Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:4174

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
10-06-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
C/03/264406 / HA ZA 19-255
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling wettelijke huwelijksgemeenschap, rechtbank (en niet kantonrechter) bevoegd, onderneming lijkt eenmanszaak, tussenvonnis.

Een eenmanszaak is geen goed dat in de huwelijksgemeenschap valt en kan als zodanig niet worden verdeeld. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. Het ondernemingsvermogen bestaande uit activa (bezittingen) en passiva (schulden) valt in de huwelijksgemeenschap. De activa kunnen worden verdeeld. Volgt tussenvonnis om partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/264406 / HA ZA 19-255

Vonnis van 10 juni 2020

in de zaak van

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.S. van Gans,

tegen

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. T.M.T.M. Lindeman.

Partijen zullen hierna [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord tevens voorwaardelijke eis in reconventie met producties 1 tot

en met 7

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met producties 1 tot en met 4

  • -

    het verzoek akte indiening producties van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] met productie 5

  • -

    het formulier B8 inzending stukken van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] met productie 6

  • -

    de akte overlegging producties van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] met producties 8 tot en met 11

  • -

    de brief van de rechtbank van 17 juli 2019 waarbij datum comparitie is bepaald

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 25 oktober 2019

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens wijziging van eis met producties 7 tot en met

12

- de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie tevens

wijziging en aanvulling van eis met producties 12 tot en met 16

- de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zijn van [datum huwelijk] tot [datum inschrijving] in wettelijke gemeenschap van goederen (hierna ook: huwelijksgemeenschap), zoals bedoeld in art. 1:94 BW zoals dat gold voor 1 januari 2018, gehuwd geweest. Op [datum inschrijving] is de beschikking van de rechtbank van [datum uitspraak echtscheiding] , waarbij de echtscheiding tussen hen is uitgesproken, ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Maastricht.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat:

i. bepaalt dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] uiterlijk 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] (een kopie van) de afschriften van de mutaties in de periode

1 juli 2016 tot 1 januari 2017 zal verstrekken van de bankrekeningen eindigend op 969 en 130 op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] hiervan in gebreke blijft;

bepaalt dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] een recent authentiek stuk van Achmea, Getronics en De Goudse zal verstrekken waaruit blijkt wat de meest recente waarde van de betreffende bestanddelen is op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] hiervan in gebreke blijft;

bepaalt dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] de helft van de waarde van de polissen Achmea, Getronics en De Goudse dient te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

bepaalt dat de fiets, de scooter en de auto aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] worden toebedeeld en dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] als verrekening wegens overbedeling € 1.850,- dient te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

ter zake van de onderneming

primair

een deskundige benoemt die de waarde dient vast te stellen, waarbij de kosten daarvan voor rekening van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] komen;

subsidiair

bepaalt dat de onderneming aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] wordt toebedeeld en dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] uit dien hoofde aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] € 6.003,- tegen behoorlijk bewijs van kwijting dient te betalen;

bepaalt dat de inboedelgoederen worden toebedeeld aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] (…) en dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] als verrekening wegens overbedeling € 2.500,- dient te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

ter zake van de lening van de zoon aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] de lening van de zoon aan haar als eigen schuld zal dragen en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dienaangaande zal vrijwaren waar tegenover [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] € 150,- dient te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

en voorts [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder

begrepen.

3.2.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.4.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] veroordeelt tot betaling van

€ 100,00 ter zake van de fiets,

€ 500,00 ter zake van de scooter,

€ 1.030,74 ter zake van de Dela polis,

€ 969,76 ter zake van de Reaal polis,

€ 100,95 ter zake van de bankrekening van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ,

ofwel in totaal € 2.701.45, en wel binnen één week na betekening van het vonnis aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] , verhoogd met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening tot aan de dag der algehele voldoening,

2. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] veroordeelt tot medewerking aan de afwikkeling (stopzetting/afkoop) van de polis bij Goudse Levensverzekeringen N.V., door het plaatsen van haar handtekening op het als PRODUCTIE 3 overgelegde formulier, en wel binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] [zoals de rechtbank “de man” leest] hiervan in gebreke blijft,

een en ander met veroordeling van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in de kosten en nakosten van deze procedure, waaronder ook het door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] betaalde griffierecht, en met bepaling dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] de wettelijke rente over de proceskosten van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is verschuldigd indien zij deze niet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis heeft betaald, dan wel te beslissen hetgeen de rechtbank in goede justitie juist acht.

3.5.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank deze in het onderstaande in onderling verband beoordelen.

Bevoegdheid rechtbank

4.2.

