Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:3808

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
27-05-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2531
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de aan een woningbouwvereniging opgelegde aanslagen rioolheffing eigenaren. Naar het oordeel van de rechtbank is het bevoegdheidsgebrek dat aan de aanslagen kleefde, bij het bestreden besluit hersteld. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet en verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat van een overschrijding van de opbrengstlimiet geen sprake is. Van strijdigheid met artikel 9 van de Kaderrichtlijn Water is geen sprake. Het beroep is ongegrond. Aan eiseres wordt een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-06-2020
FutD 2020-1825
V-N Vandaag 2020/1559
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: ROE 17 / 2531

Uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2020 in de zaak tussen

Stichting Wonen Limburg, gevestigd te Roermond, eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, verweerder.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten met dagtekening 28 februari 2013 (hierna: de aanslagen) – voor zover thans van belang – heeft verweerder aan eiseres drie aanslagen rioolheffing eigenaren voor het belastingjaar 2013 opgelegd.

Bij besluit van 5 juli 2017 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de aanslagen ongegrond verklaard.

Eiseres heeft bij brief van 10 augustus 2017 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden en heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft [naam] als deskundige benoemd.

Het onderzoek ter zitting heeft, gezamenlijk met de zaak ROE 18/720, plaatsgevonden op 23 januari 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.F. van der Muur en mr. R. Froentjes, rechtsbijstandverleners te Groningen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [medewerker belastingdienst] , werkzaam bij verweerder, mr. R.M.M. Duits, rechtsbijstandverlener te Sliedrecht, en [naam medewerker] , werkzaam bij de gemeente Roermond. Ook de deskundige is ter zitting verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om van de deskundige een nadere toelichting te verkrijgen. Bij brief van 3 maart 2019 heeft de deskundige verslag uitgebracht.

Bij brief van 13 maart 2019 heeft eiseres haar reactie op het verslag van de deskundige gegeven.

Verweerder heeft bij brief van 18 maart 2019 meegedeeld geen op- of aanmerkingen op het verslag van de deskundige te hebben.

Het onderzoek ter zitting is hervat en gesloten op 19 maart 2019.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres was als woningbouwvereniging in 2013 eigenaar van de in de aanslagen geduide 836 percelen in de gemeente Roermond. Deze percelen beschikken over een directe of indirecte aansluiting op het gemeentelijk riool. Op grond van de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2013 van de gemeente Roermond (hierna: de Verordening) is eiseres als eigenaar voor ieder perceel afzonderlijk in de rioolheffing betrokken, tegen een tarief van € 162,48 per perceel. Het totaal van de aanslagen bedraagt € 135.833,28.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de aanslagen ongegrond verklaard.

3. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Over de door eiseres aangevoerde gronden, voor zover ter zitting gehandhaafd, overweegt de rechtbank als volgt.

Bevoegdheid Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg

4. In de visie van eiseres zijn de aanslagen onbevoegd opgelegd door de directeur van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg (hierna: BsGW). Op het moment van het opleggen van de aanslagen was de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond (hierna: het college) tot aanwijzing van een heffingsambtenaar nog niet aan het dagelijks bestuur van BsGW overgedragen. Dit betekent dat de aanslagen voor vernietiging in aanmerking komen. Voor toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) ziet eiseres geen ruimte, nu zij door de onbevoegd genomen besluiten is benadeeld. Doordat veelvuldig afstemming tussen BsGW en de gemeente moest plaatsvinden, heeft de bezwaarfase vertraging opgelopen. De benadeling blijkt eveneens uit het feit dat sprake is van immateriële schade nu de termijn van de behandeling in eerste aanleg (bezwaar en beroep) reeds in de bezwaarfase ruim is overschreden.

4.1.

