Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:4201

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
03/220875-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor artikel 6 Wegenverkeerswet. Aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden met een vrachtauto: schuld aan dodelijk ongeval. Taakstraf van 200 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Strafrecht

Parketnummer : 03/220875-19

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 juni 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres 1] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.F.M. Geeratz, advocaat kantoorhoudende te Venlo.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 mei 2020. Verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte met een vrachtauto een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] is overleden, dan wel dat verdachte gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft in dit verband naar voren gebracht dat het aan de schuld van de verdachte is te wijten dat een verkeersongeval is ontstaan waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen. De verdachte was ten tijde van het verkeersongeval beroepschauffeur en reed in een vrachtauto. Deze twee omstandigheden dragen bij aan het bewijs, omdat de verdachte gelet daarop een extra verantwoordelijkheid had. Van hem mocht meer worden verwacht dan van een andere verkeersdeelnemer, aldus de officier van justitie. Het in een overzichtelijke verkeerssituatie niet waarnemen van een andere verkeersdeelnemer terwijl die andere verkeersdeelnemer al enige tijd zichtbaar was, de voornoemde garantenstellung en het niet gebruiken van de richtingaanwijzer, maken tezamen dat volgens de officier van justitie sprake is van de voor artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 vereiste schuld. Omdat [slachtoffer] al enige tijd zichtbaar moet zijn geweest voor de verdachte, is volgens de officier van justitie geen sprake geweest van een kort moment van onoplettendheid. Bij de verdachte zit de mate van schuld tussen de aanmerkelijke schuld en de ernstige schuld in.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van schuld zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De door de verdachte gemaakte verkeersfout, te weten een moment van onoplettendheid, dient te worden gekwalificeerd als een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdachte was ten tijde van het verkeersongeval beroepschauffeur en was zich bewust van zijn belangrijke taak en bijzondere positie in het verkeer. De verdachte heeft daar ook naar gehandeld en heeft bij het afslaan naar rechts in de spiegels gekeken. Uit het dossier kan niet worden geconcludeerd dat sprake is geweest van langdurige onoplettendheid bij de verdachte. De verdachte kan, behoudens het niet waarnemen van het slachtoffer, dan ook geen verwijt worden gemaakt.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De bewijsmiddelen

Verdachte heeft verklaard2:

Op 24 oktober 2019 reed ik aan het einde van de middag over de [adres 2] en wilde ter hoogte van de firma [bedrijf] rechts het bedrijfsterrein oprijden. Ik reed hooguit 25km per uur. Ik had onenigheid met de navigatie. De navigatie gaf eerder aan dat ik de bestemming had bereikt, maar toen was er geen inrit. Ik ben vervolgens eromheen gereden en toen zag ik het bord van [bedrijf] . Ik was inderdaad aan het kijken waar de inrit was. Voor mijn gevoel heb ik de richtingaanwijzer aangezet want dat doe ik altijd. Ik heb twee keer in de spiegels gekeken, al kan ik niet zeggen op grond waarvan ik mij dat kan herinneren. Ik kijk namelijk altijd in de spiegels en op grond daarvan heb ik dat ook verklaard. Ik zag niets in de spiegels en ben op dat moment rechts af geslagen. Plotseling hoorde ik een krassend geluid en een gil gelijk daar achter. Ik heb geremd. Bij het uitstappen zag ik dat ik met het linker voorwiel op een meisje stond. Hierna heb ik de vrachtauto verplaatst en heb ik 112 gebeld. Ik had sinds oktober 2018 een vrachtwagenrijbewijs. Het was de eerste dag met dit voertuig. Het zicht was goed.

Getuige [getuige] heeft verklaard3:

