Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:4080

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
C/03/272563 / HA ZA 20-6
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beleggingsovereenkomst op afstand via electronische weg gesloten; forumkeuzebeding; nederlandse rechter bevoegd; artikelen 17, 18 , 19 Brussel 1 bis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer: C/03/272563 / HA ZA 20-6

Vonnis in het incident van 3 juni 2020

in de zaak

[eiseres, verweerster in het incident] ,

wonend in [woonplaats] ,

eiseres, verweerster in het incident,

advocaat mr. M.A. Hupkes,

tegen

de vennootschap naar Cypriotisch recht FI MARKETS LIMITED,

gevestigd te Limassol (Cyprus),

gedaagde, eiseres in het incident,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders-Folmer.

Eiseres in de hoofdzaak zal hierna [eiseres, verweerster in het incident] genoemd, gedaagde in de hoofdzaak F1.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding met acht producties;

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid met twee producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid ex art. 11 Rv.

1.4

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat in het incident uit van het feit dat [eiseres, verweerster in het incident] een beleggingsovereenkomst op afstand via elektronische weg heeft gesloten met F1. [eiseres, verweerster in het incident] maakt in dit kader geld over op een rekening bij F1, waarna [eiseres, verweerster in het incident] via een online handelsplatform orders kan plaatsen voor de aankoop van door F1 aangeboden beleggingsproducten, te betalen met dat gestorte geld.

2.2.

Artikel 41.1 van de tussen partijen van toepassing zijnde algemene voorwaarden luidt voor zover thans van belang als volgt:

“De interpretatie, constructie, werking en afdwingbaarheid van de klantovereenkomst worden beheerst door de wetten van Cyprus, en u en wij komen overeen ons te onderwerpen aan de exclusieve jurisdictie van de rechtbanken van Cyprus voor de beslechting van geschillen.
(…)”

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1

[eiseres, verweerster in het incident] vordert in de hoofdzaak dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd, althans deze

in rechte ex art. 6:193j (zoals de rechtbank “139j” leest) lid 3 BW vernietigt, althans voor recht verklaart dat F1 onrechtmatig heeft gehandeld, zodat F1 gehouden is de door [eiseres, verweerster in het incident] betaalde bedragen terug te betalen althans de geleden schade te vergoeden;

II. F1 veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres, verweerster in het incident] te betalen € 58.250,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf 2 mei 2019;

III. F1 veroordeelt in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen indien

conservatoir beslag wordt gelegd de werkelijke kosten daarvan die nog nader zullen worden

opgegeven, alsmede in de kosten die na het vonnis kunnen ontstaan, te begroten op € 131,- aan salaris advocaat en ten slotte nog te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening

van de uitspraak heeft plaatsgevonden en F1 niet binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

IV. met afgifte van een gewaarmerkte Europese Executoriale Titel (EET) die in Cyprus ten

uitvoer kan worden gelegd.

[eiseres, verweerster in het incident] legt hieraan ten grondslag dat de overeenkomst die zij met F1 heeft gesloten, tot stand is gekomen als gevolg van onrechtmatig handelen zijdens F1, in het bijzonder een oneerlijke handelspraktijk.

in het bevoegdheidsincident

3.2

F1 vordert in het incident:

primair:

dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart van het onderhavige geschil kennis te nemen, althans in afwachting van een definitieve beslissing deze procedure aanhoudt, althans iedere nadere beslissing aanhoudt totdat door het Hof van Justitie is beslist op de prejudiciële vragen zoals vermeld in par. 3.47 van haar conclusie;

subsidiair:

dat voor zover de rechtbank bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen, de rechtbank verklaart dat Cypriotisch recht van toepassing is op dit geschil;

primair en subsidiair:

veroordeling van [eiseres, verweerster in het incident] in de kosten van het incident, een en ander voor zover de wet dit toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.

F1 legt hieraan ten grondslag dat zij de overeenkomst heeft gesloten met [eiseres, verweerster in het incident] als professioneel belegster en dat partijen bij die overeenkomst een forumkeuzeclausule zijn overeengekomen inhoudende dat beide partijen zich onderwerpen aan de exclusieve jurisdictie van de rechtbanken van Cyprus voor beslechting van geschillen.

3.3

[eiseres, verweerster in het incident] voert verweer.

4 De beoordeling

in het incident

primaire vordering

4.1.

In de dagvaarding onder II heeft [eiseres, verweerster in het incident] gesteld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.

4.2.