De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid tot het aanwijzen van een heffingsambtenaar van een gemeente berust bij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente. Het is daarom voor de overdracht van de bevoegdheid van het college tot aanwijzing van een heffingsambtenaar aan het dagelijks bestuur van BsGW noodzakelijk dat dit college een besluit tot toetreding tot de Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (hierna: de GR BsGW) neemt. Nu het college ten tijde van het opleggen van de aanslagen geen besluit had genomen tot toetreding tot de GR BsGW, is zijn bevoegdheid tot aanwijzing van een heffingsambtenaar van de gemeente Roermond niet overgegaan op het dagelijks bestuur van BsGW. Hierdoor is het besluit van het dagelijks bestuur van BsGW van 4 januari 2013 tot aanwijzing van [F.] tot heffingsambtenaar van de gemeente Roermond onbevoegd genomen. Dit betekent dat [F.] niet bevoegd was tot het opleggen van de aanslagen.

4.2.

Uit de stukken is de rechtbank gebleken dat het college op 22 september 2015 alsnog een besluit tot toetreding tot de GR BsGW heeft genomen. Het dagelijks bestuur van BsGW heeft bij besluit van 31 oktober 2016 [W.] aangewezen als heffingsambtenaar van de gemeente Roermond.

4.3.

[W.] , de bevoegde ambtenaar, heeft vervolgens de aanslagen op de voet van artikel 7:11 van de Awb aan een inhoudelijke beoordeling onderworpen en uitspraak op de bezwaren gedaan. Daarmee is het bevoegdheidsgebrek dat kleefde aan de aanslagen hersteld. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 februari 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:1020). De beroepsgrond slaagt niet.

Gelijkheidsbeginsel

5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een lijst overgelegd waarop 2426 objecten zijn vermeld die niet in de rioolheffing zijn betrokken. Tot die objecten behoren onder meer trafostations, objecten in aanbouw en onbebouwde percelen. Volgens eiseres heeft verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld door die objecten of in ieder geval een deel daarvan (eiseres noemt in haar gronden 18 objecttypes) buiten de rioolheffing te laten. Op grond van de Verordening hadden die objecten immers, evenals de percelen van eiseres, in de heffing moeten worden betrokken. De wethouder van ruimte, infrastructuur en sport van de gemeente Roermond heeft dit in een brief van 4 november 2013 ook bevestigd. Eiseres is van mening dat verweerder, nu bewust objecten op basis van hun typering buiten de heffing zijn gelaten, zonder rechtvaardigingsgrond een begunstigend beleid voert.

5.1.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van de op de lijst genoemde objecten niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat zij daadwerkelijk (in)direct zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering. Die objecten hebben geen eigen aansluiting op de gemeentelijke riolering en over het algemeen zal het (hemel)water bij die objecten in de grond worden geïnfiltreerd of worden afgevoerd op een waterweg die niet in verbinding staat met de gemeentelijke riolering. De brief van de wethouder van 4 november 2013 doet daar geen afbreuk aan, nu daaruit ook volgt dat voor het heffen van rioolheffing vast dient te staan dat het afvloeiende water in de gemeentelijke riolering terecht komt. Alleen bij garageboxen kon worden aangetoond dat deze (in)direct zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering. Daarom zijn die objecten met ingang van 2010 in de heffing betrokken. Gelet op het vorenstaande is, aldus verweerder, geen sprake van bewust begunstigend beleid of een oogmerk tot begunstiging, terwijl, gelet op het aantal percelen dat wel in de heffing is betrokken, bovendien geen sprake is van schending van de meerderheidsregel.

5.2.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.3.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening wordt rioolheffing geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Een perceel is op grond van artikel 1, onder a, van de Verordening een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan.

5.4.

De rechtbank acht op grond van de door verweerder aangevoerde argumenten voldoende aannemelijk dat de op de lijst genoemde objecten over het algemeen niet voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van de Verordening neergelegde voorwaarde dat sprake moet zijn van een (in)directe aansluiting op de gemeentelijke riolering. Zo bij enkele van die objecten toch mocht blijken van een dergelijke aansluiting, betekent dit nog niet dat een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel kan worden gedaan. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan namelijk alleen slagen als sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen voortkomend uit een door verweerder gevoerd begunstigend beleid of uit een oogmerk van begunstiging, dan wel wanneer in een meerderheid van de vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder een – in afwijking van de Verordening – begunstigend beleid heeft gevoerd of een oogmerk van begunstiging had. Ook is niet aannemelijk geworden dat verweerder in andere, met het geval van eiseres vergelijkbare, gevallen, heeft afgezien van rioolheffing.

