Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:3902

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
03-06-2020
Zaaknummer
03.091309.19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens poging tot doodslag door met een revolver in het hoofd te schieten.

Het slachtoffer kwam verhaal halen over een eerdere ruzie waarna de verdachte op hem schoot. De kogel raakte het slachtoffer in het hoofd maar de verwonding bleef beperkt. Mogelijk was er een voor de verdachte intimiderende situatie, maar dat rechtvaardigt niet het schieten; geen noodweer(exces) of putatief noodweer. Wel is de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar doordat hij bij een auto-ongeluk hersenschade heeft opgelopen.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 4 jaar op, waarvan 2 jaar voorwaardelijk, en de verdachte moet zich klinisch laten behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03.091309.19

tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 juni 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

wonende te [adresgegevens verdachte] ,

gedetineerd in P.I. Vught, PPC te Vught.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.J.H.M. de Crom, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 mei 2020. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er na nadere omschrijving, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

Feit 1: heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden door met een vuurwapen een kogel in zijn richting af te vuren, althans een kogel in zijn hoofd te schieten,

Feit 2: een vuurwapen en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide ten laste gelegde feiten bewezen gelet op de aangifte, de camerabeelden, de verklaring van de verdachte en de getuigenverklaringen van [benadeelde] en [getuige 1] .

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van feit 1 een geslaagd beroep op noodweer, noodweerexces c.q. putatief noodweer toekomt en daarom ontslagen zou moeten worden van alle rechtsvervolging. Zij heeft zich gerefereerd ten aanzien van feit 2.

3.3

Het oordeel van de rechtbank 1

De aanleiding

Naar aanleiding van onenigheid tussen spelende kinderen is eerst getuige [getuige 2] verhaal gaan halen bij de woning van de verdachte. Hij heeft bij de voordeur een discussie gehad met de vrouw van de verdachte. Na een aantal minuten mengde de verdachte zich in deze discussie. Vervolgens arriveerden het slachtoffer [slachtoffer] , zijn vrouw [benadeelde] en zijn stiefzoon [getuige 1] bij de woning van de verdachte, ook met de intentie om verhaal te halen over hetgeen tussen de kinderen was gebeurd.

De verklaring van slachtoffer [slachtoffer]

verklaart dat hij op 14 april 2019 naar de woning van de verdachte in Sittard toeging, omdat zijn stiefzoon door deze man zou zijn vastgepakt. Nog voordat hij de verdachte kon aanspreken kreeg hij van de verdachte een trap tegen zijn linkerbeen. Hij keek naar zijn been en daarna weer omhoog. Op dat moment keek hij recht in het pistool dat de verdachte vast had en met gestrekte arm op hem had gericht. Vervolgens schoot de man op hem en werd hij geraakt in zijn gezicht. Hij verloor direct het zicht aan zijn linkeroog. Daarna is hij weggevlucht.2

De verklaring van de verdachte

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij naar aanleiding van de woordenwisseling tussen zijn vrouw en [getuige 2] naar de voordeur is gegaan van zijn woning. Hij heeft zijn wapen gepakt dat bij de voordeur in de meterkast lag. Dit wapen was van zijn vader geweest en had hij een aantal weken ervoor bij zijn moeder meegenomen en bij hem thuis neergelegd. Vervolgens is hij met dat wapen op de personen af gelopen die inmiddels zijn erf hadden betreden, het latere slachtoffer, diens vrouw en diens stiefzoon. Vervolgens heeft hij het slachtoffer eerst getrapt en daarna is het wapen afgegaan. Het slachtoffer is weggegaan en de verdachte heeft hem nagewezen met zijn wapen in zijn hand, omdat hij wilde dat ze weg gingen. Hij wist dat het wapen geladen was toen hij het pakte.3

De camerabeelden

Aan de woning van de verdachte waren camera’s bevestigd. De beelden die deze camera’s hebben opgenomen, zonder geluid, zijn ter terechtzitting getoond De rechtbank heeft hierop het volgende waargenomen.

Een man, naar de rechtbank begrijpt [getuige 2] , komt het perceel van de verdachte op lopen en heeft vervolgens een gesprek met de vrouw van de verdachte bij de voordeur. Er wordt door beiden gewezen en kennelijk geroepen.

