Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:4014

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
09-06-2020
Zaaknummer
C/03/226274 / FA RK 16-3486
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Moeder met eenhoofdig gezag treedt verplichting tot bevorderen omgang tussen kind en vader met voeten. Ook op rechter rust verplichting omgang tussen kind en ouder te bevorderen. Ondanks ontbreken directe wettelijke basis opleggen dwangsommen teneinde moeder te doordringen van belang meewerken. (artikelen 1:377a en 1:247 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Familie en jeugd

Datum uitspraak: 5 juni 2020

Zaaknummer: C/03/226274 / FA RK 16-3486

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[verzoeker],

verzoeker, verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats], [land],

advocaat mr. C.C. Berends, kantoorhoudende te Brunssum,

tegen:

[verweerster],

wederpartij, verder te noemen: de moeder,

wonende op een geheim adres binnen het arrondissement Limburg,

advocaat mr. S.L.B. Koelman-Duijf, kantoorhoudende te Maastricht.

In de procedure betrokken minderjarige:

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats], op [2010],

verder te noemen: [minderjarige].

In zijn hoedanigheid als bedoeld in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland, locatie Maastricht,

verder te noemen: de raad.

Wederom gezien de stukken, waaronder ook de door deze rechtbank gegeven en op

14 augustus 2019 uitgesproken beschikking.

1 Verder verloop van de procedure

1.1.

Het verdere procesverloop blijkt uit het volgende:

  • -

    het bericht van de vader van 21 november 2019;

  • -

    het bericht van de moeder van 25 november 2019;

  • -

    de brief van de raad van 9 januari 2020 met als bijlage het eindverslag BOR van anaCare van 8 januari 2020, ontvangen op 10 januari 2020;

  • -

    de reactie op het eindverslag BOR van de vader van 21 januari 2020;

  • -

    de reactie op het eindverslag BOR met bijlagen van de moeder van 24 januari 2020;

1.2.

[minderjarige] heeft naar aanleiding van een brief aan de kinderrechter, ontvangen ter griffie op 16 oktober 2019, een gesprek gehad met de kinderrechter op14 november 2019.

1.3.

In verband met de sluiting van de rechtbank voor publiek per 17 maart 2020 in verband met de uitbraak van het coronavirus (COVID-19) heeft de mondelinge behandeling van de zaak op 23 april 2020 middels een telefoonverbinding plaatsgevonden. Daarbij zijn aanwezig geweest

  • -

    de moeder, wegens persoonlijke verhindering vertegenwoordigd door haar advocaat;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    een vertegenwoordigster van de raad.

De rechtbank verwijst naar hetgeen in de beschikking van 14 augustus 2019 is overwogen en beslist.

2. Verslag anaCare, weergave kindgesprek, nadere standpunten van partijen en advies raad

2.1

Blijkens het eindverslag Begeleide Omgangsregeling (BOR) heeft de (tussentijds verlengde) BOR II plaatsgevonden in de periode januari 2019 tot en met januari 2020. Tevens werd in juli 2019 met instemming van de ouders een ONS-traject opgestart. In het eindverslag komt anaCare tot de conclusie dat zij geen zorgen ziet in de omgang tussen de vader en [minderjarige]. Er is sprake van een plezierig en wederkerig contact. Vader sluit goed aan bij de behoeftes en wensen van [minderjarige]. AnaCare heeft daarentegen grote zorgen over de rol van de moeder, die [minderjarige] fysiek brengt en haalt, maar daar niet achter lijkt te kunnen staan. Het verleden en angsten van moeder die ze niet met vader wil delen, lijken het maken van een gezamenlijke regeling voor [minderjarige] in de weg te staan. Hiermee doet de moeder zichzelf en vooral [minderjarige] te kort. De moeder wil graag de regie en controle houden en accepteerde maar moeizaam de regie van anaCare. [minderjarige] en de vader hebben daardoor geen contact zonder begeleiding kunnen hebben. Ook communicatie tussen ouders is onvoldoende op gang gekomen. De vader is erg volgzaam in de communicatie met de moeder, laat zich leiden in de angst om [minderjarige] niet meer te kunnen zien. In de ogen van moeder hebben de jeugdzorgwerkers van anaCare en vader het niet goed gedaan, het ontbreekt haar aan enige zelfreflectie. Een herhaalde poging om een structureel contact tussen [minderjarige] en zijn vader op te starten lijkt daarmee verloren te gaan. [minderjarige] wordt voor en na de omgang belast met volwassenenproblematiek. [minderjarige] zou bang zijn om dingen met vader te bespreken, wil geen omgang zonder begeleiding. In de omgang tussen [minderjarige] en vader wordt dit niet waargenomen. [minderjarige] dreigt hiermee in een loyaliteitsconflict terecht te komen. AnaCare adviseert moeder hulp te zoeken voor haar angsten, omdat [minderjarige] een moeder nodig heeft die hem ondersteunt in het contact met zijn vader. [minderjarige] moet zien, voelen en horen dat het goed is als hij contact heeft met zijn vader.

AnaCare komt tot de conclusie dat een structureel contact tussen [minderjarige] en zijn vader zonder begeleiding dient te worden vastgelegd. Wanneer dat niet via de rechtbank kan, wordt gezien de inzet van vele eerdere trajecten een beschermtafel overwogen.

2.2

De vader heeft in een schriftelijke reactie op het eindverslag BOR verklaard dat hij het eens is met het overgelegde eindverslag. Hij hoopt dat de rechtbank spoedig een beslissing zal nemen over de voortgang. Hij heeft [minderjarige] voor het laatst tijdens de laatste begeleide omgang op 20 januari 2020 gezien, omdat de moeder daarna niets meer met de vader wilde afspreken over contact tussen de vader en [minderjarige]. De moeder heeft tegen de vader gezegd dat het hier nu stopt. De vader hoopt daarom op spoedige behandeling van de zaak, omdat [minderjarige] het niet zou kunnen begrijpen als hij de vader weer lange tijd niet zou zien.

2.3

De moeder heeft in een schriftelijke reactie op het eindverslag BOR verklaard dat zij van mening is dat zij aan alles meewerkte, maar dat anaCare en de vader zich niet aan de regels hielden. Het is niet de moeder die de BOR heeft gestopt, maar anaCare die niet wil verlengen. De moeder vindt dat dat in het verslag niet correct is weergegeven. Het is de vader die niet wil communiceren, waardoor het BOR traject en het traject ONS om de communicatie te verbeteren zijn gestopt. De ouders zijn niet nader tot elkaar gekomen met betrekking tot de oudercommunicatie en de vader neemt niet zelfstandig zijn rol op als opvoeder, maar moet voortdurend gestimuleerd worden en aan de hand genomen worden door de omgangsbegeleidster. [minderjarige] gaf steeds vaker aan dat hij de manier van omgang niet prettig vond, niets over vader weet, alles moet vragen en zich niet veilig voelt. Het is [minderjarige] die aangeeft wel omgang te willen met de vader, maar begeleid en beperkt. Het zou goed zijn als de vader dit als uitgangspunt zou nemen, maar hij weigert dat.