Opbrengstlimiet

6. Eiseres heeft voorts het standpunt ingenomen dat de met de opbrengst van de rioolheffing geraamde baten de geraamde lasten overstijgen zodat de Verordening om die reden onverbindend verklaard dient te worden.

6.1.

In geschil is de vraag of de geraamde baten van de rioolheffing de lasten ter zake overtreffen, en zo ja, of ze zodanig worden overtroffen dat de Verordening geheel of gedeeltelijk onverbindend moet worden verklaard.

6.2.

Op grond van artikel 228a van de Gemeentewet kan, onder de naam rioolheffing, door de gemeente een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn – kort gezegd – aan de verwerking van huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater en hemelwater, en aan maatregelen ter beheersing van de grondwaterstand.

6.3.

De aard van de rioolheffing is een bestemmingsheffing. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 228a van de Gemeentewet en de bewoordingen van dat artikel blijkt dat, naar de bedoeling van de wetgever, de geraamde baten van de rioolheffing de lasten ter zake niet mogen overtreffen.

6.4.

De tariefstelling van een verordening kan partieel onverbindend zijn voor zover de ter zake geraamde baten uitgaan boven de ter zake geraamde lasten. Een dergelijke partiële onverbindendheid heeft tot gevolg dat een op die verordening gegronde aanslag evenredig wordt verlaagd. Er kan sprake zijn van algehele onverbindendheid indien (a) het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat de desbetreffende post(en) (in zoverre) niet diende(n) ter dekking van de kosten waarvoor de heffingen worden geheven, en bovendien (b) na de eliminatie van de desbetreffende bedragen uit de lastenraming, de geraamde baten in betekenende mate uitgaan boven het gecorrigeerde bedrag van de geraamde lasten (‘de opbrengstnorm’ of de ‘opbrengstlimiet’).

6.5.

De jurisprudentie van de Hoge Raad omtrent de limietoverschrijding als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet kan overeenkomstig worden toegepast (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1192).

6.6.

Zoals uiteen is gezet in het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014 (ECLI:NL: HR:2014:777), ter precisering van hetgeen is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI1968), dient bij de beoordeling van een geschil inzake een mogelijke overschrijding van de opbrengstlimiet een aantal regels over de stelplicht en bewijslast in acht te worden genomen. Zo mag niet van de gemeente worden verlangd dat zij van alle in de verordening en de bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe zij de kosten ter zake daarvan heeft geraamd. Voorts kan, indien de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van hem worden verlangd voor zover de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de voornoemde stelling(en) van de belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is. De heffingsambtenaar hoeft niet te bewijzen dat die twijfel ongegrond is. De bewijslast ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding rust op de belanghebbende. In het kader van de toetsing aan de opbrengstlimiet is pas dan plaats voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedragen aan opbrengsten en lasten, indien de gemeente deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen.

6.7.

Op grond van artikel 186, eerste lid, van de Gemeentewet worden de begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarrekening en het jaarverslag van een gemeente ingericht overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te geven regels. Deze regels zijn neergelegd in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten van 17 januari 2003, Stb. 2003, 27 (hierna: het BBV).

6.8.

Voor de raming van kosten en baten ter zake van de rioolheffing geldt volgens het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:67) als uitgangspunt dat deze niet in strijd mag komen met de voor de gemeente geldende comptabiliteitsvoorschriften, zoals die zijn neergelegd in het BBV.

6.9.

Uit de stukken blijkt dat de geraamde baten van de rioolheffing over 2013 € 4.741.550,- bedragen. De geraamde lasten bedragen € 4.861.772,-, waarvan € 857.284,- uit ‘Doorbelasting personeel RU’ en € 92.751,48 uit ‘baggeren waterpartijen’ bestaat.

6.10.