Nadat het gesprek een aantal minuten heeft geduurd, loopt [getuige 2] weg van de voordeur in de richting van de straat. Hij wordt op de voet gevolgd door de verdachte, met wie [getuige 2] op dat moment kennelijk in gesprek was. Op dat moment parkeert een auto voor de woning van de verdachte. Daar stapt een drietal personen uit, onder wie het – latere – slachtoffer. Zij lopen het erf van de verdachte op. De verdachte loopt achter [getuige 2] aan, rechtstreeks naar het slachtoffer toe. Daarbij is te zien dat hij in zijn rechterhand een klein voorwerp vast heeft. Uit de hiervoor weergegeven verklaring volgt dat dit het vuurwapen is. Hij houdt dit wapen achter zijn rug als hij het slachtoffer nadert.

Als het slachtoffer en de verdachte elkaar dicht zijn genaderd, trapt de verdachte het slachtoffer tegen zijn been. Direct erna is te zien dat hij met zijn rechterarm en -hand met daarin het wapen wijst in de richting van het slachtoffer. Vervolgens valt kennelijk het schot en is te zien dat iedereen achteruit deinst.

Het slachtoffer en de beide andere personen (naar de rechtbank begrijpt: zijn vrouw en zijn stiefzoon) lopen weg naar de auto en de verdachte loopt achteruit richting zijn woning. Daarbij wijst hij met het wapen een of meer personen na. Hij gaat naar binnen en wijst daarna nog één maal met zijn wapen richting het hek rond zijn erf, waarachter zich onder andere het slachtoffer bevindt.4

Het letsel

Forensisch geneeskundige R. van Hooren heeft het slachtoffer onderzocht en een letselbeschrijving opgesteld. Hij stelt het navolgende vast.

Schuin boven het linker oog is een intrede van een schotwond te zien en aan de linkerzijde van de schedel schuin achter het linkeroor is een uittrede van een schotwond te zien.

In het oog en de huid rondom het oog zijn kleine brandwondjes te zien. Dit is het gevolg van kruit dat vrijkomt bij een schot van dichtbij, minder dan één meter. Tevens zijn er kruitdeeltjes achtergebleven in het oog.

De deskundige concludeert over het letsel het navolgende:

“Het is in deze casus van belang erop te wijzen dat als de baan van de kogel/ het projectiel enige millimeters naar links was verschoven er sprake was geweest van een zeer waarschijnlijk dodelijk letsel. Met andere woorden als de kogel/ het projectiel enkele millimeters meer naar rechts in het hoofd/ de schedel terecht was gekomen, was deze in de hersenen terecht gekomen.” 5

Het onderzoek aan het wapen

De politie heeft in de woning van de verdachte op de koelkast een revolver aangetroffen.

De patronen die behoren bij deze revolver lagen naast het wapen.6

Uit onderzoek aan dit wapen bleek het een revolver, kaliber .22 WMR te zijn, die valt onder categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie. De kogelpatronen betreffen munitie die valt onder categorie III van de Wet wapens en munitie en zijn bestemd om met deze revolver te worden afgevuurd.7

Ook is nader onderzoek verricht naar de werking van het wapen. Hieruit blijkt dat bij dit type revolver (van het merk North American Arms, mini 22, kaliber .22 WMR) de haan gespannen moet worden, alvorens men de trekker kan bedienen en zo het schot kan laten afgaan. Hierdoor kan er geen ongewild schot afgaan bij bijvoorbeeld het opbergen van het wapen.8

Overwegingen over het (voorwaardelijk) opzet op de dood

De verdachte heeft verklaard dat het nooit zijn bedoeling is geweest om het slachtoffer te doden. Ook uit de feiten en omstandigheden leidt de rechtbank niet af dat de verdachte ‘vol’ opzet had om het slachtoffer te doden.

Vervolgens is de vraag of sprake was van voorwaardelijk opzet. Daarbij moet sprake zijn van een aanmerkelijke kans op de dood door de handelingen van de verdachte en moet de verdachte deze kans bewust hebben aanvaard.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten is.

Het is een feit van algemene bekendheid dat als je van dichtbij iemand met een vuurwapen een kogel in het hoofd schiet, een aanmerkelijke kans bestaat dat het slachtoffer aan de gevolgen hiervan komt te overlijden.