De inleidende vorderingen van partijen strekken tot de verdeling van de tussen hen bestaande ontbonden huwelijksgemeenschap. De absolute bevoegdheid van de rechter wordt geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Tot aan de herziening van dit wetboek per 1 januari 2002 bepaalde art. 126 dat de rechtbank de bevoegde rechter was ter zake een verdeling. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat de wetgever deze absolute bevoegdheid heeft willen wijzigen. In de memorie van toelichting op de Aanpassingswet wordt vermeld, dat na de bestuurlijke overbrenging van de kantongerechten in de rechtbank het takenpakket van de kantonrechter gehandhaafd blijft (Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, p. 258). Op grond van art. 42 Wet op de rechterlijke organisatie (RO) nemen de rechtbanken in eerste aanleg kennis van alle burgerlijke zaken, behoudens bij de wet bepaalde uitzonderingen. Waar het de absolute bevoegdheid van de kantonrechter betreft, geeft art. 93 Rv een aantal uitzonderingen op de hoofdregel van art. 42 RO. Deze uitzonderingen omvatten geen verdelingszaken. Onder vorderingen als bedoeld in art. 93 Rv letter a worden geldvorderingen verstaan (MvT, Kamerstukken II 1999-2000, 26 855, nr. 3, p. 192). Onder de vordering als bedoeld in letter b van art. 93 Rv moet ook een geldvordering worden verstaan. Ook aan de andere in art. 93 Rv omschreven uitzonderingen kan de kantonrechter in verdelingszaken geen bevoegdheid ontlenen. Ten aanzien van de onderhavige vorderingen ter zake verdeling is dan ook de rechtbank bevoegd. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft dan ook ten onrechte aangevoerd dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] de zaak bij de kantonrechter had kunnen aanbrengen en dat hij dan minder griffierecht had hoeven betalen (zie ook: Hof Den Haag, 20 maart 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:714).

Uitgangspunten (wijze van) verdeling

4.3.

Partijen hebben in het kader van de echtscheidingsprocedure en ook daarna geen overeenstemming kunnen bereiken over de (wijze van) verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. De rechtbank zal daarom hierna achtereenvolgens de (wijze van) verdeling van de tot de huwelijksgemeenschap behorende vermogensbestanddelen vaststellen. In dit verband merkt de rechtbank op dat de rechter die de verdeling vaststelt, enige mate van vrijheid geniet, niet is gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en niet expliciet behoeft in te gaan op al hetgeen partijen aanvoeren.

4.4.

In beginsel brengt de huwelijksgemeenschap mee dat die gemeenschap op grond van art. 1:94 BW (zoals deze gold voor 1 januari 2018) alle bij aanvang aanwezige of nadien – tot het moment van ontbinding – verkregen goederen en alle op het moment van ontbinding aanwezige schulden van de echtgenoten omvat, ongeacht door wie ze zijn verkregen of door wie ze zijn aangegaan. Bij de verdeling van de ontbonden gemeenschap hebben partijen op grond van het bepaalde in art. 1:100 BW in beginsel een gelijk aandeel in die ontbonden gemeenschap. Van deze hoofdregel kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden afgeweken.

Peildatum omvang en samenstelling huwelijksgemeenschap

4.5.

Nu het verzoekschrift tot echtscheiding op 17 november 2016 is ingediend, is de huwelijksgemeenschap krachtens art. 1:99 lid 1 aanhef en sub b BW op die datum ontbonden en dient deze datum als peildatum voor de vaststelling van de omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap te worden gehanteerd.

Peildatum waardering vermogensbestanddelen

4.6.

Ten aanzien van de peildatum voor de waardering van de tot de

huwelijksgemeenschap behorende vermogensbestanddelen, stelt de rechtbank voorop dat de hoofdregel is dat het tijdstip van de verdeling (zijnde de dag dat de echtgenoten de verdelingshandeling verrichten zoals bedoeld in art. 3:182 BW, of indien de rechter de verdeling vaststelt, de dag waarop deze vonnis wijst waarin de verdeling is vastgesteld) heeft te gelden als peildatum voor de waardering. Van deze hoofdregel kan worden afgeweken indien partijen een andere peildatum zijn overeengekomen of indien de rechter van oordeel is dat op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid van de hoofdregel dient te worden afgeweken. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft de datum van feitelijke verdeling als peildatum voor de waardebepaling aangehouden. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is van mening dat als peildatum voor de waardering óók 17 november 2016 moet worden gehanteerd, omdat partijen al geruime tijd gescheiden van elkaar leven, zodat het volgens hem naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om bijvoorbeeld ten aanzien van de bankrekeningen de saldi op dit moment te verdelen in plaats van de saldi op de peildatum. De rechtbank volgt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] hierin niet, nu hij niet met voldoende feiten heeft onderbouwd waarom het onaanvaardbaar zou zijn volgens de hoofdregel te waarderen naar de peildatum van feitelijk verdelen. Het enkele al geruime tijd gescheiden van elkaar leven is daartoe onvoldoende. De rechtbank zal daarom in beginsel de datum waarop dit vonnis wordt gewezen hanteren als peildatum voor de vaststelling van de waarde van de tot de huwelijksgemeenschap behorende vermogensbestanddelen. Indien en voor zover de rechtbank ten aanzien van een of een aantal vermogensbestanddelen van oordeel is dat de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat een andere peildatum dient te worden gehanteerd, dan zal de rechtbank bij de vaststelling van de verdeling van dat vermogensbestanddeel afzonderlijk daarop ingaan.