Op grond van artikel 10.33 van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm) dragen de gemeenteraad of burgemeester en wethouders zorg voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater dat vrijkomt bij de binnen het grondgebied van de gemeente gelegen percelen, door middel van een openbaar vuilwaterriool. Om hier invulling aan te geven, dient de gemeenteraad op grond van artikel 4.22, eerste lid, van de Wm een gemeentelijk rioleringsplan vast te stellen. Het rioleringsplan van de gemeente Roermond is het ‘Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Gemeente Roermond, Planperiode 2009 tot en met 2013’ (hierna: het Plan).

6.11.

Eiseres heeft in twijfel getrokken dat € 857.284,- aan personeelskosten, zijnde ruim 17% van de totale geraamde lasten, is toe te rekenen aan de rioolheffing. Hiertoe heeft eiseres verwezen naar het Plan, waarin onder paragraaf 7.2 (‘Personele middelen’) is vermeld:

De huidige personele bezetting van de gemeente betreft ongeveer 3,0 fp, verdeeld over 4 functies en is voldoende voor het uitvoeren van alle werkzaamheden.”

Eiseres heeft hieruit geconcludeerd dat de begrote personeelskosten van € 857.284,- over 2013 zijn toe te schrijven aan vier functies. Eiseres vindt het niet waarschijnlijk dat de personeelskosten bij dit beperkte aantal functies € 857.284,- belopen. Dat de kostenpost ‘personeel van derden’ wordt geraamd op slechts € 16.116,- bevestigt volgens eiseres dat de eigen personeelskosten en daarmee de lasten over 2013 op een te hoog bedrag zijn geraamd.

6.12.

Volgens verweerder geeft de door eiseres aangehaalde passage uit het Plan geen inzicht in de personeelskosten die daadwerkelijk gepaard gaan met de riolering en de rioolheffing. Het Plan is onvolledig. Abusievelijk worden in het Plan niet de uitvoerende functies, maar alleen de beleidsfuncties genoemd. In totaal moet een formatie van 12 tot 13 fte (exact 12,86 fte) aan de rioolheffing worden toegerekend, wat overeenkomt met een bedrag aan personeelskosten van € 857.284,-. In het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2013-2016 Roermond, Een notitie’ (hierna: de Notitie), is dit hersteld. De Notitie, waarin de financiële paragraaf van het nog van kracht zijnde Plan is geactualiseerd, vervangt op dit punt het Plan.

Voor de totstandkoming van die geraamde personeelskosten heeft verweerder verwezen naar de bijlagen bij de begroting en de Notitie. Daarin wordt toegelicht dat de personeelskosten van de kostenplaats ‘ruimte’ zijn toe te rekenen aan meerdere afdelingen en dit voor de rioolheffing leidt tot een ‘gewogen percentage’ van 7,2031% van de totale kosten van die kostenplaats (€ 11.901.593,-).

6.13.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende nadere inlichtingen heeft verstrekt om de door eiseres opgeworpen twijfel over de verhaalbaarheid van de genoemde personeelskosten via de rioolheffing weg te nemen.

6.14.

Verder heeft eiseres het standpunt ingenomen dat de baggerkosten van € 92.751,48 ten onrechte als last ter zake de rioolheffing zijn aangemerkt. Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot invoering van de rioolheffing volgt immers dat die kosten samenhangen met het onderhoud van de gemeentelijke oppervlaktewateren en vaarwegen en geen relatie hebben met het gebruik van het gemeentelijke rioleringsstelsel. In het boekwerk ‘Decentrale heffingen’ wordt bevestigd dat baggerkosten, die niet of hooguit zijdelings met de gemeentelijke watertaken verband houden, niet uit de rioolheffing mogen worden bekostigd. Bovendien rust de verplichting tot het baggeren op de eigenaren van het water en dus niet per definitie op de gemeente.