Als begeleide omgang geen resultaat geeft, kan onbegeleide omgang nooit een optie zijn volgens de moeder. [minderjarige] zit klem en zal nog meer klem en beschadigd raken als er onbegeleide omgang wordt toegewezen, zeker nu de oudercommunicatie niet vlot kan worden getrokken.

2.4

De kinderrechter heeft de minderjarige [minderjarige] op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Bij het kindgeprek met de toen net negenjarige [minderjarige] bleef op zijn uitdrukkelijk verzoek zijn kinderpsycholoog aanwezig. Zij gaf aan dat [minderjarige] gesprekken met haar heeft als hij niet lekker in zijn vel zit en dat zij de tekst van de bij het verzoek ingesloten brief van 24 juni 2019 op dictaat van [minderjarige] had genoteerd. Ter zitting heeft de kinderrechter de inhoud van het gesprek (grotendeels zakelijk) weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. Kort weergegeven heeft [minderjarige] het volgende verklaard. De brief waarin [kinderpsycholoog] (noot (kinder-)rechter: de voornaam van de kinderpsycholoog bij Stichting Kinderleven) heeft opgeschreven wat hij vond komt hem niet meer bekend voor, omdat dat van lang geleden is en er wel dingen veranderd zijn. Vroeger vond hij dat de rechter in plaats van zijn vader te verdedigen ook eens een keertje zijn moeder moest verdedigen, maar dat vindt hij nu niet meer. Vroeger wilde hij maar een keer in de maand contact met papa en nu een keer per twee weken, maar wel onder begeleiding. Hij wil niet zonder begeleiding, niet naar het huis van zijn vader en ook niet bij hem slapen, omdat hij hem niet vertrouwt. Hij vertrouwt papa niet omdat die weggelopen was toen hij nog klein was en niets meer van zich liet horen tot hij vier jaar was. [minderjarige] wil een begeleider erbij omdat die dan kan helpen als er iets gebeurt. [minderjarige] heeft geen idee wat er kan gebeuren. “Vroeger dacht ik dat hij me mee kon nemen, dat denk ik niet meer, dat doet hij niet.” [minderjarige] geeft aan dat papa weinig vragen stelt en dat hij niets van hem weet. Hij vindt het raar dat papa niks aan hem vraagt buiten de omgang, bijvoorbeeld hoe het met [minderjarige] gaat als hij ziek is. [minderjarige] geeft dan aan dat hij met papa allemaal sjieke dingen doet, dat ze elkaar een knuffel geven en dat ze samen spelen en springen, een beetje praten, wat drinken en dan afscheid nemen. Samen zijn ze op verschillende plekken geweest, met [medewerker AnaCare] (noot rechter: medewerkster van anaCare) erbij. Hij wil zijn vader wel vragen stellen, maar als hij vragen heeft moet hij telkens heel veel weken wachten en dan is hij de vragen alweer vergeten. [minderjarige] vertelt dat mama bozig is als ze een gesprek heeft gehad met papa en dat ze dan niet zegt dat ze boos is, maar dat het geen leuk gesprek was. Hij vraagt zich dan af of papa niet leuk heeft gedaan tegen mama. Hij wil graag dat mama blij is. [minderjarige] zegt dat hij snapt dat hij niet de baas is over de manier waarop het contact met papa geregeld wordt en dat de rechter beslist als papa en mama het niet eens worden. Als hij zelf mocht beslissen zou hij bij mama wonen en papa twee keer in de maand willen zien met een begeleider. Hij wil graag beter leren praten met papa, met [medewerker AnaCare] erbij, en geeft dan aan “Iets houdt me tegen, ik weet niet waarom. Ik heb vragen en wil beter leren praten. Ik weet niet of papa en mama nog dingen aan het doen zijn om beter te kunnen praten”.

2.5

De vader, bijgestaan door zijn advocaat, heeft ter zitting verklaard dat hij [minderjarige] sinds 20 januari 2020 niet meer heeft gezien, wat heel triest is, nu het verslag van anaCare laat zien dat [minderjarige] het leuk heeft met de vader. Dat verslag geeft goed weer wat er is gebeurd. AnaCare zag dat het heel goed gaat tussen [minderjarige] en de vader, maar zag ook, toen de moeder op het laatst bij de omgang bleef, het gedrag van [minderjarige] op een zorgwekkende manier veranderen, zoals te lezen is in het verslag. Het probleem is dat de moeder geen onbegeleide omgang wil. Om de moeder tegemoet te komen heeft de vader, die net over de grens in [land] woont, zelfs voorgesteld om de omgang telkens twee uur hier bij zijn ouders te laten plaatsvinden, maar het antwoord was: alleen begeleid. De vader heeft verdere mogelijkheden nagevraagd bij anaCare, maar die blijven bij hun conclusie. AnaCare vindt dat er geen zorgen zijn waardoor de omgang begeleid zou moeten plaatsvinden. Sinds 20 januari 2020 deed de moeder niks meer en daarna gebruikte ze de coronacrisis als excuus, waarop de vader recentelijk heeft voorgesteld om het contact via skypegesprekken te laten plaatsvinden, maar daar reageert de moeder niet op. De vader mag van de moeder geen foto’s van [minderjarige] maken en hebben omdat de moeder bang is dat hij daarmee gaat pronken. Daar heeft de vader zich aan gehouden, maar het betekent dat hij nu niet eens een foto heeft om naar te kijken en aan anderen te laten zien, niet om te pronken, maar omdat hij trots is op zijn zoon. Hij mag hem van de moeder ook geen berichtjes sturen, zoals [minderjarige] graag wil en krijgt zijn telefoonnummer niet. De vader heeft alleen het e-mailadres van de moeder zelf gekregen. De moeder heeft in januari inderdaad bij anaCare aangegeven dat ze wilde doorgaan met het ONS-traject, maar daarop is door anaCare gezegd dat het traject ophoudt, nu de moeder vindt dat anaCare en de vader het niet goed doen. De moeder heeft tegen de vader gezegd dat ze met tegenzin aan het ONS-traject mee werkte. Er moet nu snel iets gebeuren, want [minderjarige] en de vader hebben elkaar nodig en de vader wil samen met [minderjarige] gewone dingen kunnen doen. De vader vindt structureel regelmatig contact nu belangrijker dan meteen de omvang zoals verzocht. De vader ziet geen heil in weer begeleide omgang, omdat de enige reden daarvoor zou zijn dat moeder geen onbegeleide omgang wil, terwijl dat niet het criterium is. Er zijn geen zorgen over de omgang en de veiligheid van [minderjarige]. De vader verzoekt om desnoods de raad een onderzoek te laten doen, waarbij wordt gekeken in hoeverre [minderjarige] door de moeder wordt belast met volwassenenproblematiek en of een kinderbeschermingsmaatregel wellicht aangewezen is. Het is niet [minderjarige] die geen vertrouwen in de vader heeft, het is enkel moeder die geen vertrouwen heeft.