De bankrekeningen eindigend op -921, -969, -130 en -939

4.7.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft gesteld bij vergissing rekening -921 te hebben opgevoerd, dat moet zijn een bankrekening eindigend op -939, die op naam van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] staat. Eind 2015 bedroeg volgens haar het saldo € 7.369,00 en eind 2016 € 1.984,00. Volgens haar moet [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] het saldo op de peildatum inbrengen. De bankrekening -921 heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] geopend nadat partijen in oktober 2016 uiteen zijn gegaan, zodat het saldo hiervan volgens haar niet hoeft te worden verdeeld. Voor zover dat toch zou moeten gebeuren, heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] gesteld dat het bedrag van € 300,00 dat haar zoon op deze rekening heeft gestort, een lening voor levensonderhoud in de eerste fase direct na uiteengaan van partijen betrof. Die lening moet buiten beschouwing blijven dan wel bij helfte worden verdeeld tussen partijen, aldus [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] . Als productie 5 heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] een openingsafschrift overgelegd waaruit blijkt dat deze rekening op 7 oktober 2016 is geopend en dat de lening van € 300,00 deel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap. Het saldo op 17 november 2016 bedroeg € 201,90, waarvan de helft aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] toekomt (productie 7 conclusie van repliek in conventie).

4.8.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft in eerste instantie aangevoerd de bankrekening eindigend op -921 niet te kennen. De bankrekening eindigend op -969 betreft een privérekening van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , waarop het saldo op 17 november 2016 € 4,86 bedroeg (productie 4 conclusie van antwoord). De bankrekening eindigend op -130 was een gezamenlijke rekening, waarop het saldo op de peildatum€ 148,00 bedroeg (productie 5 conclusie van antwoord). Aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] komt een bedrag van € 76,43 toe, aldus [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . De bankrekening eindigend op -939 betreft de ondernemingsrekening. Nu de onderneming al gewaardeerd moet worden, dient het saldo van deze bankrekening volgens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet nog afzonderlijk te worden verdeeld, omdat het dan twee keer wordt meegeteld.

4.9.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft niet weersproken dat het saldo op 17 november 2016 van de bankrekening eindigend op -969 € 4,86 en eindigend op -130 € 148,00 bedroeg. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft erkend dat het saldo van de bankrekening eindigend op -921 op 17 november 2016 € 201,09 bedroeg. De rechtbank neemt dit als vaststaand aan en zal bij eindvonnis de saldi toewijzen aan degene die de betreffende bankrekening onder zich heeft onder veroordeling de helft van dat saldo aan de ander te betalen.

4.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat de bankrekening eindigend op -939 een bankrekening is die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gebruikte in het kader van zijn onderneming. De rechtbank zal hierna het saldo van deze bankrekening in het kader van de waarde van de onderneming meenemen.

Geldlening van de zoon aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] van € 300,00

4.11.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft gesteld op 7 oktober 2016 van haar zoon € 300,00 te hebben geleend (productie 5). Als productie 8 heeft zij overgelegd een handgeschreven geldleningsovereenkomst van 22 oktober 2016 tussen haar en haar zoon waarbij de zoon in totaal € 2.123,70 aan haar heeft geleend, welk bedrag zij in maandelijkse termijnen van

€ 50,00 zal terugbetalen. Zij had het geld nodig om aan haar eerste levensbehoefte te kunnen voldoen nadat zij de echtelijke woning had verlaten. Zij stelt dat de lening, die zij dus stelt op € 300,00, bij helfte moet worden verdeeld.

4.12.

Uit het als productie 5 door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] overgelegde bankafschrift bezien in samenhang met haar productie 8 blijkt voldoende van het bestaan van de lening. Die lening behoort tot de huwelijksgemeenschap nu de betreffende overeenkomst is gesloten voor 17 november 2016 en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet heeft ingeroepen de vernietiging van de gestelde onbevoegd verrichte rechtshandeling (1:89 BW).

Er dient dan ook van te worden uitgegaan dat de zoon op 7 oktober 2016 een bedrag van € 300,00 aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft geleend, nu dit verder niet weersproken is. Dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zelf (ook) in de kosten van levensonderhoud moest voorzien, doet hieraan niet af, alleen al omdat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aan die stelling geen voldoende duidelijk en concreet rechtsgevolg heeft verbonden.

4.13.

Partijen spreken over het ‘verdelen’ van de schulden. Verdeling kan echter alleen gevorderd worden van een gemeenschappelijk goed (art. 3:178 lid 1 BW). Gezamenlijke schulden kunnen niet verdeeld worden. De rechtbank begrijpt de stellingen van partijen aldus dat zij de draagplicht van de gezamenlijke schulden in hun onderlinge relatie wensen te regelen.

4.14.

Nu ervan moet worden uitgegaan dat de lening van € 300,00 voor de ontbinding van de gemeenschap is aangegaan, zijn partijen daarvoor ieder voor de helft draagplichtig. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft niets gesteld over het daadwerkelijk aflossen van de schuld. Gelet op het bepaalde in artikel 6:10 lid 2 BW kan dan ook geen veroordeling tot betaling van het bedrag van € 150,00 door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aan haar worden uitgesproken. De rechtbank zal bij eindvonnis volstaan te verstaan dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de lening van € 300,00.