Uit de resultaten van het onderzoek aan het wapen leidt de rechtbank af dat het revolver òf reeds met gespannen haan in de meterkast lag, en daarmee dus schietklaar in de woning van de verdachte aanwezig was, dan wel dat de verdachte de haan op spanning heeft gebracht nadat hij het revolver ter hand had genomen. In beide gevallen is de verdachte met een met scherpe munitie geladen wapen op het slachtoffer afgelopen, heeft hij hem geschopt, zijn arm gestrekt, met het wapen gewezen in de richting van het hoofd van het slachtoffer en geschoten.

De stelling van de verdachte, dat het wapen per ongeluk is afgegaan toen hij een slaande beweging wilde maken naar het slachtoffer, wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen en wordt bovendien weerlegd door de bevindingen uit het onderzoek aan het wapen.

Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat de verdachte van dichtbij met het door hem meegebrachte vuurwapen het slachtoffer heeft beschoten en in zijn hoofd heeft geraakt, zodat hij de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer daardoor zou overlijden bewust heeft aanvaard.

De conclusie ten aanzien van het bewijs

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.

Tevens acht de rechtbank bewezen dat de verdachte een vuurwapen en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

1.

op 14 april 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

met een vuurwapen een kogel in de richting van genoemde [slachtoffer] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 14 april 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (van het merk North American Arms, type Mini 22, kaliber .22 WMR) en daarbij voor voornoemd vuurwapen geschikte munitie van categorie III Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Beroep op rechtvaardigingsgrond noodweer

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte een geslaagd beroep op de rechtvaardigingsgrond noodweer toekomt. Voor het aannemen van een noodweersituatie is noodzakelijk dat aannemelijk wordt dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding jegens de verdachte door het slachtoffer.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij een man hoorde schreeuwen tegen zijn vrouw bij de voordeur. Hij heeft toen het wapen gepakt en deze man, naar later bleek [getuige 2] , gezegd dat hij weg moest gaan. [getuige 2] zei tegen hem dat er mensen van de motorclub zouden komen. Toen een auto voor zijn woning stopte zei [getuige 2] : “daar heb je de motorbende al”.

De verdachte was erg bang en had het gevoel dat hij zijn gezin moest beschermen tegen de mensen die uit de auto kwamen en zijn oprit op liepen. Daartoe is hij met zijn revolver in zijn hand op het slachtoffer af gelopen. De verdachte heeft verklaard dat deze personen riepen: “we maken jullie allemaal kapot”. Daarop heeft hij het slachtoffer getrapt en daarna is het schot afgegaan.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, geen beroep op noodweer rechtvaardigen.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes eigen lijf, eerbaarheid of goed, dan wel dat van zijn gezin, dan wel van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Immers, de verdachte heeft enkel de vrees voor zo'n aanranding gehad. Hij dacht dat hij werd aangevallen door leden van een motorbende. Dit is niet vast te stellen aan de hand van getuigenverklaringen of de camerabeelden.

Uit de houding van [getuige 2] is in het geheel geen dreiging af te leiden. Sterker nog, [getuige 2] is weggelopen toen de discussie aan de voordeur was beëindigd. Op het moment dat [getuige 2] wegliep en de auto van het slachtoffer stopte voor de woning, was er geen sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijk aanranding of een dreiging daarvoor.

Het slachtoffer, zijn vrouw en zijn stiefzoon zijn op dat moment het erf op gekomen. Op de camerabeelden is niet te horen wat daarbij door hen wordt gezegd of geroepen. Dat zij boos waren staat wel vast, gelet op hun eigen verklaringen. Zij wilden verhaal halen over wat er tussen de kinderen gebeurd was. Niet vast staat dat het slachtoffer heeft geroepen: “ik maak jullie allemaal kapot”.

Op de camerabeelden is te zien dat het slachtoffer, tijdens het naderen van de verdachte, een handbeweging maakt met zijn rechter hand naar de linkerkant van zijn heup. Daarna houdt hij zijn armen weer langs zijn lichaam. Vervolgens volgen de trap en het schot. Ook uit deze handbeweging leidt de rechtbank geen dusdanige dreiging af. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat op de camerabeelden niet te zien is dat het slachtoffer iets bij zich had, in zijn handen, in de zak van zijn vest of in zijn broeksband.

