Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:3633

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
15-05-2020
Datum publicatie
18-05-2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1086
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzitter van de veiligheidsregio Limburg-Noord (verweerder) heeft verzoekster een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Limburg-Noord (de Noodverordening). Verweerder houdt verzoekster ervoor verantwoordelijk dat zij haar werknemers geen 1,5 meter afstand heeft laten houden tijdens het werk. De voorzieningenrechter is op voorhand van oordeel dat verzoekster deze overtreding niet zelf kan begaan. De voorzieningenrechter blijkt verder uit het bestreden besluit niet waarop verweerder zijn aanname, dat verzoekster, als zij er niet voor zorgt dat haar werknemers tijdens het werk 1,5 meter afstand van elkaar bewaren, artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening overtreedt. Ook overigens blijkt uit de stukken en de Noodverordening volgens de voorzieningenrechter niet dat als verzoekster haar werknemers artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening zou laten overtreden zij dit verbod zelf overtreedt, omdat zij als werkgever verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gedrag van haar werknemers voor wie het overigens, blijkens de foto’s bij het controlerapport, heel goed mogelijk is de voorgeschreven afstand van elkaar te bewaren. Na afweging van de betrokken belangen wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 20/1086

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 mei 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[bedrijfsnaam], statutair gevestigd in [plaatsnaam], verzoekster

(gemachtigde: mr. Th.J.H.M. Linssen),

en

de voorzitter van de veiligheidsregio Limburg-Noord, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2020, verzonden op 16 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft hierop een nadere reactie ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het vooronderzoek daarna gesloten.

Overwegingen

Waarom is geen zitting gehouden?

1. In verband met de uitbraak van het coronavirus worden bij de rechtbank maar beperkt zittingen gehouden. De voorzieningenrechter heeft daarom onderzocht of het mogelijk is in deze zaak uitspraak te doen zonder een zitting te houden en is van oordeel dat dit kan. Er is sprake van onverwijlde spoed, omdat verzoekster een dwangsom moet betalen als zij niet aan de last die verweerder haar bij het bestreden besluit heeft opgelegd voldoet, terwijl verzoekster van mening is dat verweerder haar deze last niet heeft kunnen opleggen. Partijen zijn ook niet in hun belangen geschaad door hen niet op een zitting te horen. De stukken in deze zaak geven voldoende inzicht in de standpunten van partijen om uitspraak te kunnen doen. De voorzieningenrechter doet deze uitspraak daarom met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Waar gaat deze uitspraak over?

2. In deze uitspraak geeft de voorzieningenrechter een voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling van het bestreden besluit. De rechtbank is bij de beoordeling van een eventueel beroep niet aan deze voorlopige rechtmatigheidsbeoordeling gehouden.

Wat is de aanleiding voor het nemen van het bestreden besluit en wat wil verweerder met dit besluit bereiken?

3. Aanleiding voor het nemen van het bestreden besluit is de constatering van een buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) op 13 april 2020 dat verzoekster op haar perceel aan de [straatnaam] in [plaatsnaam] werknemers heeft laten werken in strijd met artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening COVID-19 veiligheidsregio Limburg-Noord (verder: de Noodverordening), waarbij deze werknemers in groepen van drie of meer personen ten opzicht van elkaar en anderen niet de ten minste vereiste afstand van 1,5 meter in acht hebben genomen. De BOA heeft gezien dat ongeveer 15 personen asperges naar een vrachtwagen brachten en daarbij niet 1,5 meter afstand van elkaar hielden. De BOA heeft ook gezien dat personen na het inladen van de asperges in een groep bleven staan en ook toen geen 1,5 meter afstand van elkaar hielden en dat ongeveer acht personen hun werkzaamheden te dicht op elkaar aan het uitvoeren waren.

4. Verweerder wil met het bestreden besluit voorkomen dat verzoekster deze overtreding in de toekomst herhaalt.

Waarom is verzoekster het niet eens met het bestreden besluit?

5. Verzoekster betwist onder meer dat verweerder van het controlerapport dat van de geconstateerde overtreding is opgemaakt mag uitgaan en dat verzoekster artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening heeft overtreden.

Welke vragen gaat de voorzieningenrechter achtereenvolgend beantwoorden?

6. De voorzieningenrechter gaat eerst ambtshalve antwoord geven op de vraag of het bestreden besluit door het daartoe bevoegde bestuursorgaan is genomen. Daarna beantwoordt de voorzieningenrechter de vraag of verweerder van de bevindingen in het controlerapport dat van de controle op 13 april 2020 op het perceel van verzoekster aan de [straatnaam] in [plaatsnaam] is opgemaakt mocht uitgaan en of verzoekster artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening heeft overtreden.