2.6

De advocaat van de moeder heeft ter zitting verklaard dat in deze zeer lang lopende zaak al veel mogelijkheden zijn benut door het inzetten van het Axiehuis, Humanitas, Plinthos, Mutsaersstichting en nu anaCare. De hoop van de moeder was gericht op het ONS-traject, dat niet is afgerond omdat de begeleider van anaCare niet verder wilde met de moeder, terwijl de moeder het traject juist wilde afmaken om verder te komen in de communicatie met de vader. De advocaat van de moeder kreeg ook van anaCare te horen dat het BOR traject was afgerond en dat er geen verdere mogelijkheden meer waren. De moeder had een klacht ingediend tegen anaCare bij de vertrouwenspersoon van het AKJ, die niet positief was afgelopen, maar toen wilde de begeleider van anaCare niet meer door. [minderjarige] heeft er ook moeite mee dat er geen communicatie is tussen zijn ouders. Hij heeft het gevoel dat hij zijn vader niet goed kent. De moeder wil specifiek begeleide omgang omdat [minderjarige] dat aangeeft, ook tijdens het kindgesprek. Er is met verschillende instanties overlegd om opnieuw een BOR te regelen, maar die wilden dat niet doen omdat [minderjarige] nierpatiënt is. Daarom is het stil blijven liggen en niet van de grond gekomen sinds januari. De vader heeft in maart voorgesteld om iedere zaterdag gedurende twee uur onbegeleide omgang te laten plaatsvinden, maar dat wil de moeder niet. Van een keer per maand naar elke week is veel te vaak en daarvoor zou de moeder zich vanwege haar eigen agenda in alle mogelijke bochten moeten wringen. Ook het voorstel van de vader om de omgang bij zijn ouders te laten plaatsvinden wil de moeder niet, omdat zij een vervelende historie met de ouders van de vader heeft. Het voorstel van de vader voor een skypegesprek werd pas de week voor de zitting gedaan. Daar staat de moeder niet voor open, omdat zij geen mobiele telefoonnummers met de vader wil uitwisselen. Als de vader iets aan [minderjarige] wil laten weten, kan hij mailen naar het e-mailadres van de moeder.

Ook als skypen via het e-mailadres mogelijk zou zijn, wil de moeder dat niet, omdat ze dan ondanks haar geheime adres toch een inkijkje in haar woning zou geven en ze bang is dat er dan foto’s worden gemaakt. De moeder wil niet dat de vader foto’s van [minderjarige] heeft, omdat hij dat in het verleden heeft misbruikt.

De moeder is best bereid om de omgang weer op te bouwen, maar niet onbegeleid. De moeder zal meewerken als de rechtbank een nieuwe BOR oplegt, of in het vrijwillig kader, maar dan met een andere organisatie. De moeder zou willen dat er een raadsonderzoek plaatsvindt, zodat zij inzicht krijgt in de thuissituatie van de vader, omdat nu totaal niet bekend is of het veilig is bij de vader. Begeleiding van overdracht door Humanitas is voor de moeder ook geen optie, omdat ze geen goede ervaringen heeft met Humanitas.

2.7

De raad heeft verklaard dat uit het verslag van anaCare blijkt dat de begeleide contacten tussen [minderjarige] en de vader goed zijn verlopen. De moeder heeft heel veel aantekeningen gemaakt bij de verslagen over de omgangscontacten, maar de raad gaat ervan uit dat de begeleiding bij anaCare in de verslaglegging heeft opgeschreven wat ze hebben gezien. [minderjarige] had in het begin aangegeven dat hij er behoefte aan had dat zijn vader vragen aan hem stelde en daar is de vader mee aan de slag gegaan. Er zijn leuke en ontspannen contacten geweest. In het begin was het wennen voor [minderjarige] omdat hij zijn vader na de vorige BOR alweer meer dan een half jaar niet had gezien. Tijdens uitstapjes had [minderjarige] het erg naar zijn zin. Een aantal keren is het de ouders gelukt om de overdracht prettig en ontspannen te laten verlopen en dat is een compliment waard. Het deed [minderjarige] zichtbaar goed. Van de kant van de moeder wordt gezegd dat zij de vader niet kent en geen vertrouwen heeft in de vader en [minderjarige] ook niet. Dat is niet gek als je elkaar jaren niet gezien hebt, maar je leert elkaar nu juist kennen door contact met elkaar te hebben. In november was een kentering te zien. De moeder groet niet meer en terwijl het contact tussen [minderjarige] en de vader fijn loopt, laat hij bij het weggaan ineens heel ander gedrag zien. Het ONS-traject is niet gelukt. Het blijkt voor de ouders erg lastig om met elkaar in gesprek te gaan. AnaCare ziet geen zorgen over het contact tussen [minderjarige] en de vader. De raad ook niet. Er moet heel snel weer contact komen tussen [minderjarige] en de vader.

Het is heel slecht voor [minderjarige] dat het contact nu alweer een tijd stil ligt. Daardoor wordt het vertrouwen van [minderjarige] in de vader weer beschaamd, terwijl de vader daarin niets te verwijten valt. De begeleide omgang en het ONS-traject bij anaCare zijn tot een einde gekomen door het ontbreken van vertrouwen en het indienen van een klacht door de moeder. De moeder zegt nu wel dat zij wilde dat de BOR verder liep, maar ze heeft daarin geen stappen ondernomen. Als het doorlopen van de omgang, al was het maar begeleid, voor de moeder belangrijk was geweest, dan had zij zich ook moeten inspannen hoe dat geregeld kon worden. En in de tussentijd had [minderjarige] ook al lang met de vader telefonisch of skypecontact kunnen hebben. Daarvoor had de moeder naar de vader kunnen bellen. Als de moeder de privacy in haar woning wil bewaken kan ze dat heel eenvoudig doen door tijdens een skype-contact bijvoorbeeld een doek te hangen voor alles wat herkenbaar is in haar huis. Er zijn mogelijkheden genoeg om op een andere manier contact te hebben. Als de ouders niet kunnen communiceren, moet er worden in gezet op solo parallel ouderschap, bijvoorbeeld via Kinderen uit de Knel (KudK). Daarvoor zijn de ouders nu zelf aan zet. De raad ziet geen meerwaarde in een raadsonderzoek. Uit de rapportages van de BOR is gebleken dat er onbegeleide omgang kan zijn. De belemmering bestaat tussen de ouders. Een raadsonderzoek zou dat ook uitwijzen. Een raadsonderzoek zou ook uitwijzen dat [minderjarige] omgang met zijn vader nodig heeft en dat die snel moet worden ingevuld. Er is al vanaf januari geen contact meer, terwijl dat wel mogelijk was. Het is voor [minderjarige] nu nodig om de contacten met de vader onbegeleid voort te zetten. Als er door de rechtbank al gedacht zou worden aan enige vorm van begeleiding omdat [minderjarige] dat zelf aangeeft, dan stelt de raad een korte periode met de lichtste vorm van begeleiding voor bij de overdracht door Humanitas.