De rechtbank is het eens met de verdachte dat het intimiderend overgekomen kan zijn toen onbekenden zijn erf betraden. Dit wil echter nog niet zeggen dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een zodanig dreigend gevaar daarvoor dat de verdachte zich hiertegen moest verweren en daardoor een beroep op noodweer zou toekomen.

Ten overvloede nog het navolgende. Zelfs al had de verdachte de houding van [getuige 2] als dreigend ervaren en zag hij mede daardoor de komst van de auto met onbekende personen als een nieuwe, werkelijke dreiging, dan nog rechtvaardigt dit niet zijn handelwijze. Hij had dan immers naar binnen kunnen en moeten gaan en zijn voordeur moeten sluiten in plaats van met een geladen revolver op hen af te lopen en zo de confrontatie te zoeken.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

feit 1:

poging tot doodslag;

feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn voorts geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

Toerekeningsvatbaarheid

Psychiater J.L.M. Dinjens en gedragsneuroloog prof. dr. C. Jonker hebben over de geestvermogens van de verdachte op 21 augustus 2019 ieder een rapport uitgebracht.

In aanvulling hierop hebben zij op 29 resp. 30 januari 2020 gerapporteerd.

In augustus 2019 adviseerden de deskundigen nog om de verdachte het tenlastegelegde niet of nauwelijks toe te rekenen vanwege een neurocognitieve stoornis door traumatisch hersenletsel ten gevolge van een auto-ongeluk in 2016. Tevens was er sprake van waanvorming omtrent de achtervolging van de verdachte door een motorbende.

Gedurende de detentie is naar alle waarschijnlijkheid ook het Gansersyndroom opgetreden bij de verdachte waardoor de cognitieve stoornissen zijn beïnvloed.

Sindsdien is de geestestoestand van de verdachte aanzienlijk verbeterd.

Het eerder vastgestelde Gansersyndroom is naar de achtergrond verdwenen.

De deskundigen beschrijven in hun aanvullende rapportage de toestand van de verdachte, zakelijk weergegeven, als volgt.

Het algemeen niveau van psychisch functioneren is sterk verbeterd. Zijn oriëntatie-, cognitieve en denkstoornissen zijn naar de achtergrond verdwenen. Hij blijft echter onderliggend wel kwetsbaar, daar er sprake is en blijft van een “kwetsbaar brein”.

Wat resteert is de neurocognitieve stoornis door traumatisch hersenletsel na een ongeval in 2016. Verdachte heeft hieraan blijvende beperkingen overgehouden wat betreft lopen, spraak, beperkte mentale flexibiliteit, snel overprikkeld en vermoeid raken in nieuwe situaties en van daaruit de situatie niet meer adequaat overzien. Hierbij komt nog dat

hij snel impulsief kan reageren en zijn eigen gedrag nog maar beperkt kan evalueren.

Deze situatie was aanwezig voorafgaand aan het tenlastegelegde en de huidige staat van

functioneren is naar alle waarschijnlijkheid vergelijkbaar met de periode voorafgaand aan het tenlastegelegde.

Zowel stoornis gebonden als contextuele factoren hebben een rol gespeeld in het tenlastegelegde. Door de hersenschade kan hij minder goed omgaan met stress en functioneert hij onder invloed van stresssituaties cognitief minder goed en heeft hij minder controle over zijn gedrag. Toen er [een] voor hem dreigende situatie ontstond, was hij verminderd in staat de situatie te overzien en waren remmingen in verminderde mate aanwezig.

De deskundigen concluderen daarom dat het onder 1 tenlastegelegde aan de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Gezien de daarvoor gegeven argumenten, zal de rechtbank deze conclusie overnemen en bepalen dat het onder 1 bewezenverklaarde aan de verdachte in verminderde mate is toe te rekenen.

De rechtbank acht de verdachte ten aanzien van feit 2 geheel toerekeningsvatbaar.

Noodweerexces

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door het onmiddellijk dreigend gevaar voor de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie (zie bespreking beroep op noodweer), zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Putatief noodweer

Door de raadsvrouw is meer subsidiair aangevoerd dat sprake is geweest van putatief noodweer. Daarbij is gewezen op de weergave van de gebeurtenissen door verdachte, waarbij onder meer sprake zou zijn van dreiging van een motorbende, gecombineerd met de mentale beperkingen van de verdachte.