In dit incident betoogt F1 dat de Nederlandse rechter niet tot oordelen bevoegd is. Volgens F1 (randnummer 3.51 van de in rechtsoverweging 1.1. genoemde incidentele conclusie) is de grondslag van de vordering van [eiseres, verweerster in het incident] een verbintenis uit onrechtmatige daad.

4.3.

De rechtbank verwerpt dit standpunt van F1. Blijkens de dagvaarding baseert [eiseres, verweerster in het incident] de vordering die zij op F1 stelt te hebben, op een tussen haar als consument uit Nederland en F1, een bedrijf uit Cyprus, gesloten overeenkomst (zie bijvoorbeeld randnummer 31 dagvaarding) en stelt zij dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt nu de overeenkomst is gesloten tussen enerzijds [eiseres, verweerster in het incident] , een consument uit Nederland en anderzijds F1, een bedrijf uit Cyprus. In de dagvaarding (randnummer 51) verwijt [eiseres, verweerster in het incident] F1 dat zij zich bedient van oneerlijke handelspraktijken; door [eiseres, verweerster in het incident] omschreven als een bijzondere vorm van onrechtmatige daad. De rechtbank begrijpt het door [eiseres, verweerster in het incident] aan F1 gemaakte verwijt aldus dat zij stelt dat F1 in het kader van de uitvoering van de door partijen gesloten overeenkomst toerekenbaar is tekortgeschoten, nu F1 zich heeft bediend van oneerlijke handelspraktijken. De grondslag van de vordering is derhalve gelegen in de door [eiseres, verweerster in het incident] gestelde overeenkomst. Beoordeeld moet worden of de Nederlandse rechter op deze grondslag rechtsmacht toekomt.

4.4.

Tussen partijen is van toepassing de Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissing in burgerlijke en handelszaken (hierna ook: Brussel 1 bis). In het onderhavige geschil is sprake van een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1 lid 1 van die Verordening.

4.5.

Ingevolge artikel 4 lid 1 Brussel 1 bis worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.

4.6.

In afwijking van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Brussel 1 bis wordt de bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten geregeld in afdeling 4 van Brussel 1 bis (artikelen 17 tot en met 19).

Ingevolge artikel 17 lid 1 aanhef en onder a, b en c Brussel 1 bis wordt de bevoegdheid van de rechter geregeld door afdeling 4 voor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, in de onder a, b en c van dat artikel genoemde gevallen.

4.7.

F1 betoogt dat [eiseres, verweerster in het incident] geen consument is, maar dat zij van meet af aan als professioneel belegger met F1 een overeenkomst heeft gesloten, waartoe zij ook de “professional application” heeft ondertekend (randnummers 1.2, 1.3 en 3.6, incidentele conclusie). F1 verwijst naar het door [eiseres, verweerster in het incident] ondertekende “professional elective request” d.d. 27 maart 2019 (productie 1 bij de incidentele conclusie).

4.8.

[eiseres, verweerster in het incident] op haar beurt bestrijdt dit standpunt van F1 (randnummers 3, 19 en 20 van de in rechtsoverweging 1.1. genoemde conclusie van antwoord in het incident). [eiseres, verweerster in het incident] voert aan dat de overeenkomst volgens een gestandaardiseerd proces online is gesloten. Dit leidt per definitie tot de status van retailbelegger ofwel consument via het basisaccount. [eiseres, verweerster in het incident] verwijst naar de e-mail aan haar van 25 maart 2019, met als onderwerp “Uw klantindeling”. Blijkens deze e-mail werd [eiseres, verweerster in het incident] ingedeeld als particuliere klant. Als aparte stap is opteren voor een “professional account” mogelijk. Een dergelijk verzoek kan pas in het systeem worden aangemaakt als de cliënt als retailbelegger ofwel consument in het systeem zit. Nu het forumkeuzebeding vooraf bij de aanvang van de relatie via de algemene voorwaarden is overeengekomen met een consument en niet later toen de dienstverlening werd opgeschaald naar een “professional account” en al helemaal niet na het ontstaan van het geschil, is de Nederlandse rechter bevoegd, aldus [eiseres, verweerster in het incident] .

4.9.