Op woensdag 24 april 2019, omstreeks 16:20 uur bevond ik mij op de [adres 2] te
Venlo. Ik stond recht tegenover het bedrijf [bedrijf] . Ik stond op een afstand van ongeveer 50 meter verwijderd van de inrit van het bedrijf. Ik zag dat uit de richting van de rotonde, genaamd [adres 2] rotonde, gelegen aan de wegen [adres 3] - [adres 2] een vrachtauto naderde. Deze vrachtauto reed de rotonde op en sloeg rechtsaf de [adres 2] op. Hij reed in de richting van de [adres 4] rotonde. Ik zag dat de vrachtauto heel rustig reed. Ik zag dat de vrachtauto normaal op zijn rijstrook reed en de suggestiestrook (de rechtbank begrijpt: de fietsstrook) welke gezien zijn rijrichting rechts gelegen was vrij hield. In een ooghoek zag ik, van rechts van mij, een donker kleurige scooter naderen. Deze kwam eveneens uit de richting van de [adres 2] rotonde en reed dus achter de vrachtauto. Ik zag dat de bestuurder van de scooter uiterst rechts reed op de rijbaan met een normale snelheid. Op een gegeven moment zag ik dat de bestuurder van de scooter uit mijn gezichtsveld verdween. Gekomen ter hoogte van de inrit van het bedrijf [bedrijf] , rechts gezien de rijrichting van de vrachtauto, zag ik dat de bestuurder van de vrachtauto plotseling rechtsaf sloeg. Op het moment dat ik de vrachtauto zag naderen, deze langzaam reed en plotseling rechts af sloeg, zag ik niet de rechter richtingaanwijzer in werking. Ook hoorde ik op dat moment een klap. Ik zag dat de bestuurder van de vrachtauto fors remde en het voertuig tot stilstand bracht.

Verbalisant [verbalisant] , van de afdeling VerkeersOngevallenAnalyse4, heeft gerapporteerd:

Ik heb op woensdag, 24 april 2019 omstreeks 17.00 uur geassisteerd bij de afwikkeling van het hierna bedoelde verkeersongeval.

Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:

Voertuig 1, bedrijfsauto, merk [gegevens bedrijfsauto]

Voertuig 2, bromfiets, merk [gegevens bromfiets]

De bestuurder van een [merk 1] vrachtauto reed over de [adres 2] te Venlo, komende uit de richting van de [adres 3] en rijdende in de richting van de [adres 5] . De bestuurster van een [merk 2] snorfiets reed in dezelfde richting als de [merk 1] over de fietsstrook rechts van de [adres 2] . Aangekomen bij perceel [adres 2] 11 sloeg de [merk 1] rechtsaf de inrit in. De [merk 2] haalde de [merk 1] over de fietsstrook rechts in en werd hierbij met de rechter voorzijde van de [merk 1] geraakt. De bestuurster kwam ten val en belandde onder het linker voorwiel van de [merk 1] , waardoor zij overleed.

Het ongeval vond gezien in de rijrichting van de voertuigen plaats op een recht weggedeelte van de [adres 2] . De rijbaan had een breedte van circa 9,50 meter en was door middel van een doorgetrokken witte streep verdeeld in twee rijstroken. Naast de rijbaan lag aan beide zijden een fietsstrook die door middel van een doorgetrokken streep was afgescheiden, doch behoorde tot de rijbaan. Voor motorvoertuigen bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 50 km/h. Voor snorfietsen bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 25 km/h.

Voor wat betreft de toestand van de weg heb ik geen bijzonderheden ontdekt die van belang waren in de oorzaak, de toedracht of de gevolgen van het ongeval. Op het moment van de aanrijding was de weersgesteldheid, volgens opgave van collega(’s), zonnig, droog en helder.

Door mij werd met de [merk 1] een rijproef gehouden, met als doel het weggedrag van het voertuig te kunnen bepalen. Het voertuig verkeerde, voor zover kon worden vastgesteld, vóór het ongeval rijtechnisch in voldoende staat van onderhoud en vertoonde geen gebreken die eventueel de oorzaak of van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval.

Door mij werden de standen en de daarbij behorende gezichtsvelden van de spiegels van de [merk 1] gecontroleerd. Uit het onderzoek bleek, dat die spiegels juist afgesteld stonden, waardoor de daarbij behorende gezichtsvelden vermoedelijk ook voldeden aan de juiste afmetingen. Hiertoe werd de [merk 1] door mij achterwaarts verplaatst zonder het stuurwiel te verdraaien. De [merk 1] kwam uit op de rechterrijstrook naast de fietsstrook op de rijbaan van de [adres 2] . Voor zover kon worden nagegaan bleek mij dat het zicht door de voorruit en zijruiten van dit voertuig niet nadelig werd belemmerd.

Ik onderzocht de bromfiets, merk [merk 2] . Het voertuig verkeerde, voor zover kon worden vastgesteld, vóór het ongeval rijtechnisch in voldoende staat van onderhoud en vertoonde geen gebreken die eventueel de oorzaak of van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval.