Bij een beroep op putatief noodweer moet worden onderzocht of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij zich het dreigende gevaar verontschuldigbaar heeft ingebeeld, dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.9

Voor de beoordeling van deze vraag gaat de rechtbank uit van een zekere geobjectiveerde waarneming ten tijde van de gebeurtenissen. De rechtbank benadrukt dat subjectieve vergissingen van de verdachte onvoldoende zijn voor een geslaagd beroep op putatief noodweer.10

Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, is geen sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen enige verdediging noodzakelijk was. De rechtbank is van oordeel dat – naar objectieve maatstaven gemeten – zich ook geen situatie heeft voorgedaan waarbij verdachte kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen, dat hij zich moest verdedigen op de wijze waarop hij heeft gedaan. Dat de verdachte niettemin heeft gedacht dat wel sprake was van een zodanige situatie maakt dit niet anders, nu bij de beoordeling van putatief noodweer de puur subjectieve beleving van de verdachte niet beslissend is.

Het verweer wordt daarom verworpen.

De verdachte is strafbaar, omdat geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat, in geval van een bewezenverklaring en een verwerping van de door haar gevoerde verweren omtrent noodweer(exces) en putatief noodweer, een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, waarvan 2 jaar voorwaardelijk passender is.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Toen de verdachte hoorde dat zijn vrouw met een buurtgenoot een hevige woordenwisseling had aan de voordeur, heeft hij een schietklaar vuurwapen gepakt dat in zijn woning lag. Vervolgens is hij ermee naar buiten gelopen. Op dat moment kwam daar het slachtoffer aan. Die was samen met zijn vrouw naar de verdachte gereden om verhaal te komen halen over een eerder incident. Toen het slachtoffer over de oprit van de verdachte naar hem toe gelopen kwam en niet luisterde naar de verdachte die hem toeschreeuwde dat hij weg moest gaan, heeft de verdachte hem eerst een stevige trap verkocht en meteen daarna met het vuurwapen beschoten. Dat gebeurde van zeer korte afstand. Tot geluk van het slachtoffer - maar ook van de verdachte - zijn de verwondingen van het slachtoffer nog vrij beperkt gebleven. Een kogel is bij de wenkbrauw de huid binnengedrongen en heeft deze bij het achterhoofd weer verlaten zonder in zijn baan langs de schedel veel meer schade aan te richten. Het slachtoffer heeft echter tot op de dag van vandaag last van kruitdeeltjes die in zijn oog zijn achtergebleven.

Als gevolg van het meenemen van een vuurwapen naar buiten en het afvuren daarvan is een onbetekenende woordenwisseling uitgemond in een ernstig misdrijf; als de kogel enkele millimeters opzij in het hoofd van het slachtoffer terecht was gekomen, zou hij eraan zijn overleden. De rechtbank volgt verdachte niet in zijn verklaring dat het vuurwapen per ongeluk afging. Ook is de rechtbank van oordeel dat de ontstane situatie op geen enkele wijze vroeg om een reactie waarbij geweld aan de orde zou (moeten) zijn, laat staan het gebruik van een vuurwapen. Er was immers geen reële aanleiding om te denken dat het slachtoffer geweld zou gaan gebruiken.

Toch acht de rechtbank de gevorderde gevangenisstraf van 8 jaar te hoog voor deze poging doodslag. Gelet op de ernst van het feit is alleen een gevangenisstraf passend, maar de eis is vanwege de hoogte van de gevangenisstraf niet goed te rijmen met de straffen die worden opgelegd bij soortgelijke delicten. Bovendien wegen er aan de kant van de verdachte strafverminderende factoren mee. De verdachte heeft door een auto-ongeval in 2016 hersenschade opgelopen die maakt dat zijn handelen hem in verminderde mate kan worden toegerekend, blijkt met name uit de aanvullende rapportage van psychiater J.L.M. Dinjens. Hij merkt daarover verder nog op:

“Zowel stoornis gebonden als contextuele factoren hebben een rol gespeeld in het tenlastegelegde. Er is door de aanwezige hersenschade sprake van een “kwetsbaar brein”, waardoor betrokkene kwetsbaar is geworden voor het omgaan met stress en hij onder invloed van stresssituaties cognitief minder goed functioneert en minder controle heeft over zijn gedrag. Betrokkene voelde zich in toenemende mate bedreigd door leden van een motorbende, hetgeen wordt beaamd door zijn echtgenote. Toen er een situatie ontstond waarbij zijn gezin werd bedreigd, was betrokkene verminderd in staat de situatie te overzien en waren inhibitiemechanismen in verminderde mate aanwezig. [..]