3 Verdere beoordeling

3.1

De rechtbank onderschrijft het advies van de raad en de gronden waarop dat berust en maakt deze gronden na eigen onderzoek tot de hare, behoudens voor zover de rechtbank daarvan hierna uitdrukkelijk afwijkt.

3.2

Recht van [minderjarige] op omgang met zijn vader

Zoals in de beschikking van 30 november 2018 werd overwogen heeft een kind ingevolge het bepaalde in artikel 1:377a BW recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat en stelt de rechtbank op verzoek van een ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast, dan wel ontzegt de rechtbank het recht op omgang. Dat laatste doet de rechtbank slechts in uitzonderlijke gevallen.

Nu de moeder omgang tussen [minderjarige] en de vader, zij het beperkt en begeleid, in het belang van [minderjarige] acht en niet is gebleken van een ontzeggingsgrond zoals bedoeld in voornoemd artikel 1:377a BW, ligt het zelfstandig verzoek van de moeder om de vader omgang te ontzeggen voor afwijzing gereed.

De stellingen van de moeder komen er kort gezegd op neer dat zij wel wil meewerken aan begeleide omgang, maar niet aan onbegeleide omgang, omdat dat laatste zou leiden tot ernstige beschadiging van [minderjarige], die de vader niet goed kent en niet vertrouwt, en die telkens aangeeft dat hij alleen begeleide en beperkte omgang met de vader wil. Die wens van [minderjarige] dient volgens de moeder door de vader te worden gerespecteerd en uitgangspunt te zijn bij het vaststellen van omgang tussen [minderjarige] en de vader.

Naar het oordeel van de rechtbank is duidelijk geworden dat [minderjarige] graag contact heeft met de vader, dat de vader tijdens de begeleide omgang heeft laten zien dat hij inmiddels goed kan aansluiten bij de behoeftes van [minderjarige], dat ze samen “sjieke” dingen doen, dat ze het fijn vinden om bij elkaar te zijn, dat [minderjarige] de nabijheid van de vader opzoekt en dat de veiligheid van [minderjarige] tijdens de omgang met de vader niet in het geding is. In de loop van de contacten bleek ook dat [minderjarige] nieuwsgierig is naar zijn vader. Zo gaf hij aan dat hij buiten de omgang graag met de vader wil appen, vroeg hij of hij bij de vader thuis mag komen en vroeg hij ook naar zijn twee broers bij de vader, van wie hij graag foto’s wilde zien. Die nieuwsgierigheid blijkt ook uit de opmerking van [minderjarige] bij de kinderrechter, dat hij vragen heeft voor de vader, maar dan zo lang moet wachten dat hij ze weer vergeet.

3.3

Vader mag zijn recht op omgang in de praktijk meer opeisen

Wat betreft de rol van de vader maakt de verslaglegging van anaCare ook zichtbaar dat de vader erg volgzaam is in de dynamiek tussen hem en de moeder, uit angst om het contact met [minderjarige] te verliezen. Een schrijnend voorbeeld daarvan is dat de vader zelfs geen foto van [minderjarige] durft te maken, omdat de moeder hem dat verboden heeft, terwijl de moeder dit in redelijkheid niet kan verlangen van de vader. Net zoals de vader zich pas na toestemming van de omgangsbegeleidster vrij voelt om in te gaan op de vraag van [minderjarige] om foto’s van zijn broers te mogen zien. Het is in het belang van [minderjarige] dat de vader stopt met deze terughoudende opstelling. Als de vader een voorbeeld voor [minderjarige] wil zijn moet hij in de omgang met [minderjarige] helder en duidelijk zijn vaderrol invullen en zo mogelijk zich daarnaast onder begeleiding van hulpverlening krachtig inzetten voor verbetering van de communicatie met de moeder van [minderjarige]. Dat is van groot belang voor de ontwikkeling van [minderjarige].

3.4

Begeleide omgang geen meerwaarde

De rechtbank verwerpt de stelling van de moeder dat onbegeleid contact tussen [minderjarige] en de vader zal leiden tot ernstige beschadiging van [minderjarige]. Het is juist het ontbreken van de intrinsieke toestemming van de moeder die leidt tot ernstige belasting van [minderjarige], wat in de toekomst kan leiden tot (ernstige) psychische schade bij [minderjarige]. Door haar handelwijze ondermijnt de moeder de totstandkoming van structureel en onbelast contact tussen [minderjarige] en de vader. Moeder beïnvloedt [minderjarige] bewust of onbewust, direct en indirect zodanig dat hij klem is komen te zitten tussen zijn ouders en zich niet vrij voelt tot een onbevangen contact met de vader, laat staan dat hij leuke ervaringen bij zijn vader durft te delen met zijn moeder.

Het wordt hoog tijd dat [minderjarige] en de vader met vaste regelmaat van elkaars nabijheid kunnen genieten, elkaar beter leren kennen en dat [minderjarige] ook de leefwereld van de vader leert kennen. Begeleiding zou er enkel toe dienen dat [minderjarige] gerust gesteld wordt omdat hij er op die manier voor kan zorgen dat zijn moeder gerust is als hij naar de vader gaat, maar daar is begeleide omgang niet voor bedoeld. Het is verontrustend dat de moeder haar eigen aandeel hierin niet ziet.

Gezien het voorgaande en gezien de stand van zaken na twee keer opleggen en verlengen van een BOR is het aangewezen om eindelijk een onbegeleide omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen.

Een onderzoek door de raad naar de veiligheidssituatie bij de vader acht de rechtbank niet aangewezen bij gebreke van onderbouwing van de noodzaak daartoe zijdens de moeder, terwijl er ook anderszins geen aanwijzingen zijn dat verblijf bij de vader niet veilig is voor [minderjarige]. Daarom wordt aan de wens van moeder tot een onderzoek voorbij gegaan.