Aan het bedrijfspand van [bedrijf] was een beveiligingscamera geplaatst die naar de toegangspoort aan de [adres 2] gericht was. De camerabeelden werden door mij uitgelezen en uitsneden hiervan in dit proces-verbaal geplaatst.

Op de beelden zag ik dat:

De [merk 1] en de [merk 2] uit de richting van de [adres 3] kwamen en reden in de richting van de [adres 5] . (Foto 27)

Geen teken van de rechter richtingaanwijzer te onderscheiden was van de [merk 1] , voordat deze rechtsaf de inrit naar het bedrijfsterrein van [bedrijf] op reed. De [merk 2] in dezelfde rijrichting als de [merk 1] over de fietsstrook reed en daarbij de [merk 1] rechts

inhaalde. (Foto 28)

De [merk 2] bij de inrit kennelijk door de rechter voorzijde van de [merk 1] geraakt werd. (Foto 29)

De [merk 2] hierdoor tegen het wegdek gedrukt werd. (Foto 30)

De bestuurster van de [merk 2] voorover van haar voertuig kwam te vallen. (Foto 30, gele pijl)

De [merk 1] hierna stilstond met de [merk 2] voor de bumper liggend. (Foto 31)

De bestuurder van de [merk 1] zijn voertuig verliet en weer in de cabine klom en zijn voertuig voorwaarts verplaatste. (Foto 33)

Enkele omstanders naar het ongeval liepen waarbij een omstander de [merk 2] verplaatste.

Hierna op aanwijzing van deze omstander de [merk 1] nogmaals voorwaarts verplaatst werd. (Foto 34)

De lijkschouw werd op woensdag 24 april 2019, omstreeks 16.15 uur, verricht door de aangewezen lijkschouwer, [lijkschouwer] , in het mortuarium van [uitvaartverzorging] . De lijkschouwer concludeerde dat de bestuurster van de [merk 2] was overleden als gevolg van de aanrijding met de [merk 1] .

Vaststelling van de feiten

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat:

  • -

    verdachte op 24 april 2019 als bestuurder van een vrachtauto heeft gereden over de [adres 2] te Venlo;

  • -

    de rijbaan aan beide zijden een fietsstrook heeft die door middel van een doorgetrokken streep is afgescheiden;

  • -

    verdachte naar rechts is afgeslagen ter hoogte van de inrit van perceel 11;

  • -

    verdachte voorafgaand aan het afslaan niet zijn richtingaanwijzer heeft aangezet;

  • -

    het slachtoffer, dat op dat moment op de snorfiets op de fietsstrook reed, met de rechterzijde van de vrachtauto werd geraakt;

  • -

    het slachtoffer ten val kwam en onder het linker voorwiel van de vrachtauto belandde;

  • -

    het slachtoffer, [slachtoffer] , hierdoor ter plaatse is overleden.

Het toetsingskader

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW. Daarvan is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor dit vereiste van aanmerkelijke schuld. In de zin van artikel 6 WVW moet er worden gekeken naar het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en naar omstandigheden waaronder die is begaan (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

Ook geldt dat uit de enkele omstandigheid dat verdachte een verkeersdeelnemer aan wie hij voorrang had moeten verlenen, niet heeft gezien, hoewel deze voor verdachte wel waarneembaar moet zijn geweest en hij zijn rijgedrag daarop moet hebben kunnen afstemmen niet kan volgen dat sprake is van aanmerkelijke schuld (HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0544 en HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9800). Een enkel moment van onoplettendheid is in het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld. Gelet hierop kan het niet verlenen van voorrang pas als aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend worden aangemerkt wanneer daaraan gedrag ten grondslag ligt dat gegeven de omstandigheden van het geval niet voldoet aan de eisen die aan verkeersdeelnemers in het algemeen mogen worden gesteld. Dit gedrag bestaat dan niet alleen uit de verkeersovertreding van het niet verlenen van voorrang zelf, maar ook uit het gedrag dat aan die verkeersovertreding vooraf gaat of daarmee samenvalt, bijvoorbeeld het er niet alles aan doen om de voorrangsgerechtigde waar te nemen, niet kijken dus.