Het recidiverisico wordt thans, in een beschermde omgeving, zonder stressoren, zowel klinisch als met behulp van semigestructureerde risicotaxatie-instrumenten ingeschat als laag. Betrokkene heeft een beperkte justitiële en psychiatrische voorgeschiedenis. Er is geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis en of een stoornis in het gebruik van middelen. Hij heeft een steunend netwerk en vaste woning en inkomen. Bij het wegvallen van deze beschermende omgeving en het terugkeren van stressoren, kan het klinische recidiverisico, wanneer betrokkene wederom onder druk zou komen te staan en hij het gevoel heeft zijn gezin te moeten beschermen, [stijgen] naar een matig tot hoog risico. De belangrijkste risicofactor hierin is zijn kwetsbare brein en de daaruit voortvloeiende verminderde draagkracht en stressgevoeligheid en het verlies van overzicht en controle in stresssituaties.[..]

Onderzoeker adviseert Uw rechtscollege tot een klinische behandeling in het kader van

bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel met reclasseringstoezicht.[..]”.

De rechtbank maakt uit deze en de andere bevindingen van de deskundigen (onder wie ook neuroloog C. Jonker) op dat de cognitieve vermogens van de verdachte zijn aangetast en hij met name in een stresssituatie moeilijk overzicht kan houden en hij niet goed in staat is om zelfbeheersing te tonen. Door een aantal factoren - zijn dochter die werd gepest en mishandeld, de ruzie tussen zijn vrouw en een buurtgenoot aan de deur, de dreigende komst van het slachtoffer en diens vrouw - lijkt hij in een panieksituatie geraakt die heeft bijgedragen aan zijn impulsieve en buitensporige actie. Het gebruik van een vuurwapen in een ruzie past verder niet in de levensloop van de verdachte, die een vrijwel blanco strafblad heeft.

Wat wel nog bijdraagt aan de ernst van het feit is dat de verdachte beschikte over het vuurwapen. Daarover heeft hij verklaard dat hij dat enkele maanden eerder uit het huis van zijn ouders had meegenomen na het overlijden van zijn vader, die het wapen gekocht had. Hoe dan ook, hij had het vuurwapen welbewust aanwezig in zijn woning met alle risico’s van dien.

Bij de ernst van het feit, met inachtneming van de bovenstaande omstandigheden, past een gevangenisstraf van 4 jaar die deels voorwaardelijk is. Omdat het belangrijk is dat de verdachte wordt behandeld, zal de rechtbank aan het voorwaardelijk deel, dat zij bepaalt op

2 jaar met een proeftijd van 2 jaar, bijzondere voorwaarden verbinden. De rechtbank volgt hiermee het advies van de reclassering. Die voorwaarden houden onder meer in dat de verdachte in een kliniek zal worden opgenomen en mogelijk ook daarna nog wordt behandeld. Tijdens deze opname kan aandacht worden besteed aan het signaleren van stress door verdachte zelf en wellicht ook door zijn omgeving, zodat, wanneer dit gebeurt, een adequaat signaleringsplan en plan van aanpak kunnen worden ingezet om op die manier het recidiverisico te verlagen. Bovendien moet hij zich houden aan de aanwijzingen van de reclassering, zodat die er mede op toe kan zien dat de verdachte niet weer een misdrijf begaat.

7 De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

7.1

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 14.254,19, bestaande uit

€ 1.754,19 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, nu deze voldoende is onderbouwd.

7.3

Het standpunt van de verdediging

Voor wat betreft de materiële schade heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de posten ‘huishoudelijke hulp’ en ‘consulten natuurgeneeskundige praktijk’ afgewezen moeten worden. De post ‘kleding’ dient gematigd te worden naar een bedrag van € 50,-.

