benadeelde partij [aangever 2] in de kosten door de verdachte in het kader van deze procedure gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E.C.M. Hurkens, voorzitter, mr. A.K. Kleine en mr. K.G. Witteman, rechters, in tegenwoordigheid van K.J.A. Colen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 2 juni 2020.

Buiten staat

mr. A.K. Kleine is niet in de gelegenheid om dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

T.a.v. feit 1:

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 15 juli 2019 in de gemeente Maastricht,

een politieagent [slachtoffer] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

immers heeft hij, verdachte,

- met een door hem bestuurde personenauto in de richting van die [slachtoffer] gereden, terwijl die [slachtoffer] op korte afstand voor de personenauto stond en/of waarbij de motor van de personenauto veel toeren maakte en/of,

- ( vervolgens) een of meermalen gas gegeven en/of de personenauto laten bewegen, terwijl die [slachtoffer] zich met zijn bovenlichaam in de personenauto bevond en/of de benen en/of voeten van die [slachtoffer] zich buiten de personenauto bevonden;

T.a.v. feit 2 primair:

hij op of omstreeks 12 juli 2019 in de gemeente Maastricht, een personenauto (Ford Focus met kenteken [kenteken 2] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, te weten aan [aangever 2] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, immers heeft hij, verdachte, gebruik gemaakt van de autosleutel welke in het contactslot zat;

T.a.v. feit 2 subsidiair:

hij op of omstreeks 15 juli 2019 in de gemeente Maastricht,

een goed, te weten een personenauto (Ford Focus met kenteken [kenteken 2] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

T.a.v. feit 3:

hij op of omstreeks 13 juli 2019 in de gemeente Maastricht,

twee kentekenplaten ( [kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, te weten aan [aangever 1] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Zuid-West, Afdeling recherche, proces-verbaalnummer PL2300-2019110207, gesloten d.d. 15 juli 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 91.

2 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2019, pagina’s 35, en een verklaring van getuige [slachtoffer] afgelegd ter terechtzitting van 19 mei 2020, en een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2019, pagina 36, en een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2019, pagina 38

3 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2019, pagina’s 35 tot en met 37, en een verklaring van getuige [slachtoffer] afgelegd ter terechtzitting van 19 mei 2020.

4 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juli 2019, pagina 41.

5 Een proces-verbaal van aangifte [aangever 2] d.d. 15 juli 2019, pagina 69.

6 Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 juli 2019, pagina 31, en een proces-verbaal van verhoor 15 juli 2019, pagina 18.

7 Een proces-verbaal van aangifte [aangever 1] d.d. 14 juli 2019, pagina 66.