Tot slot is van belang dat niet al uit de ernst van de gevolgen, in dit geval een dodelijk slachtoffer, kan worden afgeleid dat sprake is van aanmerkelijke schuld (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

Toepassing van het toetsingskader

De rechtbank stelt vast dat in deze zaak sprake is van meerdere verkeersovertredingen. Verdachte heeft bij het rechts afslaan bij perceel 11 op de [adres 2] in Venlo, geen voorrang verleend aan het slachtoffer, terwijl die verplichting daar wel gold – en bovendien benadrukt was door middel van een doorgetrokken streep tussen de rijbaan en de fietsstrook. Daarnaast heeft verdachte de richtingaanwijzer niet aangezet voordat hij naar rechts is afgeslagen. Verdachte heeft verklaard dat hij na de rotonde het bord van het bedrijf zag waar hij moest zijn. Naar het oordeel van de rechtbank wist verdachte vanaf dat moment dat hij de rijbaan zou moeten verlaten om op de plaats van bestemming te komen, zodat bij hem het voornemen bestond een bijzondere manoeuvre te verrichten: afslaan naar rechts en de inrit op rijden. Uit de VerkeersOngevallenAnalyse en de verklaring van verdachte ter zitting volgt voorts dat verdachte en [slachtoffer] , nadat verdachte de rotonde had verlaten, gedurende een afstand van ongeveer 100 meter in een rechte lijn, op een lage snelheid parallel aan elkaar over dezelfde weg hebben gereden, waarbij [slachtoffer] rijdend op haar snorfiets voor verdachte goed zichtbaar moet zijn geweest in de rechterspiegels van de vrachtauto die verdachte bestuurde en voor hem juist afgesteld stonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat onder die omstandigheden, waarin de bestuurder het voornemen heeft om een bijzondere manoeuvre uit te voeren, de zorgvuldigheid die van een bestuurder van gemotoriseerd verkeer in het algemeen wordt gevraagd, met zich brengt dat er meerdere kijkmomenten plaatsvinden, in ieder geval minstens bij het verlaten van de rotonde en vlak voor het afslaan naar de inrit waarbij verdachte over een fietsstrook moet rijden. Daarvoor had hij gelet op de afstand van 100 meter en de lage snelheid waarin hij reed ook ruimschoots de tijd en bovendien zeer goed zicht.

Die zorgvuldigheid geldt temeer nu, zoals genoemd, verdachte een zwaar voertuig heeft bestuurd, waarbij in het geval van een botsing met een dergelijk voertuig andere verkeersdeelnemers groter gevaar lopen dan bij een botsing met een lichter voertuig, zoals een personenauto. Gelet op die omstandigheid mocht van verdachte worden verwacht dat hij meer nog dan een gewone verkeersdeelnemer alert zou zijn op het hem omgevende verkeer en hij dus over de afstand van 100 meter meerdere malen in zijn spiegels zou kijken om zich ervan te vergewissen of er verkeer naast hem reed alvorens hij een dergelijke bijzondere manoeuvre uitvoerde.

Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij wist dat hij voorrang moest verlenen, maar dat hij het slachtoffer niet heeft gezien terwijl hij direct voorafgaand aan het afslaan wel twee keer zou hebben gekeken. De rechtbank heeft in het voorgaande al uiteengezet dat onder de gegeven omstandigheden van verdachte mocht worden verwacht dat hij voorafgaand aan de voorgenomen bijzondere manoeuvre meerdere kijkmomenten had uitgevoerd en niet enkel direct voorafgaand aan het afslaan. De verklaring van verdachte dat hij voorafgaand aan het afslaan twee keer heeft gekeken, maar het slachtoffer niet heeft gezien acht de rechtbank bovendien niet aannemelijk. Uit de VOA blijkt immers dat er geen enkele belemmering was om het slachtoffer te zien. De spiegels stonden goed afgesteld, het betrof een rechte weg en het zicht van verdachte werd door niets belemmerd. De verklaring van verdachte dat hij onenigheid had met zijn navigatiesysteem, hij aan het zoeken was naar de inrit en het feit dat hij bij het afslaan zijn richtingaanwijzer niet heeft gebruikt, duidt naar het oordeel van de rechtbank op het gegeven dat verdachte met andere dingen bezig was dan met de veiligheid op de weg.