De post ‘reis- en parkeerkosten’ kan worden toegewezen.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht dit bedrag te matigen naar een bedrag van € 4.000,-.

De raadsvrouw heeft verzocht om alle posten waar zij afwijzing voor vraagt, geheel subsidiair, niet-ontvankelijk te verklaren zodat de weg naar de burgerlijke rechter openstaat.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

Van de noodzaak tot huishoudelijke hulp is de rechtbank niet gebleken. Deze post wijst de rechtbank daarom af.

Uit de bijlage van de natuurgeneeskundige praktijk blijkt niet welke behandeling de verdachte daar heeft ondergaan en of deze behandelingen noodzakelijk waren voor het letsel dat door de verdachte aan het slachtoffer was toegebracht. Daarom wijst de rechtbank ook deze post af.

De posten ’zonnebril’, ‘eigen risico’ en ‘kleding’ acht de rechtbank voldoende onderbouwd en redelijk, waardoor deze posten voor toewijzing in aanmerking komen.

Van de post ‘reis- en parkeerkosten’ zal de rechtbank een gedeelte, groot € 31,41, toewijzen.

Het gedeelte dat betrekking heeft op de ritten van de woning van het slachtoffer naar het kantoor van de raadsman zal de rechtbank afwijzen, nu dit onder proceskosten valt en de advocaat hier blijkens het voegingsformulier afstand van heeft gedaan. Het gedeelte dat betrekking heeft op de ritten van de woning van het slachtoffer naar de natuurgeneeskundige praktijk zal de rechtbank ook afwijzen, nu de vordering ten aanzien van die behandelingen eveneens is afgewezen.

Dit brengt met zich mee dat de rechtbank ten aanzien van de materiële schade de vordering zal toewijzen voor een bedrag van € 546,41.

Immateriële schade

Het fysieke letsel blijkt genoegzaam uit het dossier. Hiervoor verwijst de rechtbank naar de letselbeschrijving van de forensisch geneeskundige.

Het psychisch letsel heeft de raadsman van de benadeelde partij toegelicht bij het verzoek tot schadevergoeding. Dit letsel is onderbouwd met een brief van de GZ-psycholoog drs. M. Oehlen. Hieruit blijkt niet meer dan dat het slachtoffer door de huisarts is doorgestuurd voor trauma behandeling voor PTSS klachten. De benadeelde partij heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt welke psychische stoornis is vastgesteld, welke behandeling hiervoor is ingezet en wat de verwachting is ten aanzien van het herstel. Maar dat de gebeurtenis een traumatische ervaring is geweest voor het slachtoffer is zeer voorstelbaar.

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft in beperkte gevallen recht op vergoeding van andere schade dan vermogensschade. Een van die in de wet limitatief opgesomde gevallen is wanneer er sprake is van fysiek letsel. Daarvan is sprake. Het slachtoffer heeft schotverwondingen opgelopen. Reeds om die reden kan hij aanspraak maken op smartengeld. Dat het slachtoffer als gevolg van het schietincident ook psychisch letsel heeft opgelopen, acht de rechtbank, ook zonder nadere onderbouwing van een deskundige, aannemelijk vanwege de bijzondere ernst van de normschending.

De vraag is vervolgens hoe hoog de vergoeding ter zake smartengeld moet zijn. De rechtbank zal gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en de immateriële schade naar redelijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,-. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Het totaal toe te wijzen bedrag, zijnde € 5.546,41, wordt vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen ten behoeve van het innen van deze vordering.

7.5

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 6.000,-, bestaande uit

€ 1.000,- materiële schade en € 5.000,- immateriële schade.

7.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, nu deze voldoende is onderbouwd.

7.7

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade, bestaande uit de posten ‘eigen risico 2019 en 2020’ en ‘behandeling natuurgeneeskundige praktijk’ moet worden afgewezen.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht dit bedrag te matigen naar een bedrag van € 1.750,-.

De raadsvrouw heeft verzocht om alle posten waar zij afwijzing voor vraagt, geheel subsidiair, niet-ontvankelijk te verklaren zodat de weg naar de burgerlijke rechter openstaat.