De onderneming

4.15.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft gesteld dat de onderneming eind 2016 een eigen vermogen (balanswaarde) van € 9.499,00 had. Daarnaast maakt ook goodwill deel uit van de onderneming. Volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] dient een deskundige te worden benoemd om de waarde van de onderneming te bepalen. Werkzaamheden die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in 2015 en 2016 voor Formani heeft verricht zijn niet meegenomen in de cijfers van 2015 en 2016, aldus [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] .

4.16.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] is fotograaf en oefent zijn beroep uit in de onderneming [naam onderneming]. Volgens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] blijkt uit de door hem overgelegde jaarrekening 2016 (productie 6) dat de aanschaf van een camera van € 8.000,00 niet aan de orde is geweest. Ook de scooter maakt volgens hem deel uit van het ondernemingsvermogen. Volgens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dient te waarde van de onderneming op nihil te worden bepaald. Zijn werk is zeer persoonsgebonden en hij kan zijn klantenbestand niet verkopen.

4.17.

Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld en ingebracht, leidt de rechtbank af dat de onderneming waarover partijen het hebben een eenmanszaak betreft. Een eenmanszaak is geen goed dat in de huwelijksgemeenschap valt en kan als zodanig niet worden verdeeld (zie Hof ’s-Gravenhage 25 april 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1806). Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. Het ondernemingsvermogen bestaande uit activa (bezittingen) en passiva (schulden) valt in de huwelijksgemeenschap. De activa kunnen worden verdeeld. Een schuld is geen goed en kan als zodanig niet worden verdeeld (zie rov. 4.13.). In het kader van de verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap zijn in beginsel beide partijen ieder voor de helft draagplichtig met betrekking tot de schulden, ook als deze verband houden met de exploitatie van een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Voor de omvang van de schulden zijn in beginsel relevant de schulden die op de peildatum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap bestaan. Een schuld behoeft in beginsel niet te worden gewaardeerd. Uitgegaan dient te worden van de nominale verplichting. Ter zake de waarde van de in de verdeling te betrekken activa geldt in beginsel als uitgangspunt het tijdstip van de feitelijke verdeling (waarderingspeildatum), tenzij partijen een ander tijdstip met elkaar zijn overeengekomen of de redelijkheid en billijkheid zich tegen dat tijdstip verzetten. Het exploitatieresultaat van de door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] voortgezette onderneming komt ná ontbinding van de huwelijksgemeenschap op 17 november 2016 voor zijn rekening en risico.

4.18.

Gelet op het hiervoor weergegeven juridisch kader zal eerst vastgesteld moeten worden wat op 17 november 2016, zijnde de peildatum omvang en samenstelling van de huwelijksgemeenschap, de activa en de passiva van de eenmanszaak zijn. De jaarrekening van 2016 is door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] als productie 6 (conclusie van antwoord) in het geding gebracht. Uit die jaarrekening leidt de rechtbank af dat er per 31 december 2016 de volgende activa en passiva waren:

Activa Passiva

- onroerend goed - eigen vermogen:

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] en oudedagsreserve

- inventaris - crediteuren

- vervoermiddelen - transitoire passiva

- debiteuren - belastingen

- bank

De rechtbank zal partijen de gelegenheid geven zich erover uit te laten of (i) dit ook de activa en passiva zijn die op 17 november 2016 aanwezig waren en of (ii) met de onder activa opgenomen bankrekening gedoeld wordt op bankrekening eindigend op -939 (zie p. 8 van de jaarrekening) en of de scooter geacht moet worden onder vervoermiddelen te zijn opgevoerd.

4.19.

Vervolgens zal gekeken moeten worden naar de te hanteren peildatum voor de waardering van deze activa. In het kader van “de waardering van de onderneming”, waarvoor geen ruimte is omdat de eenmanszaak geen goed is, dienen partijen zich hierover uit te laten. De rechtbank geeft partijen in overweging om aansluiting te zoeken bij hetgeen in de jaarrekening is vermeld (dat wil zeggen 31 december 2016). De rechtbank zal partijen, gelet op het toetsingskader, de gelegenheid geven zich er over uit te laten of (iii) van 31 december 2016 als peildatum uitgegaan kan worden. Zo niet, dan dienen partijen stukken in het geding te brengen waaruit blijkt wat de waarde van de activa en de hoogte van de schulden op 17 november 2016 is.

4.20.

Partijen zijn het er in beginsel over eens dat de onderneming aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] kan worden toebedeeld. Gelet echter op het hiervoor geschetste toetsingskader betekent dit dat de activa van de onderneming aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] kunnen worden toebedeeld en dat hij de schulden (de passiva) van de onderneming voor zijn rekening zal nemen.

4.21.