3.5

Verplichting moeder omgang tussen [minderjarige] en zijn vader te bevorderen

Op grond van haar gezag over [minderjarige] rust op de moeder, zoals bepaald in artikel 1:247 derde lid Burgerlijk Wetboek (BW), de verplichting om de ontwikkeling van de banden van haar zoon met zijn vader te bevorderen.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat niet gebleken is dat er een gegronde reden bestaat waarom de moeder deze verplichting niet hoeft na te komen. De rechtbank komt tot de conclusie dat de moeder deze wettelijke verplichting desondanks met voeten treedt.

De moeder heeft bij anaCare onder meer aangegeven dat ze de vader niet kent en dat hetzelfde geldt voor [minderjarige], dat beiden de vader niet vertrouwen en dat zij vanuit het verleden angsten heeft, die ze echter niet met de vader wil bespreken. Gezien de hele context bedoelt de moeder hier kennelijk mee dat zij en [minderjarige] wel weten wie de vader is, maar hem niet echt kennen, wat bij de moeder en bij [minderjarige] leidt tot wantrouwen jegens de vader. Dat is op zichzelf mogelijk, maar het had op haar weg gelegen daar handen en voeten aan te geven in het kader van de BOR en het ONS-traject en daar ook zelf werk van te maken in het belang van [minderjarige] door hulp te zoeken bij een zorgprofessional. Uit het eindverslag van anaCare blijkt dat er in maart en april 2019 sprake is geweest van positieve overdrachtssituaties, waarin de ouders in het bijzijn van [minderjarige] rustige contacten hadden, die voor [minderjarige] ontspannen verliepen, wat hoopvol stemde.

Nergens blijkt uit dat de moeder zich daarvóór of daarna concreet heeft ingespannen om zelf de vader beter te leren kennen of om [minderjarige] zijn vader beter te laten leren kennen met het doel zo het vertrouwen op te kunnen bouwen dat de moeder nodig heeft om [minderjarige] met een gerust hart naar de vader kunnen laten gaan. De moeder blijft daarentegen hangen in het diskwalificeren van de inspanningen van de vader en de omgangsbegeleiders in plaats van eerst kritisch te kijken naar haar eigen rol en houding en het effect daarvan op [minderjarige]. Uit de uitvoerige commentaren die de moeder heeft geschreven bij de verslagen van anaCare blijkt dat de moeder veel, zo niet alle controle wil hebben over wat er tijdens de begeleide omgang gebeurt. Ze verlangt op enig moment zelfs dat anaCare in de verslagen de (interesse-) vragen en antwoorden tussen de vader en [minderjarige] precies weergeeft, zodat zij die kan nalezen. De uitvoerige commentaren van de moeder bevestigen het beeld van anaCare dat de moeder [minderjarige] voor en na de omgangsmomenten uitvraagt en instrueert. De last die dat voor [minderjarige] betekent, laat zich raden. Duidelijk is dat de moeder de insteek heeft dat er enkel sprake kan zijn van een beperkte, begeleide en door haar volledig gecontroleerde omgang. De moeder hamert erop dat dat de wens van [minderjarige] is en dat die wens ook uitgangspunt moet zijn voor de vader. De rechtbank volgt de moeder daar niet in. Het is niet aan jonge kinderen zoals [minderjarige] om te bepalen of, hoe en in welke mate zij contact hebben met de andere ouder. Die verantwoordelijkheid is veel te zwaar voor jonge kinderen en dus ook voor [minderjarige]. Deze verantwoordelijkheid kan en mag niet op zijn jonge schouders rusten. Door [minderjarige] het idee te geven dat de vader alleen op deze wijze omgang met [minderjarige] mag hebben gaat de moeder volledig voorbij aan de behoeftes van de jonge [minderjarige]. Daarmee gaat ze ook voorbij aan wat goed is voor zijn (identiteits-)ontwikkeling en brengt ze hem in een loyaliteitsconflict. Enerzijds wil [minderjarige] niets liever dan dat de moeder blij is en geeft hij volhardend aan dat hij enkel beperkte en begeleide omgang wil. Anderzijds geniet [minderjarige] zichtbaar van de contacten met de vader, geeft hij al heel snel aan dat hij de omgangsmomenten te kort vindt en zijn vader langer wil zien, is hij nieuwsgierig naar de vader en ook naar zijn broers, geeft hij aan dat hij graag wil appen met de vader en vraagt hij of hij bij de vader thuis mag komen. [minderjarige] kan het vervullen van zijn behoeftes niet combineren met de eis van zijn moeder dat hij met zijn vader alleen begeleide omgang mag hebben. Zo zit hij overduidelijk klem tussen zijn ouders. Hij is loyaal aan zijn moeder en heeft de oprechte wens ook loyaal te kunnen zijn aan zijn vader. De goedkeuring die hij zo graag hoort van zijn moeder, die hij tegelijk zo graag blij wil zien, ontbreekt. Het is in dit verband niet geruststellend dat enkele maanden nadat [minderjarige] als negenjarige een gesprek met de kinderrechter had, uit het eindverslag van anaCare blijkt dat [minderjarige] bijna een jaar eerder, in januari 2019 tijdens zijn eerste gesprek bij anaCare, als achtjarige jongen kennelijk de noodzaak voelde om aan de medewerker van anaCare ook al een brief te overhandigen die hij samen met dezelfde kinderpsycholoog geschreven had.

Het is de moeder ernstig aan te rekenen dat zij [minderjarige] belast met haar eigen gevoelens van wantrouwen jegens de vader, [minderjarige] op deze manier opzadelt met een onjuist en verwrongen vaderbeeld en hem de mogelijkheid onthoudt zelf een beeld van zijn vader te vormen en onbelast en onbevangen met zijn vader een band op te bouwen. Schrijnend is het om bijvoorbeeld in het verslag van het kindgesprek bij anaCare d.d. 3 juli 2019 te lezen:

[minderjarige] geeft aan papa niet voor 100% te vertrouwen. Op de vraag hoe dit komt geeft [minderjarige] aan dat papa dan liever tegen mama moet doen; Op de vraag of [minderjarige] dit dan gezien of gehoord heeft, geeft [minderjarige] aan, nee dat zegt mama, maar dit mag ik niet zeggen van mama; Even later vraagt [minderjarige] om naar het toilet te mogen, in de gang vraagt hij snel aan mama wat hij mag zeggen, mama zegt dat hij alles mag zeggen”;

en in de rapportage van de omgang op dezelfde dag:

[minderjarige] vertelt dat moeder eerder heeft aangegeven dat het goed was dat vader en [minderjarige] app contact hebben. Vader geeft aan dat hij dat met mama zal bespreken. Vader benoemt dat [minderjarige] hem alles mag vragen wat hij wil. [minderjarige] vertelt dat hij het niet leuk vindt dat de rechter bepaalt dat hij hele weekenden en hele vakanties naar vader moet. Ik neem over en vraag wat [minderjarige] hiermee bedoelt. [minderjarige] vertelt dat de rechter over zijn leven beslist en hem niet kent. [minderjarige] benoemt dit niet leuk te vinden. Vader geeft aan dat [minderjarige] altijd mag aangeven wat hij wel en niet wil en dat vader hem niet zal dwingen. Vader geeft aan het belangrijk te vinden wat [minderjarige] wil in het contact met vader. [minderjarige] vraagt of hij bij vader thuis mag komen. Vader geeft aan dat hij dit met mama zal bespreken en hier nu geen antwoord op kan geven. [minderjarige] geeft aan dit te begrijpen. [minderjarige] vertelt dat hij in de auto met moeder gesproken heeft over de rechter die hem dwingt om hele weekenden en vakanties naar vader te gaan. [minderjarige] vertelt dat het niet klopt wat hun zeggen. Ik vraag [minderjarige] wat hij bedoelt. [minderjarige] zegt dat moeder hem niet influistert wat hij moet zeggen. Ik vraag wie [minderjarige] met hun bedoelt [minderjarige] geeft aan die vorige instelling waar ik papa gezien heb

Het wordt hoog tijd dat de moeder stopt met het bewust of onbewust overbrengen op [minderjarige] van haar eigen (onveiligheids-)gevoelens jegens de vader, waarmee zij [minderjarige] belast en hem verantwoordelijk maakt voor haar onvermogen of onwil om de vader te (leren) vertrouwen in zijn contact met [minderjarige]. Het wordt ook hoog tijd dat de moeder ermee stopt bij voorbaat bij [minderjarige] de indruk te laten bestaan dat de schuld van een mogelijke -door haar kennelijk gevreesde- onbegeleide omgang ligt bij de vader, dan wel bij (medewerkers van) hulpverleningsinstellingen dan wel bij de rechter. Haar verantwoordelijkheid jegens [minderjarige] vereist dat zij deze situatie doorbreekt en daarbij zo nodig professionele hulp zoekt voor zichzelf.

De moeder stelt dat zij in januari 2020 door wilde gaan met begeleide omgang en met het ONS-traject, maar heeft dat tegenover de gemotiveerde betwisting door de vader en het eindverslag van anaCare niet aannemelijk gemaakt. Beide projecten zijn door anaCare wegens onvoldoende wederzijds vertrouwen afgerond nadat de moeder een klacht indiende en anaCare tot de conclusie was gekomen dat de tijd rijp is voor onbegeleide contacten. Uit niets blijkt dat de moeder voortzetting van de contacten tussen [minderjarige] en de vader écht belangrijk vindt. Evenmin blijkt dat de moeder zich ook maar op enig moment daadwerkelijk heeft ingespannen om contact tussen [minderjarige] en de vader mogelijk te blijven maken. Moeder weigert eenvoudigweg mee te werken aan structurele omgang tussen [minderjarige] en de vader. Dat deed de moeder na de eerste BOR, waardoor [minderjarige] -die na zeer lange tijd zijn vader acht keer begeleid had gezien- zijn vader vervolgens weer ruim een half jaar niet meer zag, wat [minderjarige] niet begreep en waardoor de vader hem ongewild teleurstelde. En dat gebeurt nu weer. Na 20 januari 2020 heeft de moeder alle voorstellen van de vader tot behoud van het contact met [minderjarige], in welke bescheiden vorm dan ook, afgewezen dan wel er helemaal niet op gereageerd. Zelfs skypen -wat ook mogelijk is via het uitwisselen van e-mailadressen- bleek voor de moeder geen optie. De rechtbank wijst de moeder er in dit verband nog op dat de Corona-uitbraak geen argument biedt om contacten tussen de vader en [minderjarige] te blokkeren. De stelling van de moeder dat zij na januari 2020 alles in het werk gesteld heeft om begeleide omgang bij andere organisaties van de grond te krijgen en dat dat niet gelukt is vanwege de nierziekte van [minderjarige] heeft ze niet met bescheiden gestaafd en neemt de rechtbank ook niet serieus gelet op haar houding tegenover anaCare kort daarvoor en de uitlatingen die de moeder tegen de vader deed. Belangrijker nog, deze gestelde inspanningen zijn niet relevant, nu [minderjarige] behoefte heeft aan en recht heeft op onbegeleid contact met zijn vader.

3.6

Verplichting rechter omgang tussen kind en ouder te bevorderen

De Hoge Raad, de hoogste rechter in Nederland, heeft beslist dat de rechter alles in het werk moet stellen om te bevorderen dat de omgang tussen het kind en de ouder die niet zijn hoofdverzorger is, daadwerkelijk tot stand komt en in stand blijft. De rechtbank verwijst daartoe naar de beschikking van 17 januari 2014 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2014:91). In dat arrest wordt onder meer het volgende overwogen:

“Indien de rechter de gronden welke de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, dient hij op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. Deze gehoudenheid berust op de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken (vgl. EHRM 17 april 2012, zaak 805/09).(…) Van de rechter kan temeer een actieve opstelling worden verlangd naarmate voor de weigering van de met het gezag belaste ouder minder — of zelfs geen — goede en voldoende aannemelijk gemaakte gronden worden aangevoerd.”

en

“Niet uitgesloten is dat de aanwending door de rechter van de hem ten dienste staande dwangmiddelen onder bijzondere omstandigheden tot gevolg heeft dat de omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind of anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind, een en ander als bedoeld in art. 1:377a lid 3, aanhef en onder a respectievelijk d, BW. Het enkele feit dat de met het gezag belaste ouder bezwaren heeft tegen de omgang, is echter niet zo’n omstandigheid en kan derhalve geen grond zijn om de andere ouder en het kind hun recht op omgang met elkaar te ontzeggen. Daarvoor is noodzakelijk dat de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ertoe kan leiden dat het kind klem komt te zitten of verloren raakt tussen de beide ouders als de omgang zou worden afgedwongen, met als gevolg dat de omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.”

