Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:3415

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-04-2020
Datum publicatie
07-05-2020
Zaaknummer
C/03/276136 / BZ RK 20/528
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing rechterlijke machtiging tot opname en verblijf ex. artikel 24 e.v. Wzd. Overschrijding wettelijke beslistermijn van artikel 39, eerste lid, van de Wzd als gevolg van de maatregelen in verband met de uitbraak van het coronavirus. Ontslag door de geneesheer-directeur op grond van artikel 48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bopz. Uitleg van het begrip verzet als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wzd. Ontbreken wettelijk vereiste bescheiden van artikel 26, zesde lid, van de Wzd. Overgelegde behandelplan voldoet niet aan de wettelijke vereisten van artikel 7 van de Wzd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats: Maastricht

Familie en jeugd

Zaaknummer: C/03/276136 / BZ RK 20/528

Afwijzing rechterlijke machtiging tot opname en verblijf

Beschikking van 23 april 2020 van de rechtbank Limburg naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd),

ten aanzien van:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,

wonend in [woonplaats] ,

thans verblijvende bij Mondriaan Zorggroep, locatie Wijerode,

hierna te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg, kantoorhoudend in Maastricht.

1 Het procesverloop

1.1.

Op 25 maart 2020 is bij de griffie een verzoekschrift tot het verlenen van een

rechterlijke machtiging ingekomen.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

  • -

    een afschrift van het indicatiebesluit van 25 november 2019;

  • -

    een afschrift van de beschikking instelling bewind en mentorschap van de rechtbank Limburg van 29 januari 2020;

  • -

    de aanvraag van het verzoek tot een rechterlijke machtiging van 21 februari 2020;

  • -

    de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door [naam specialist ouderengeneeskunde] , specialist ouderengeneeskunde, van 3 maart 2020;

  • -

    de verklaring van de zorgaanbieder van de accommodatie waarin betrokkene is opgenomen van 9 maart 2020;

  • -

    een afschrift van het zorgplan van 9 maart 2020.

Op 22 april 2020 zijn de aanvullende stukken van het CIZ ingekomen.

1.2.

De rechtbank heeft de advocaat van betrokkene op 1 april 2020 een brief gestuurd met het verzoek om middels een schriftelijke verklaring kenbaar te maken of betrokkene verweer voert en/of wil dat de zaak mondeling zal worden behandeld. De verklaring van de advocaat is ingekomen bij de griffie op 5 april 2020. De advocaat van betrokkene heeft hierin te kennen gegeven dat betrokkene zich niet refereert aan het verzoek en wenst dat de zaak mondeling wordt behandeld.

1.3.

In verband met de sluiting van de rechtbank per 17 maart 2020 door de uitbraak van het coronavirus (COVID-19) heeft de rechtbank de zaak op 23 april 2020 met instemming van alle betrokkenen via telehoren behandeld. Gehoord zijn:

  • -

    betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    [naam psychiater] , psychiater;

  • -

    [naam arts-assistent] , arts-assistent;

  • -

    [naam verpleegkundige] , verpleegkundige;

  • -

    [naam mentor] , mentor.

2 Het verzoek en verweer

2.1.

Het CIZ heeft verzocht ten aanzien van betrokkene een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.

2.2.

Betrokkene verklaart dat zij niet langer in Wijerode wil blijven. Zij wil alleen maar terug naar haar echtgenoot.

2.3.