De rechtbank stelt voorop dat het begrip “consument”, zoals bedoeld in artikel 17 lid 1 Brussel 1 bis, restrictief en op autonome wijze moet worden uitgelegd en dat het slechts betrekking heeft op de niet bedrijfs- of beroepsmatig handelende particuliere eindverbruiker.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het door F1 overgelegde en door [eiseres, verweerster in het incident] op 27 maart 2019 ondertekende “Verzoek om als professionele klant te worden behandeld” niet dat [eiseres, verweerster in het incident] van meet af aan bedrijfsmatig met F1 heeft gecontracteerd. [eiseres, verweerster in het incident] heeft juist, onder verwijzing naar een e-mail van 25 maart 2019, aangevoerd dat zij als consument in het systeem van F1 is opgenomen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, heeft F1 haar standpunt dat [eiseres, verweerster in het incident] van meet af aan als professionele belegger met F1 heeft gecontracteerd, onvoldoende feitelijk onderbouwd. De rechtbank kwalificeert de overeenkomst dan ook als een consumentenovereenkomst.

4.10.

Op grond van artikel 17 lid 1 aanhef en sub c Brussel I bis wordt de bevoegdheid geregeld door afdeling 4 Brussel 1 bis wanneer: ”de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die lidstaat, of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.”

4.11.

In de dagvaarding (randnummer 37) heeft [eiseres, verweerster in het incident] gesteld dat de activiteit van F1 valt onder die genoemd in artikel 17 lid 1 aanhef en onder c Brussel 1 bis, nu F1 zich, zoals blijkt uit de inrichting van haar website, uitdrukkelijk richt op de Nederlandse consumenten, naast consumenten uit andere lidstaten, hetgeen niet afdoet aan de specifieke gerichtheid op de Nederlandse markt.

4.12.

F1 heeft aangevoerd en te bewijzen aangeboden (randnummer 6.1, incidentele conclusie) dat alle activiteiten van F1, waaronder begrepen het beleid, het te exploiteren platform, de betalingen (via de klantenrekeningen), de publieke uitingen, etc. vanuit Cyprus plaatsvinden en dat de markt waar gehandeld wordt, is gelegen in Cyprus.

4.13.

Daarmee heeft F1 niet, in elk geval niet gemotiveerd, weersproken hetgeen [eiseres, verweerster in het incident] bij dagvaarding omtrent de activiteiten van F1, bezien in het licht van artikel 17 lid 1 aanhef en onder c Brussel 1 bis, heeft gesteld. De rechtbank neemt dan ook aan dat het geval aan de orde is als omschreven in die bepaling.

4.14.

Ingevolge artikel 18 lid 1 Brussel 1 bis kan de rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij die overeenkomst, worden gebracht voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft. Op grond van die bepaling is de Nederlandse rechter, in dit geval de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, bevoegd van het geschil kennis te nemen.

4.15.

F1 beroept zich op het in rechtsoverweging 2.2. opgenomen forumkeuzebeding, op grond waarvan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht zou toekomen. De rechtbank verwerpt dit standpunt van F1. Uit de artikelen 25 lid 4 en 19 aanhef en onder 1 Brussel 1 bis volgt dat van afdeling 4 slechts kan worden afgeweken door overeenkomsten gesloten na ontstaan van het geschil. Daarvan is hier geen sprake.

4.16.

De slotsom is dat de primaire vordering in het bevoegdheidsincident wordt afgewezen.

subsidiaire vordering

4.17.

De subsidiaire vordering inhoudende dat de rechtbank verklaart dat op de onderhavige procedure Cypriotisch recht van toepassing is, leent zich niet voor behandeling in het kader van dit bevoegdheidsincident. De subsidiaire vordering zal om die reden worden afgewezen.

proceskosten

4.18.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal F1 worden veroordeeld in de proceskosten in dit incident. Deze kosten worden tot aan deze uitspraak begroot op € 543,00 aan salaris voor de advocaat.

in de hoofdzaak

4.19.

De zaak zal naar de rol worden verwezen van 15 juli 2020 voor conclusie van antwoord en opgave verhinderdata zijdens beide partijen voor een te houden mondelinge behandeling.

5 De beslissing

De rechtbank:

in het incident

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt F1 in de kosten van dit incident, aan de zijde van [eiseres, verweerster in het incident] begroot op € 543,00;

5.3.

verklaart dit incidenteel vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

5.4.

verwijst de zaak naar de rol van 15 juli 2020 voor conclusie van antwoord zijdens F1 en opgave verhinderdata zijdens beide partijen voor een te houden mondelinge behandeling in de periode januari tot en met maart 2021;

5.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr M.J.H.A. Venner-Lijten, rechter, en in het openbaar uitge-sproken op 3 juni 2020.