Indien partijen kiezen voor 31 december 2016 als peildatum voor de activa en zij gemakshalve ook willen rekenen met het saldo van de passiva per die datum, dan is volgens de jaarrekening 2016 de waarde van de aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] toe te delen activa € 13.530,00. De schulden die hij voor zijn rekening neemt bedragen per die datum € 4.032,00. Dat betekent dat hij overbedeeld wordt en aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] € 13.530,00 - € 4.032,00 = € 9.498,00 : 2 =
€ 4.749,00 moet vergoeden. De rechtbank zal partijen tot slot de gelegenheid geven zich er over uit te laten of (iv) zij de uitkomst van deze rekensom, uitgaande van 31 december 2016 als peildatum voor de activa en het saldo van de passiva, onderschrijven.

De inboedelgoederen

4.22.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft bij dagvaarding gesteld een lijst met de inboedelgoederen

te hebben opgesteld die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] onder zich heeft. Hij weigert [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] de toegang tot deze goederen. De inboedel moet daarom volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] worden toebedeeld onder veroordeling tot betaling van € 2.500,00 aan haar wegens overbedeling.

4.23.

De rechtbank stelt vast dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] op geen enkel moment in de procedure de door haar genoemde lijst heeft overgelegd waaruit zou blijken over welke inboedelgoederen het zou gaan. Evenmin heeft zij geconcretiseerd hoe zij aan het beweerdelijke bedrag van

€ 2.500,00 wegens overbedeling is gekomen. Het door haar ter zake onder vi gevorderde zal dan ook bij eindvonnis als te onbepaald en onvoldoende gesteld worden afgewezen.

De auto Toyota Corola Verso, de fiets Sparta en de scooter Vespa

4.24.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft gesteld dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] de beschikking heeft (gehad) over de fiets, de scooter en de auto. Deze kunnen wat haar betreft aan hem worden toebedeeld. Zij heeft gesteld dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] wegens overbedeling, waarbij inbegrepen een vergoeding voor het gebruik ervan door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , aan haar dient te betalen de helft van € 200,00 voor de fiets, € 1.000,00 voor de scooter en € 2.500,00 voor de auto, zijnde in totaal € 1.850,00. Voor zover de fiets en de scooter aan haar worden toebedeeld, wil [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] deze eerst zien, omdat zij deze voor het laatst in oktober 2016 heeft gezien, en zij niet weet wat de huidige staat ervan is, of zij deze wel wil toebedeeld krijgen en wat de huidige waarde ervan is. De scooter is op 31 december 2016 opgenomen in de jaarrekening van de onderneming voor (een boekwaarde van) € 250,00. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] acht het niet ondenkbaar dat de marktwaarde hoger is, hetgeen moet worden meegenomen in de waardebepaling van de onderneming ofwel bij toedeling aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . Bij verkoop aan derden zal de koopsom moeten worden verdeeld. Op basis van het kenteken van de auto blijkt dat dit type auto’s in december 2019 te koop werden aangeboden voor een verkoopprijs tussen € 2.000,- en € 2.500,-. Omdat de auto in oktober 2018 is verkocht, was de prijs ten tijde van de verkoop volgens haar hoger. Uitgaande van de staat waarin de auto verkeerde toen zij deze voor het laatst heeft gezien, acht zij een waarde van € 2.000,00 redelijk. Een verkoopprijs van € 1.400,00, waarvoor [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zegt de auto te hebben verkocht, acht zij geen redelijke verkoopprijs en het sluit volgens haar niet uit dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op een andere wijze voordeel heeft genoten dat moet worden meegenomen in de verdeling van de opbrengst van de verkoop van de auto.

4.25.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft aangevoerd dat de fiets, die [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ooit van hem cadeau heeft gekregen, bij hem in de opslag staat en dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] deze tegen de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] gestelde waarde van € 200,00 toebedeeld kan krijgen. Ook de scooter gebruikt hij niet. Deze kan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] eveneens toebedeeld krijgen tegen de door haar gestelde waarde van

€ 1.000,00. De scooter maakt volgens hem deel uit van het ondernemingsvermogen, zodat dubbeltelling moet worden voorkomen. De auto heeft hij verkocht voor een bedrag van

€ 1.400,00, waarvan de helft toekomt aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] , aldus [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] .

4.26.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft niet betwist dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] de auto in oktober 2018 heeft verkocht voor

€ 1.400,00. Daarmee staat de waarde van de auto ten tijde van de verkoop vast. Dat, zoals [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft gesteld, zij die verkoopprijs onredelijk vindt, maakt niet dat van een hogere waarde moet worden uitgegaan. De rechtbank zal [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] bij eindvonnis veroordelen wegens overbedeling een bedrag van € 700,00 ter zake de verkochte auto aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] te betalen.

4.27.