6.15.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat de onderhavige baggerkosten meer dan zijdelings met de riolering samenhangen. Daarom mogen die kosten op grond van de recente jurisprudentie als last ter zake de rioolheffing worden aangemerkt. Ter onderbouwing van de nauwe samenhang tussen het baggeren en de riolering heeft verweerder toegelicht dat in Roermond deze kosten van het baggeren (die 33% van de totale gemeentelijke baggerkosten uitmaken) betrekking hebben op het baggeren van vijvers die in gebruik zijn als overloop van het riool. Door de uitbreiding van Roermond in oostelijke richting was de bergingscapaciteit van de Maasnielderbeek niet meer toereikend en is er voor gekozen om ter voorkoming van wateroverlast het overschot aan rioolwater (waar slib in zit) in de vijvers te laten stromen. Op het moment dat het peil van de vijvers te hoog wordt, stroomt het overtollige vijverwater via de riolering naar de Maas. Om de bergingscapaciteit van de vijvers te waarborgen, is het periodiek wegbaggeren van het slib noodzakelijk.

6.16.

De rechtbank overweegt dat het verweerder vrij staat om kosten die meer dan zijdelings verband houden met de riolering via de rioolheffing te verhalen. Het BBV vormt daarbij geen beperking. De door eiseres aangehaalde parlementaire behandeling bevat geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de wetgever heeft beoogd de gemeentelijke wetgever te beperken in zijn vrijheid te beslissen over de mate waarin kosten die meer dan zijdelings met de riolering samenhangen, daaraan kunnen worden toegerekend. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1016). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met zijn onder 6.15 opgenomen toelichting aannemelijk gemaakt dat de kosten van het baggeren van de vijvers meer dan zijdelings verband houden met de riolering, zodat die kosten via de rioolheffing mogen worden verhaald.

6.17.

Nu uit hetgeen onder 5.4 is overwogen volgt dat niet blijkt van het in strijd met het gelijkheidsbeginsel buiten de heffing houden van belastingplichtige percelen en objecten, ziet de rechtbank geen grond om eiseres te volgen in haar standpunt dat de opbrengst moet worden vermeerderd met de mogelijkerwijs van de eigenaren van die percelen en objecten te ontvangen rioolheffing. Op grond hiervan kan daarom evenmin een overschrijding van de baten ten opzichte van de lasten van de rioolheffing worden aangenomen.

6.18.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerder, in aanmerking nemend de op hem onder 6.6 beschreven rustende bewijslast, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat van een limietoverschrijding geen sprake is.

Kaderrichtlijn Water

7. Tot slot heeft eiseres het standpunt ingenomen dat verweerder aan haar als eigenaar van de percelen ten onrechte aanslagen rioolheffing heeft opgelegd. Hiertoe heeft eiseres betoogd dat de Verordening, waaruit volgt dat de eigenaar van een perceel wordt betrokken in de rioolheffing, in strijd is met de Kaderrichtlijn Water (hierna: de KRW), meer specifiek met artikel 9, eerste lid, van de KRW. In dit artikellid is het beginsel van ‘de vervuiler betaalt’ neergelegd, waaruit volgens eiseres volgt dat niet zij als eigenaar maar de huurders van haar onroerende zaken dienen te worden betrokken in de rioolheffing. Zij zijn immers de vervuilers en niet eiseres. Verweerder heeft artikel 9 van de KRW dan ook niet, niet tijdig dan wel onjuist geïmplementeerd in de Verordening waardoor deze onverbindend verklaard dient te worden. Omdat voornoemd artikel van de KRW onvoorwaardelijke en voldoende nauwkeurig bepaalde verplichtingen voor verweerder in het leven roept, heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat haar een rechtstreeks beroep op dit artikel van de KRW toekomt. Eiseres verbindt aan dit alles de consequentie dat de aanslagen dienen te worden vernietigd. Voorts verzoekt eiseres tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

7.1.

Deze grieven van eiseres slagen niet. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3082), alsmede naar de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 augustus 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:7681), welke uitspraak de Hoge Raad bij arrest van 7 juni 2019 (ECLI:NL:HR:2019:869) met toepassing van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft bevestigd.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.