7.8

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank verklaart de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk. Dit gedeelte van de vordering is gemotiveerd betwist en naar het oordeel van de rechtbank door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd om voor toewijzing in aanmerking te komen. De post ‘eigen risico 2019 en 2020’ is in het geheel niet onderbouwd met stukken en van de post ‘natuurgeneeskundige consulten’ is niet aangegeven voor welke klachten deze behandelingen hebben plaatsgevonden en of deze klachten het gevolg waren van het schietincident.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft vergoeding gevraagd vanwege immateriële schade die zij zou hebben geleden. Zij stelt psychische schade, shockschade, te hebben geleden omdat zij ongewild getuige is geweest van het schietincident, waarbij haar (toenmalige) levenspartner in zijn hoofd werd geraakt.

Bij de beoordeling van shockschade dient de rechtbank alle omstandigheden van het geval te betrekken, waaronder begrepen de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op vergelijkbare gevallen.

Als onderbouwing van deze shockschade is door de benadeelde enkel en alleen een korte brief van de GZ-psycholoog gevoegd die stelt dat er bij benadeelde klachten bestaan die te kaderen zijn binnen een posttraumatische stress-stoornis en dat de diagnose PTSS tijdens de behandeling is vastgesteld. Overige informatie over de aard en ernst van het letsel, de verwachting ten aanzien van het herstel en dergelijke, zijn niet bijgevoegd. Om deze informatie alsnog te verkrijgen zou nader onderzoek noodzakelijk zijn. Dit zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

Het is wel aannemelijk dat dit schietincident bij haar een zodanige emotionele schok heeft veroorzaakt dat psychisch letsel als gevolg daarvan bij haar is opgetreden.

Bovendien heeft de verdediging deze schadepost tot een hoogte van € 1.750,- niet betwist.

Daarom zal de rechtbank de vordering voor wat betreft de immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 1.750,-. Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Het totaal toe te wijzen bedrag, zijnde € 1.750,-, wordt vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opleggen ten behoeve van het innen van deze vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

  • -

    spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

  • -

    verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • -

    veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaar, waarvan 2 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

  • -

    beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:

  1. veroordeelde meldt zich binnen twee werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Maastricht, Heerderweg 25 6224 LA Maastricht of via telefoonnummer 088 8041502. Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

  2. veroordeelde laat zich opnemen bij een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zo snel mogelijk en duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de

behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

- geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  1. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  2. medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

[slachtoffer]

- wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer] , gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 5.546,41, bestaande uit € 546,41 materiële schade en € 5.000,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 14 april 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- wijst de vordering van de benadeelde partij af ten aanzien van de posten ‘huishoudelijke hulp’, ‘natuurgeneeskundige consulten’ en ‘reiskosten’ ten aanzien van de bezoeken aan de raadsman en de natuurgeneeskundige praktijk;

- bepaalt dat de benadeelde partij voor de overige immateriële schade niet-ontvankelijk is en dat zij dit gedeelte van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , van een bedrag van € 5.546,41, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 14 april 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 62 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

[benadeelde]

- wijst de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde] , gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 1.750,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 14 april 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde materiële schade en de meer gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk is en dat zij dit gedeelte van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;

- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde] van een bedrag van € 1.750,-, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf 14 april 2019 tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 27 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E.M. Hendriks, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en mr. R. Verkijk, rechters, in tegenwoordigheid van J.G.A.M. Spijkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 juni 2020.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na toewijzing van de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 14 april 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

met een vuurwapen een kogel in de richting van genoemde [slachtoffer] heeft afgevuurd, in elk geval genoemde [slachtoffer] een kogel in diens hoofd heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 14 april 2019 in de gemeente Sittard-Geleen, een vuurwapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver (van het merk North American Arms, type Mini 22, kaliber .22 WMR) en/of daarbij voor voornoemd vuurwapen geschikte munitie van categorie III Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

1 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2019057237, gesloten d.d. , doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 266.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 15 april 2019, pagina 145 en 146.

3 Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 20 mei 2020.

4 De waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 20 mei 2020.

5 De forensisch geneeskundige letselbeschrijving d.d. 18 juni 2019, pagina 152 tot en met 157.

6 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 april 2019, pagina 105.

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 april 2019, pagina 235.

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 augustus 2019, pagina 241 en 242.

9 ECLI:NL:HR:2016:456.

10 ECLI:NL:PHR:2019:1282.