Voor zover [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] de fiets eerst wil zien voordat deze aan haar wordt toebedeeld, is gesteld noch gebleken dat deze wens niet al vervuld had kunnen worden. Behoorlijke procesvoering brengt met zich dat zij dit dan ook al had behoren te doen. Nu zij dit kennelijk heeft nagelaten, gaat de rechtbank voorbij aan haar wens om de fiets te zien, voordat deze aan haar wordt toegedeeld. Nu [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft gesteld dat als de fiets aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] wordt toebedeeld hieraan een waarde van € 200,00 moet worden toegekend, en zij niet heeft weersproken dat het “haar fiets” betreft, zal de rechtbank de fiets bij eindvonnis aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] toedelen tegen een waarde van € 200,00, onder veroordeling van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] om de helft hiervan (zijnde € 100,00) aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] te betalen.

4.28.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft niet weersproken dat de scooter deel uitmaakt van de activa van de onderneming. De rechtbank zal de scooter dan ook tot tegenbericht als zodanig meenemen in de waardebepaling van de activa van de onderneming (zie dienaangaande hetgeen hiervoor onder rov. 4.18 en 4.21. is overwogen).

De Goudse levensverzekering met polisnummer [polisnummer]

4.29.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft gesteld dat de waarde van de polis op de datum van feitelijke verdeling bij helfte dient te worden verdeeld. Voor zover een van beide partijen dienaangaande betalingen voor de ander heeft verricht, dient dat te worden verrekend. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] is van mening dat nu [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] geen enkel betalingsbewijs in het geding heeft gebracht, het ervoor moet worden gehouden dat hij geen premiebetalingen heeft gedaan. Als hij al premies zou hebben betaald, dan moet het ervoor worden gehouden dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] van december 2016 tot en met april 2018 de premie heeft betaald, en niet al vanaf mei 2016 zoals hij heeft gesteld. Vanaf mei 2018 is hij sowieso gestopt de premie te betalen, aldus [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] .

4.30.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft aangevoerd dat hij na het uiteengaan van partijen (in mei 2016) de maandelijkse premie van deze polis van € 57,80 heeft betaald. Tussen 17 mei 2016 en

9 april 2018 heeft hij € 1.445,00 aan premies voldaan. Hiervan dient [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] de helft

(€ 722,50) aan hem te vergoeden. Blijkens een brief van 30 oktober 2017 (productie 3 antwoord [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ) van De Goudse is de waarde van de polis op 16 november 2016 € 3.355,00. Zodra [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] het uitbetalingsverzoek ondertekent (hij heeft dat al op 24 september 2018 gedaan), kan de afwikkeling (verdeling bij helfte) volgens hem worden verfeitelijkt.

4.31.

De rechtbank is (met [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ) van oordeel dat de waarde op de feitelijke datum van verdeling bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld en niet, zoals [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] voorstaat, de waarde ervan op 16 november 2016. Nu geen bedrag dienaangaande bekend is, zal de rechtbank bij eindvonnis beslissen dat partijen ieder de helft van de waarde van de polis op de datum van daadwerkelijke uitbetaling toekomt.

4.32.

Nu niet vaststaat dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] de premies van december 2016 tot en met april 2018 heeft voldaan, omdat hij geen betalingsbewijzen heeft overgelegd, kan de rechtbank [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] niet nu al veroordelen om de helft van dat bedrag (zijnde 17 maanden x € 57,80 / 2 =

€ 491,30) aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] te voldoen. Art. 6:10 lid 2 BW verzet zich daartegen. De verplichting tot vergoeding van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ontstaat pas als [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] de premies in de genoemde periode heeft betaald voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] wordt in staat gesteld bewijzen van betaling in het geding te brengen. Indien hij dit niet doet, zal de rechtbank bij eindvonnis volstaan te verklaren dat partijen ieder bij helft draagplichtig zijn voor de maandelijkse premie van € 57,80 over de periode december 2016 tot en met april 2018.

De pensioenreserveringen bij Getronics met polisnummer [polisnummer] en bij Centraal Beheer Achmea met polisnummer [polisnummer]