De handelwijze van de moeder zoals weergegeven in de overwegingen onder 3.5 is in strijd met het bepaalde in het tweede lid van voornoemd artikel 1:247 BW, waarin staat dat de gezaghebbende ouder in de verzorging en opvoeding van haar kind “geen geestelijk (…) geweld (…) mag toepassen”. De rechtbank kan tot geen andere conclusie komen dan dat de moeder zich daaraan schuldig maakt, zonder zich rekenschap te geven van haar eigen aandeel en de gevolgen voor [minderjarige], met als resultaat dat vader en zoon al jaren niet in staat zijn om elkaar beter te leren kennen en geen structureel (onbegeleid) contact met elkaar kunnen opbouwen en onderhouden.

3.7

Opleggen dwangmiddel teneinde moeder te doordringen van belang meewerken

Het voortduren van deze situatie draagt het risico in zich van vervreemding, het verergeren van onbegrip en teleurstelling bij [minderjarige] over zijn vader, het ontstaan van (ernstige) psychische schade en een verstoorde identiteitsontwikkeling bij [minderjarige]. Nu er geen andere middelen meer zijn om uit de ontstane impasse te komen en de moeder in het belang van [minderjarige] tot een ander inzicht en vooral tot ander handelen te bewegen dienen dwangsommen te worden ingezet. Op die wijze kan gewaarborgd worden dat de moeder alsnog en daadwerkelijk gaat meewerken aan de uitvoering van deze beschikking. Het is aan de moeder om het niet zo ver te laten komen. Op voorhand kan niet worden gezegd dat dit dwangmiddel ernstig nadeel voor de ontwikkeling van [minderjarige] zal opleveren of anderszins in strijd met zijn zwaarwegende belangen zou kunnen zijn.

Nu de moeder alleen is belast met het gezag over [minderjarige] is er geen directe wettelijke basis voor het ambtshalve opleggen van dwangsommen. Maar, het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in een zeer recente uitspraak van 21 april 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:3406) overwogen dat hoewel artikel 1:377a BW, anders dan artikel 1:253a BW, de rechter niet expliciet de bevoegdheid geeft om eventueel ambtshalve een door de wet toegelaten dwangmiddel op te leggen (mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet), dat niet betekent dat het opleggen van zo’n dwangmiddel, indien sprake is van een situatie op grond van artikel 1:377a BW, in het geheel niet mogelijk zou zijn. Uit de hiervoor onder 3.6 reeds aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2014 vloeit bovendien de uitdrukkelijke opdracht aan de rechter voort om -als deze de gronden van de met het gezag belaste ouder om medewerking aan omgang te weigeren ongenoegzaam acht- alle passende maatregelen te nemen om de met gezag belaste ouder er alsnog toe te bewegen om alsnog medewerking te verlenen. In lijn met deze uitspraken van de Hoge Raad en van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en onder verwijzing naar al het overwogene in deze beschikking acht de rechtbank het opleggen van dwangsommen bij niet-nakoming, op de wijze als hierna in het dictum is bepaald, in het belang van [minderjarige]. Bij de huidige stand van zaken is het juist aangewezen dat de rechter ambtshalve dwangsommen oplegt, zodat niet kan worden gezegd dat de vader de oplegging ervan heeft verzocht, waardoor [minderjarige] onbedoeld zou worden belast en waardoor de contacten tussen hem en zijn vader onder druk zouden kunnen komen te staan.

3.8

Omvang omgang en overdrachtsmomenten

Bij het vaststellen van de omvang en frequentie van de omgangsregeling neemt de rechtbank het volgende in overweging. De rechtbank is van oordeel dat het in de gegeven omstandigheden belangrijker is voor [minderjarige] dat hij zijn vader met vaste regelmaat ziet dan dat hij om de week een heel weekend en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij de vader is, zoals verzocht. De rechtbank zal een opbouwregeling bepalen die zij in het belang van [minderjarige] aangewezen acht. De rechtbank acht de tijd nog niet rijp voor het bepalen van extra omgang gedurende de vakanties, zodat ook dan de reguliere regeling zal gelden. Uiteraard staat het de ouders in de toekomst vrij om, indien zij in staat zijn tot onderling overleg, schriftelijk afspraken te maken over uitbreiding van de reguliere omgang en de omgang gedurende vakanties en feestdagen. Gezien de voor [minderjarige] aan het eind van de BOR door de ontbrekende communicatie tussen de ouders zeer belastend gebleken overdrachtsmomenten, moet geborgd worden dat er voorlopig geen overdrachtsmomenten zijn waarbij beide ouders aanwezig zijn. Dat betekent dat de rechtbank zal bepalen dat de overdracht moet plaatsvinden via een hulpverleningsinstantie, totdat de ouders in de toekomst in onderling overleg schriftelijk anders overeenkomen. Voor [minderjarige] zou het de voorkeur verdienen als de vaste begeleidster die hij bij anaCare had en in wie hij vertrouwen heeft opgebouwd, de overdracht voor haar rekening zou kunnen nemen. Indien dat niet mogelijk is zal een andere medewerker van anaCare, dan wel Humanitas ingeschakeld moeten worden om de overdracht te realiseren, dan wel een andere door de gemeente aan te wijzen professionele organisatie, indien de gemeente dat aangewezen acht. De moeder dient [minderjarige] op de hierna te bepalen dagen en tijdstippen mee te geven aan en kort na het tijdstip van terugkeer weer te ontvangen op een door de hulpverlenende instantie te bepalen locatie en moment, buiten aanwezigheid van de vader. Zowel het ophalen als terugbrengen door de vader dient plaats te vinden op een door de hulpverlenende instantie in overleg met de vader te bepalen locatie buiten aanwezigheid van de moeder. Deze wijze van overdracht biedt tevens de mogelijkheid voor de hulpverlenende instantie om te observeren hoe [minderjarige] meegaat met en terugkomt van de vader en hoe de interactie verloopt als de moeder hem meegeeft en weer ontvangt.

3.9

Voorwaarden voor moeder om de omgang tussen vader en [minderjarige] te helpen slagen