Overschrijding redelijke termijn

9. Eiseres heeft met juistheid gesteld dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden reeds in de bezwaarfase is overschreden waardoor zij immateriële schade heeft geleden. Voorts stelt de rechtbank vast dat in de beroepsprocedure verdere overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden.

10. In belastingzaken wordt, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De omstandigheid dat het beroep ongegrond is staat aan toekenning van een dergelijke schadevergoeding niet in de weg.

11. In gevallen waarin de bezwaar- en de beroepsfase tezamen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn is overschreden, dient de bestuursrechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade vanwege dat tijdsverloop te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. Daardoor wordt immers bepaald in hoeverre de immateriële schade is toe te rekenen aan het bestuursorgaan respectievelijk de rechter. De veroordeling tot vergoeding van die schade moet naar evenredigheid daarmee worden uitgesproken ten laste van het bestuursorgaan respectievelijk de Staat (de minister voor Rechtsbescherming). Bij deze toerekening gelden – voor zover hier van belang – de volgende uitgangspunten:

a. de redelijke behandelingsduur in de bestuurlijke fase bij niet-punitieve zaken is niet overschreden als deze vanaf de indiening van het bezwaarschrift maximaal zes maanden heeft geduurd;

b. de redelijke behandelingsduur in eerste aanleg is in niet-punitieve zaken met voorafgaande bezwaarfase niet overschreden als deze niet langer dan anderhalf jaar vanaf instellen beroep heeft geduurd.

12. Als de redelijke termijn is overschreden, moet voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief worden gehanteerd van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden. In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, moet in dit verband worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Als hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500,- per half jaar gehanteerd (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, overwegingen 3.10.1 en 3.10.2).

13. De onderhavige zaak is in bezwaar gedeeltelijk en in beroep volledig gezamenlijk behandeld met een andere procedure van eiseres tegen aan haar opgelegde aanslagen rioolheffing (één voor het jaar 2013 en één voor het jaar 2014). De onderwerpen van beide procedures staan niet in een zo ver verwijderd verband tot elkaar dat aannemelijk is dat door laatstgenoemde procedure extra spanning en frustratie bij eiseres is veroorzaakt.

14. Het vorenstaande leidt tot de volgende conclusie. Tussen de ontvangst van de bezwaarschriften van eiseres (naar de rechtbank aanneemt op 3 april 2013) en deze uitspraak zijn (ruim) 86 maanden verstreken. De redelijke termijn is derhalve (fors) overschreden, welke overschrijding zowel aan verweerder als aan de rechtbank is toe te rekenen, nu de bezwaarfase met 45 maanden en de rechterlijke fase met 16 maanden is overschreden. Gelet hierop zal verweerder worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.000,- voor de overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming) tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.500,- voor de overschrijding van de redelijke termijn in beroep. Gelet op het beleid ter zake (als vermeld in de beleidsregel die is gepubliceerd in Stcrt. 2014, 20210) en de Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging Ministerie van Justitie en Veiligheid (Stcrt. 2017, 62751), behoeft de Staat in dit geval niet in de procedure te worden betrokken.

15. Nu een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend, is er aanleiding voor toepassing van de artikelen 8:74, tweede lid, en artikel 8:75, eerste lid, van de Awb op de hierna aan te geven wijze (vergelijk het onder 12 genoemde arrest van de Hoge Raad, overwegingen 3.14.1 en 3.14.2). De op grond van laatstgenoemde bepaling voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312.50 (één punt voor het indienen van het beroepschrift, één punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze van 13 maart 2019, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 4.000,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming) tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding van € 1.500,-.

- draagt verweerder op de helft van het betaalde griffierecht (derhalve € 166,50) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 656,25 (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiseres;

- draagt de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming) op de helft van het betaalde griffierecht (derhalve € 166,50) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming) in de proceskosten tot een bedrag van € 656,25 (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiseres.

Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, en mr. N.J.J. Derks-Voncken en mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen, leden, in aanwezigheid van mr. R.A. Debets, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 27 mei 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd te ondertekenen voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 27 mei 2020.

Rechtsmiddel

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak hoger beroep open bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.