4.33.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft gesteld dat de pensioenreserveringen bij Getronics en Centraal Beheer Achmea tussen partijen bij helfte dienen te worden verdeeld. Voor zover een van beide partijen dienaangaande betalingen voor de ander heeft verricht, dient dat te worden verrekend. (De advocaat van) [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft destijds meegedeeld dat de door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] bij Getronics en Centraal Beheer Achmea opgebouwde pensioenreserveringen, omgezette pensioenaanspraken zouden betreffen (nr. 3 repliek conventie), waardoor de uitvoering van deze pensioenen niet meer in handen van een pensioenuitvoerder is, maar van een verzekeraar. Dit is volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] de reden dat geen verevening kan plaatsvinden, maar moet worden verdeeld. De waarde ervan was hoger dan € 50.000,00. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft het over een ander pensioen dan de pensioenreservering waarnaar [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] (in productie 2 zijnerzijds) verwijst. Als productie 1 heeft zij overgelegd een rekeningoverzicht van 5 april 2011 van Centraal Beheer Achmea over een pensioenbeleggingsverzekering (polisnummer [polisnummer] ) en als productie 2 een brief van het pensioenbureau van Stichting Voorzieningsfonds Getronics van 29 september 2005 (“pensioenbewijs”) met registratienummer [registratienummer] . Omdat beide polissen op naam van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] staan, kan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] geen nadere informatie en stukken opvragen. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dient volgens haar nadere stukken met de meeste recente waarden in het geding te brengen dan wel aan te tonen dat deze polissen op een andere wijze zijn verdisconteerd in enige door hem al ingebrachte pensioenreservering dan wel vermogensdeel. Uit gegevens van (de vorige advocaat van) [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] volgt dat op 26 oktober 2017 een polis bij Getronics een waarde had van € 9.679,74 en een polis bij Achmea € 55.268,61. Deze maken deel uit van de huwelijksgemeenschap en moeten dan ook verdeeld worden, aldus [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] . Tot 2012 heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] bij een werkgever gewerkt, daarna heeft hij niet meer in loondienst gewerkt. Volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] (conclusie van repliek, sub 7) heeft het “er alle schijn van dat de man pensioen(onderdelen) heeft afgekocht en in eigen beheer heeft voortgezet. Op mijnpensioenoverzicht.nl staan alleen de pensioenen die zijn opgebouwd bij een werkgever en die worden beheerd door een pensioenuitvoerder, zodat het overzicht dat de man als productie 2 heeft overgelegd niets zegt over de status van de door de man genoemde pensioenverzekeringen. De vrouw stelt dan ook dat de man als hij zijn standpunt handhaaft dat het bij Getronics opgebouwde pensioen is overgenomen door Achmea en dat het Achmea pensioen dat op zijn pensioenoverzicht hetzelfde pensioen betreft als de pensioenen die door de man als gemeenschapsbestanddelen zijn genoemd. Dit heeft de man niet gedaan.”. Volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] betreffen het kapitaalverzekeringen, die niet in het pensioenoverzicht worden vermeld en die wel bij helfte tussen partijen dienen te worden verdeeld. Volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] komt haar minimaal € 32.474,18 toe.

4.34.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] betwist dat de pensioenreserveringen tussen partijen moeten worden verdeeld. Hij heeft alleen in de tijd dat hij in loondienst werkte pensioen opgebouwd (productie 2 conclusie van antwoord). Het bij Getronics opgebouwde pensioen is door Achmea overgenomen. Volgens hem vindt op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij echtscheiding geen verdeling van de pensioenen plaats, maar verevening. Gelet op het bepaalde in art. 2 lid 2 van de voornoemde wet moet binnen twee jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bij de betreffende pensioenfondsen melding gemaakt worden van de echtscheiding. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] had dit al lang kunnen doen. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] stelt niet meer te hebben dan het pensioenoverzicht (productie 2). Tevens heeft hij overgelegd (productie 12) een Uniform Pensioenoverzicht 2019 van Centraal Beheer en (productie 13) een pensioenoverzicht 2019 van Stichting Pensioenfonds KPN. Meer dan deze overzichten stelt hij niet te hebben. Hij wil meewerken aan de verevening binnen de tweejaarstermijn. Afkoop van pensioen is volgens hem niet aan de orde en pensioen in eigen beheer ook niet. Van de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] gestelde kapitaalverzekeringen is geen enkele sprake en zij legt hiertoe volgens hem ook geen enkel bewijs over, zodat hij er niets mee kan, aldus [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] .

4.35.

Anders dan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] meent, heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] voldoende gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat er twee kapitaalverzekeringen zijn (geweest?), die op naam van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] staan, reden waarom zij ter zake geen nadere informatie kan verkrijgen. Zij heeft hierbij verwezen naar haar productie 1, Centraal Beheer en 2, Getronics (conclusie van antwoord in reconventie). Hieruit blijkt dat in elk geval op 5 april 2011 (Centraal Beheer) en 29 september 2005 (Getronics) pensioen werd opgebouwd. De Centraal Beheer productie is naamloos, op die van Getronics staat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vermeld. Nu [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet heeft weersproken dat deze verzekeringen op zijn naam staan en alleen hij om die reden nadere informatie en stukken daaromtrent kan opvragen, zal de rechtbank hem daartoe in de gelegenheid stellen. In het kader van de verdeling is het niet nodig, zoals [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] veronderstelt, dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] hiertoe een separate vordering instelt. Mocht blijken dat beide kapitaalverzekeringen inderdaad gedurende het huwelijk van partijen zijn opgebouwd en nog niet tot uitkering zijn gekomen, dan dient de waarde ervan tussen partijen te worden verdeeld.

De Dela-polis met nummer [polisnummer]

4.36.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft gesteld dat partijen een gezamenlijke polis hadden bij DELA. Hij had een waarde opgebouwd van € 1.030,74 (productie 7). [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft echter de dekking van zijn polis opgezegd. Hierdoor is hij het door en voor hem opgebouwde bedrag van

€ 1.030,74 misgelopen, aangezien dit bedrag aan de polis van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] is toegevoegd. Hij wenst dit volledige bedrag van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] vergoed te krijgen.

4.37.

Anders dan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] voorstaat, doen de betalingen harerzijds voorafgaand aan het huwelijk niet ter zake, nu partijen in huwelijksgemeenschap zijn gehuwd, hetgeen nu eenmaal inhoudt dat in de regel geen privé-eigendom meer bestaat.