Is het bestreden besluit door het daartoe bevoegde bestuursorgaan genomen?

7. Verweerder is bevoegd tot het vaststellen van de Noodverordening. Deze bevoegdheid vloeit voort uit artikel 176 van de Gemeentewet, in samenhang met artikel 39 van de Wet Veiligheidsregio’s. De Noodverordening bevat regels die verweerder uitvoert. In artikel 39 van de Wet Veiligheidsregio’s is geen verwijzing opgenomen naar artikel 125 van de Gemeentewet. Dit betekent dat in deze wet niet is geregeld dat verweerder bevoegdheid is deze regels te handhaven. Omdat strikte wetsuitleg zou betekenen dat niemand bevoegd zou zijn tot handhaving van de regels van de Noodverordening, is de voorzieningenrechter van oordeel dat gekeken moet worden naar de bedoeling van de wetgever. Dit leidt volgens de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het bestreden besluit is genomen door het daartoe bevoegde bestuursorgaan genomen. Te meer omdat in artikel 34 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid inmiddels wel expliciet in deze bevoegdheid voor verweerder is voorzien.

Mocht verweerder van het controlerapport uitgaan?

8. Verweerder heeft een ondertekend en gedagtekend exemplaar van het controlerapport overgelegd. Verzoekster betwist de bevindingen in dit rapport, maar heeft niet onderbouwd waarom de bevindingen in het rapport niet juist zijn. Verweerder mocht daarom van de bevindingen in het rapport uitgaan.

Heeft verzoekster artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening overtreden?

9. Voor de vraag wie een voorschrift kan overtreden en dus een overtreding kan begaan is van belang tot wie een voorschrift zich richt. Alleen degene tot wie een voorschrift zich richt (de normadressaat) kan het voorschrift overtreden. In artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening, zoals deze bepaling op 13 april 2020 luidde, is bepaald dat het verboden is zich in een groep van drie of meer personen op te houden zonder tot de dichtstbijzijnde persoon in die groep en andere personen een afstand aan te houden van ten minste 1,5 meter. Deze bepaling richt zich tot natuurlijke personen, niet tot niet-natuurlijke personen als verzoekster. Verzoekster is dus niet de normadressaat van deze bepaling en kan artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening daarom niet zelf overtreden.

10. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder ervan uitgaat dat verzoekster ervoor moeten zorgen dat haar werknemers tijdens het werk 1,5 meter afstand van elkaar bewaren en dus het verbod in artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening niet overtreden. Uit het bestreden besluit blijkt niet waarop verweerder zijn aanname baseert dat verzoekster, als zij dat niet doet, artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening overtreedt. Ook overigens uit de stukken en de Noodverordening blijkt niet dat als verzoekster haar werknemers artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening zou laten overtreden zij dit verbod zelf overtreedt, omdat zij als werkgever verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gedrag van haar werknemers voor wie het overigens, blijkens de foto’s bij het controlerapport, heel goed mogelijk is de voorgeschreven afstand van elkaar te bewaren.

11. De voorzieningenrechter betwijfelt daarom ten zeerste dat verzoekster als overtreder van artikel 2.2, eerste lid, van de Noodverordening kan worden aangemerkt en daarmee dus ook dat verweerder bevoegd is om verzoekster de haar bij het bestreden besluit opgelegde last op te leggen om herhaling van deze overtreding te voorkomen.

Wat is de conclusie?

12. De conclusie is dat er op zijn minst twijfel bestaat over de rechtmatigheid van het bestreden besluit en een belangenafweging moet worden gemaakt om te bepalen of een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Afwegende het belang dat verzoekster heeft bij schorsing van het bestreden besluit en daarmee het voorkomen van het verbeuren van hoge dwangsommen, tegen het belang dat verweerder heeft bij de uitvoering van het bestreden besluit en daarmee het handhaven van de openbare orde, kan het belang van verweerder niet opwegen tegen het belang van verzoekster, omdat de twijfel die de voorzieningenrechter heeft over de rechtmatigheid van het bestreden besluit daarvoor te groot is. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening daarom toewijzen en het bestreden besluit schorsen tot zes weken nadat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt.

13. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

14. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 768,-.(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 0,5 punt voor het indienen van een reactie op het verweerschrift met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354 ,- aan verzoekster te

vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van

€ 768,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Kessels, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 15 mei 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 15 mei 2020.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.