Verdachte heeft daarop gelet, ook voorafgaand aan het rechts afslaan, er niet alles aan gedaan om (snor)fietsers of andere verkeersdeelnemers op de fietsstrook te zien.

De rechtbank is gezien het voorgaande dan ook van oordeel dat verdachtes handelen als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend moet worden aangemerkt en dat hij schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Conclusie

Concluderend stelt de rechtbank vast dat verdachte niet alleen geen richtaanwijzer heeft gebruikt en geen voorrang heeft verleend, maar dat aan die verkeersovertredingen tevens gedrag ten grondslag heeft gelegen dat gegeven de omstandigheden van het geval niet voldoet aan de eisen die aan verkeersdeelnemers in het algemeen mogen worden. Naar het oordeel van de rechtbank wordt aan de verdachte dan ook meer verweten dan het maken van een enkele verkeersfout. De rechtbank is op basis van het geheel van de gedragingen van verdachte van oordeel dat zijn gedrag moet worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Dat betekent dat sprake is van schuld als bedoel in de zin van artikel 6 WVW.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

primair

hij op 24 april 2019 in de gemeente Venlo als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto/vrachtauto), daarmede rijdende over de weg, [adres 2] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , werd gedood, welke gedragingen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, zonder een teken met een richtingaanwijzer te geven, met genoemd motorrijtuig naar rechts heeft gestuurd en naar rechts is afgeslagen en daarbij niet althans in onvoldoende mate op een rechts naast hem gelegen fietsstrook heeft gelet en/of is blijven letten en daarbij niet, althans in onvoldoende mate in de rechter spiegel(s) van dat door hem bestuurde motorrijtuig heeft gekeken of is blijven kijken, zulks op het moment dat een over die fietsstrook rijdende bestuurster van een bromfiets zich dicht naast hem bevond, en vervolgens deze bestuurster van een bromfiets, zijnde voornoemde [slachtoffer] , niet voor heeft laten gaan, waardoor, althans mede waardoor, een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met zijn, verdachtes, motorrijtuig en voornoemde [slachtoffer] , althans de door haar bestuurde bromfiets.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

primair

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander is gedood.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de oplegging van een taakstraf bepleit. Ten aanzien van een ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen heeft de raadsman aangevoerd dat een ontzegging een belemmering in het leven van de verdachte zou betekenen. De raadsman heeft daarom bepleit een eventuele ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen geheel voorwaardelijk op te leggen dan wel de eis van de officier van justitie op dit punt te matigen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt, door met een vrachtauto rechts af te slaan zonder zijn richtingaanwijzer te gebruiken, zonder zich ervan te vergewissen of er zich verkeersdeelnemers naast hem bevonden en daarbij aan [slachtoffer] geen voorrang te verlenen. [slachtoffer] is vervolgens in aanrijding gekomen met het door verdachte bestuurde voertuig, waarna zij werd overreden. Als gevolg van dit ongeval is [slachtoffer] overleden. Dit heeft onbeschrijflijk leed veroorzaakt bij de nabestaanden van het slachtoffer. De broer van [slachtoffer] heeft op de terechtzitting aangegeven welke impact het ongeval op hem heeft gehad.

Het handelen van verdachte heeft onherstelbaar leed toegebracht. De rechtbank heeft zich bij de bepaling van de straf gerealiseerd dat geen enkele straf het verlies van een zus of partner teniet kan doen. Strafoplegging dient bovendien niet alleen te gebeuren met inachtneming van de in dit geval desastreuze gevolgen van de gemaakte verkeersfouten, maar moet ook worden afgezet tegen de ernst van de fout en de mate van schuld van verdachte.

Verdachte heeft schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. De rechtbank acht – net als de officier van justitie – de minst zware vorm van schuld bewezen en dit dient tot uitdrukking te komen in de strafmaat. Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting.

Voor een aanmerkelijke verkeersfout waardoor een ander is gedood geldt als uitgangspunt een werkstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van één jaar.

De rechtbank houdt ten gunste van verdachte rekening met het feit dat hij nooit eerder door de strafrechter is veroordeeld, zodat er geen sprake is van recidive, in welk geval de straf hoger uit zou kunnen vallen.