Alleen al omdat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] niet heeft betwist dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] het bedrag is misgelopen door haar opzegging van de polis op zijn naam en dat het bedrag vervolgens op de polis ten name van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] is bijgeschreven, zal [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] bij eindvonnis worden veroordeeld € 1.030,74 aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] te voldoen.

De Reaal-polis

4.38.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft bij eis in reconventie gesteld dat er een polis op naam van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] bij Reaal is afgesloten. Hij heeft echter de premie van € 33,44 gedurende 29 maanden doorbetaald. Hij heeft de verzekeraar toen laten weten de premie niet langer te zullen voldoen. Hij vordert betaling door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] aan hem van € 969,76. Betalingsbewijzen zijn (nog) niet door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in het geding gebracht. Bij conclusie van dupliek in conventie heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] erkend dat het een risicopolis betrof, die geen waarde (meer) vertegenwoordigt: de polis was aan de hypotheek gekoppeld, die niet meer bestaat, omdat de woning waarop de hypotheek rustte is verkocht. In de nog lopende polis was [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] verzekeringnemer en hij de verzekerde. Een risicopolis wordt altijd kruiselings afgesloten: [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] betaalde de premie op het leven van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] en andersom. Hierdoor is bij overlijden wat betreft de uitkering van de polis geen successierecht verschuldigd. Hij vordert niet de verdeling van de waarde van de polis, zoals [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] veronderstelt, maar (onder verwijzing naar productie 5 zijnerzijds) terugbetaling van de premies die hij in plaats van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft betaald.

4.39.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] meent, want [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] geeft geen kenmerk of polisnummer, na navraag (zie productie 4 harerzijds) dat partijen een polis bij Reaal hadden die gekoppeld was aan de hypotheek, dat haar polis is geroyeerd en dat die geen waarde meer vertegenwoordigt. Bij conclusie van dupliek in reconventie heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] , onder verwijzing naar productie 11 en 12 van haar kant, nog aangevoerd dat daaruit blijkt dat de rechtbank bij de vaststelling van de partneralimentatie heeft meegenomen dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] alle lasten van de echtelijke woning voor zijn rekening zou nemen, waaronder de kosten van de Reaal polis, aangezien deze polis aan de hypotheek was gekoppeld. Hij moest dan ook de maandelijkse lasten van deze polis dragen en kan nu niet de helft ervan van haar terugvorderen. Subsidiair heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] betwist, bij gebrek aan overgelegde betalingsbewijzen, dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] de premies heeft betaald. De premies zijn verrekend in de eindafrekening bij verkoop van de echtelijke woning. Meer subsidiair heeft ze aangevoerd dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ten onrechte 29 maanden stelt te hebben betaald, aangezien de gemeenschap in november 2016 is geëindigd en de echtelijke woning in april 2018 is verkocht, zodat niet meer dan 17 maanden zouden hoeven te worden betaald, “waarbij bovendien geldt dat in dat geval de man de helft van deze polis dient te dragen.”.

4.40.

De rechtbank stelt allereerst vast dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , anders dan hij bij eis in reconventie heeft aangekondigd, geen betalingsbewijzen in het geding heeft gebracht. Uit de als productie 5 overgelegde 36 pagina’s bij- en afschrijvingen van een ABN AMRO rekening eindigend op -130 ten name van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , bestrijkende de periode van 25 oktober 2016 tot 24 april 2018, is niet voldoende duidelijk te halen welke afschrijving betrekking heeft op de Reaal-polis. Het is niet de taak van de rechtbank om te grasduinen in die 36 pagina’s en zelf uit te zoeken welke betaling betrekking heeft op welke schuld. Dit moet worden bezien in het licht van het feit dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet heeft gespecificeerd op welke periode de door hem gestelde 29 maanden zien. Nu [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] verder heeft erkend dat de polis aan de hypotheek was gekoppeld en dat de woning waarop de hypotheek rustte inmiddels is verkocht en ook zelf stelt dat er kruiselings is betaald, is de rechtbank van oordeel dat dit deel van het door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gevorderde bij eindvonnis als ongegrond dient te worden afgewezen.

Overig

4.41.

In afwachting van de door partijen te nemen akten houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1.

stelt partijen in de gelegenheid zich bij akte ter rolle van 22 juli 2020 uit te laten over de onderdelen vermeld in rov. 4.18. toe en met 4.21.,

5.2.

stelt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in de gelegenheid bij akte ter rolle van 22 juli 2020:

  • -

    over te leggen betalingsbewijzen waaruit blijkt dat hij de in rov. 4.32 genoemde premies van december 2016 tot en met april 2018 heeft voldaan;

  • -

    zich gemotiveerd en met stukken onderbouwd uit te laten over hetgeen in rov. 4.35. staat,

5.3.

stelt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in de gelegenheid om twee weken nadat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] de in 5.2. genoemde akte heeft genomen, een antwoordakte te nemen,

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2020.1

1 type: JC