Zoals hiervoor overwogen dient de moeder [minderjarige] op de hierna te bepalen dagen en tijdstippen mee te geven aan en kort na het tijdstip van terugkeer weer te ontvangen op een door de hulpverlenende instantie te bepalen locatie en moment buiten aanwezigheid van de vader. De moeder dient (1) daarbij aan [minderjarige] in woord en gedrag te laten zien dat zij het goed en fijn voor [minderjarige] vindt dat hij naar zijn vader gaat en bij de vader zal verblijven voor de duur die de rechtbank hierna zal bepalen. Daarbij dient de moeder [minderjarige] bij eventuele weerstand gerust te stellen en hem in dat geval op andere gedachten te brengen en er zodoende daadwerkelijk voor te zorgen dat [minderjarige] meegaat met de persoon die zorgdraagt voor de feitelijke overdracht aan de vader. Ook als [minderjarige] ziek is dient (2) de moeder hem naar de vader te laten gaan en hem over te dragen, tenzij uit een verklaring van een arts blijkt dat [minderjarige] door ziekte op die dag thuis bij de moeder moet blijven. Nu de moeder op een geheim adres in Limburg woont en de vader ten gevolge daarvan niet weet in welke woongemeente hij zich tot het jeugdteam dient te wenden voor een bepaling jeugdzorg ten behoeve van de inzet en bekostiging van begeleide overdracht door hetzij anaCare, hetzij Humanitas, hetzij een andere door de gemeente aan te wijzen professionele organisatie dient (3) de moeder daartoe binnen één week na betekening van deze beschikking contact op te nemen met het jeugdteam van haar woongemeente onder integrale overhandiging van deze beschikking. Indien de moeder haar verplichting onder (3) niet nakomt en daarmee een begeleide overdracht van [minderjarige] naar de vader onmogelijk maakt, zal zij aan de vader per dag tot maximaal 40 dagen een dwangsom verbeuren van € 250,-. Indien de moeder haar verplichtingen onder (1) en/of (2) niet of niet volledig nakomt, zal zij per te bepalen overdrachtsmoment aan de vader een dwangsom van € 250,- verbeuren. De rechtbank zal het totaal aan te verbeuren dwangsommen maximeren op € 10.000,-.

3.10

Werken aan onderlinge communicatie ouders

Het is in deze zaak evident dat [minderjarige] het moeilijk vindt dat er geen communicatie is tussen de ouders. Veelzeggend zijn zijn uitspraken bij de kinderrechter als weergegeven in de laatste zinnen onder 2.4. De ouders zouden [minderjarige] een grote dienst bewijzen als zij deze situatie met gespecialiseerde hulp zouden kunnen doorbreken. De rechtbank is het met de raad eens dat de ouders aan zet zijn om in het belang van onbelast contact van [minderjarige] met de vader te werken aan verbetering van hun onderlinge communicatie. Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank het na alle hulp die in de afgelopen jaren is ingezet in het kader van een (verlengde) BOR III en een (verlengde) BOR II, niet meer aan de orde acht om de zaak nog een keer aan te houden teneinde de ouders in de gelegenheid te stellen deel te nemen het programma Kinderen uit de Knel (KudK). Dat laat echter onverlet dat deelname aan dat programma tot een doorbraak zou kunnen leiden in de communicatie tussen de ouders, wat een zegen zou zijn voor [minderjarige] en voor de ouders. Een eerste voorwaarde voor deelname aan dat programma is evenwel commitment van beide ouders en met name de moeder heeft dat nog niet laten zien. Als het de moeder ernst is met haar stelling dat zij nog steeds bereid is mee te werken aan verbetering van de communicatie met de vader, dan kan ze dat laten zien door met spoed contact op te nemen met het jeugdteam van haar woongemeente ter verkrijging van een bepaling jeugdzorg ten behoeve van deelname met de vader aan het programma KudK. Anders dan de moeder op een eerder moment in deze procedure heeft aangegeven en wellicht nog steeds meent is dat programma niet belastend voor [minderjarige], maar zijn het de ouders die aan de bak moeten. De kinderen worden in een aparte setting professioneel ondersteund en krijgen een stem in wat de strijd van hun ouders voor hen betekent. De ouders moeten in dat programma leren onder ogen zien wat het effect van hun slechte onderlinge verhouding en communicatie is op [minderjarige] en krijgen handvatten aangereikt hoe zij hun gedrag zodanig kunnen veranderen dat het voor [minderjarige] mogelijk wordt om onbelast contact met beide ouders te hebben, zich vrij tussen de ouders te kunnen bewegen en zijn blijheid daarover aan elk van de ouders te kunnen laten zien. Tot slot wijst de rechtbank de ouders erop dat deelname aan KudK ook alleen kan plaatsvinden als de ouders gedurende de hele deelnameperiode geen juridische procedures tegen elkaar voeren, dan wel deze on hold zetten.

De rechtbank geeft de raad in overweging een vinger aan de pols te houden om zo nodig voortvarend een beschermingsonderzoek te kunnen verrichten.

3.11

Voortvarend opstarten van de omgang tussen vader en [minderjarige] noodzakelijk

Om te bewerkstelligen dat de contacten tussen [minderjarige] en de vader, die alweer sinds 20 januari 2020 stil liggen, snel en zonder onderbreking gaan en blijven plaatsvinden wordt de hierna te nemen beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daarmee worden de belangen van [minderjarige] gediend. Gedurende deze bijna vier jaar lopende procedure is gebleken dat de moeder niet meewerkt aan structurele omgang tussen [minderjarige] en de vader en op geen moment bereid is gebleken mee te werken aan onbegeleide omgang tussen [minderjarige] en de vader. Voorkomen moet worden dat het enkele instellen van een rechtsmiddel van de zijde van de moeder de tenuitvoerlegging van deze beslissing gaat blokkeren. Alle belangen afwegend, komt de rechtbank tot de conclusie dat deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad dient te worden verklaard.

3.12

Tot slot zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de gebruikelijke wijze.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1

bepaalt dat de vader, middels overdracht door anaCare dan wel Humanitas dan wel een andere door de gemeente aan te wijzen professionele organisatie, op na te melden dagen en uren omgang kan hebben met zijn minderjarige zoon [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [2010], met ingang van de eerste zaterdag dat voornoemde instantie gereed is om de overdracht te realiseren en wel conform de volgende opbouwregeling:

- in de eerste periode van vier weken: eenmaal per twee weken op zaterdag van 13.00 uur tot 17.00 uur;

- in de volgende periode van vier weken: eenmaal per twee weken op zaterdag van 11.00 uur tot 17.00 uur;

- in de daarop volgende periode van drie maanden: eenmaal per twee weken op zaterdag van 9.00 uur tot 18.00 uur;

- in de daarop volgende periode van drie maanden: eenmaal per twee weken op zaterdag én op zondag van 9.00 uur tot 18.00 uur;

- vervolgens: eenmaal per twee weken van zaterdag 9.00 uur tot zondag 18.00 uur;

4.2

veroordeelt de moeder, indien zij na betekening van deze beschikking in gebreke blijft haar medewerking aan voormelde omgangsregeling te verlenen op de wijze als weergegeven in overweging 3.9, tot betaling aan de vader van een dwangsom van

€ 250,- per dag respectievelijk per bepaald omgangsmoment, tot een maximum van

€ 10.000,- (tienduizend euro) is bereikt;

4.3

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.4

compenseert de proceskosten aldus dat elke partij de eigen proceskosten draagt;

4.5

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C.A. Schreinemakers, rechter tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B.C. Groen-Witvliet, griffier op

5 juni 2020.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:

a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.