De rechtbank houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij sinds het ongeval niet meer als chauffeur werkzaam is geweest en dat hij dit werk in de toekomst ook niet meer wil verrichten als gevolg van het ongeval. In het reclasseringsadvies is omschreven dat verdachte kampt met een groot schuldgevoel richting de nabestaanden. Verdachte ondervindt geestelijk gevolgen van het ongeval, waarvoor hij therapie ondergaat en voorgeschreven medicijnen neemt. Hij zal verder moeten leven met het gegeven dat door zijn toedoen iemand om het leven is gekomen. De verdachte heeft zich ook ter zitting bereid getoond het gesprek aan te gaan met de nabestaanden, heeft zijn spijtgevoelens openlijk betuigd en er blijk van gegeven begrip te hebben voor het immense leed dat het ongeval, dat ook door hem niet is gewild, voor de nabestaanden heeft teweeg gebracht. De rechtbank zal op grond van vorenstaande feiten de strafmaat matigen.

De rechtbank zal dan ook niet overgaan tot het opleggen van een taakstraf van 240 uur zoals door de officier van justitie is geëist. Zij meent dat het opleggen van een taakstraf van 200 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid recht doet aan zowel de ernst van de gedraging als aan de persoon van verdachte. De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden het feit dat verdachte zijn rijbewijs gebruikt om naar zijn werk te gaan en om zijn kinderen te bezoeken. De rechtbank zal hiermee geen rekening houden nu niet is gebleken dat verdachte geen gebruik zou kunnen maken van het openbaar vervoer om naar zijn werk te gaan en zijn kinderen te bezoeken.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 200 uren opleggen, en bij niet naar behoren verrichten een vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen, en als bijkomende straf een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte voor het primair tenlastegelegde tot een taakstraf voor de duur van 200 uren;

  • -

    beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

Ontzegging

- ontzegt aan de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J.M.A. van Atteveld, voorzitter, mr. R.J.M.G. Rulkens en mr. D.D. Kock, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.J.M. Feron-Voncken, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 12 juni 2020.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 24 april 2019 in de gemeente Venlo als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto/vrachtauto), daarmede rijdende over de weg, [adres 2] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , werd gedood, welke gedragingen zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, zonder een teken met een richtingaanwijzer te geven, met genoemd motorrijtuig naar rechts heeft gestuurd en/of naar rechts is afgeslagen en/of (daarbij) niet althans in onvoldoede mate op een (rechts) naast en/of rechts achter hem gelegen fietsstrook heeft gelet en/of is blijven letten en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate in de rechter spiegel(s) van dat door hem bestuurde motorrijtuig heeft gekeken en/of is blijven kijken, zulks op het moment dat een over die fietsstrook rijdende bestuurster van een bromfiets zich dicht naast dan wel rechts dicht achter hem bevond, en/of (vervolgens) deze bestuurster van een bromfiets, zijnde voornoemde [slachtoffer] , niet voor heeft laten gaan, waardoor, althans mede waardoor, een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en
voornoemde [slachtoffer] , althans de door haar bestuurder bromfiets;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 april 2019 in de gemeente Venlo als bestuurder van een voertuig (vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, [adres 2] , zonder een teken met een richtingaanwijzer te geven, zo onvoorzichtig en/of onoplettend met genoemd motorrijtuig naar rechts heeft gestuurd en/of naar rechts is afgeslagen en/of (daarbij) niet althans in onvoldoende mate op een (rechts) naast en/of rechts achter hem gelegen fietsstrook heeft gelet en/of is blijven letten en/of (daarbij) niet, althans in onvoldoende mate in de rechter spiegel(s) van dat door hem bestuurde motorrijtuig heeft gekeken en/of is blijven kijken, zulks op het moment dat een over die fietsstrook rijdende bestuurster van een bromfiets zich dicht naast dan wel rechts dicht achter hem bevond, en/of (vervolgens) deze bestuurster van een bromfiets niet voor heeft laten gaan, waardoor, althans mede waardoor, een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en die bestuurster van een bromfiets, althans de door haar bestuurder bromfiets, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2019062993, gesloten d.d. 19 augustus 2019, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 79.

2 Verklaring verdachte ter terechtzitting en Proces-verbaal van verhoor verdachte, pv-nr PL2300-2019062993-5, 24-04-2019, p. 55-68.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige, pv-nr PL2300-2019062993-13, 04-05-2019, p. 51-52.

4 Proces-verbaal VOA bij BVH-nr 2019062993, 29-06-2019, p. 8-39.