De advocaat voert namens betrokkene verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek, nu niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het verlenen van een rechterlijke machtiging op grond van de Wzd. De advocaat heeft contact opgenomen met de geneesheer-directeur van Mondriaan en heeft hem verzocht ontslag te verlenen ten aanzien van betrokkene, aangezien de wettelijke beslistermijn door de rechtbank is overschreden. De geneesheer-directeur heeft vervolgens (voorwaardelijk) ontslag ten aanzien van betrokkene verleend, hetgeen met zich meebrengt dat de zogeheten nawerking van de rechterlijke machtiging die is verleend op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) is komen te vervallen. Betrokkene verblijft dientengevolge reeds enkele dagen op vrijwillige basis binnen Wijerode. De afgelopen dagen hebben zich desondanks geen incidenten voorgedaan waarbij betrokkene heeft geprobeerd de instelling te verlaten of anderszins een situatie heeft gecreëerd waardoor een opname op basis van een inbewaringstelling nodig was. Volgens de advocaat kan dientengevolge niet worden gesteld dat sprake is van verzet bij betrokkene, waardoor geen grond bestaat voor een rechterlijke machtiging in het kader van de Wzd. Nu betrokkene ook geen blijk heeft gegeven van de nodige bereidheid tot opname en verblijf valt betrokkene in de categorie van artikel 21 van de Wzd. Dit houdt in dat het verblijf van betrokkene in de zorgaccommodatie plaats kan vinden op grond van een besluit tot opname en verblijf van het CIZ. Indien tijdens de opname blijkt dat desondanks sprake dient te zijn van onvrijwillige zorg kan dit op grond van artikel 10, tweede lid, van de Wzd worden geboden op basis van het zorgplan. De advocaat overweegt voorts dat het verzoek niet toewijsbaar is, omdat de op grond van artikel 26, zesde lid, van de Wzd vereiste bescheiden niet bij het verzoek zijn overgelegd. Zo ontbreekt de verklaring van de zorgaanbieder van de accommodatie waarin betrokkene momenteel verblijft en voldoet het overgelegde behandelplan niet aan de eisen van artikel 7 van de Wzd, nu hierin niet staat benoemd welke afspraken met betrokkene of haar vertegenwoordiger zijn gemaakt of op welke wijze rekening is gehouden met de voorkeuren van betrokkene.

2.4.

De ter zitting aanwezige psychiater verklaart dat betrokkene in oktober 2019 is opgenomen bij Mondriaan Zorggroep, locatie Wijerode, op grond van een inbewaringstelling onder de Wet Bopz. Er was destijds sprake van ernstige agressie-incidenten in de thuissituatie. Betrokkene was daarnaast bekend met fors dwaalgedrag, waarbij zij de weg naar huis niet meer terug kon vinden. Er was mogelijk ook sprake van hallucinaties en waanachtige beelden. Aansluitend op de inbewaringstelling is vervolgens een rechterlijke machtiging verleend onder de Wet Bopz voor de duur van zes maanden. Betrokkene is gediagnosticeerd met dementie in de vorm van Alzheimer. Dit betreft een progressief ziektebeeld. Betrokkene is bekend met forse geheugenproblemen, waardoor het haar niet lukt haar eigen zaken te regelen en zij voortdurend vergeet de gemaakte afspraken na te komen. Als gevolg van de structuur die betrokkene wordt geboden in de zorgaccommodatie zijn de agressie- en gedragsincidenten sterk verminderd. Zo worden de contacten met de echtgenoot duidelijk ingekaderd en vonden de fysieke contactmomenten voorafgaand aan de coronacrisis onder toezicht plaats. De psychiater was niet op de hoogte van het ontslag van betrokkene door de geneesheer-directeur. Volgens de psychiater doet het gegeven dat betrokkene dientengevolge enkele dagen op vrijwillige basis in Wijerode heeft verbleven niets af aan het gegeven dat betrokkene de structuur van de zorgaccommodatie nodig heeft. Om te voorkomen dat wederom dezelfde gevaarlijke situaties zullen ontstaan als voorafgaand aan de opname heeft betrokkene 24 uur per dag toezicht nodig in een gestructureerde omgeving. Indien betrokkene nu terug naar huis keert, zal haar gedragsstoornis zich ongetwijfeld op dezelfde wijze openbaren als voorafgaand aan de opname. De zorgen dat betrokkene zich niet zal kunnen handhaven in haar thuissituatie als gevolg van haar ziektebeeld zijn daarom onverminderd groot.

2.5.

De mentor verklaart dat zij sinds november 2019 betrokken is bij betrokkene. Er is destijds een aanvraag ingediend voor de instelling van mentorschap en bewind, aangezien het voor de echtgenoot van betrokkene heel moeilijk was om er samen met betrokkene uit te komen welke behandeling in haar belang was. Betrokkene en haar echtgenoot hebben nauwelijks een ondersteunend netwerk en zijn daarom erg op elkaar gericht. Gelet op het huidige toestandsbeeld van betrokkene is het niet mogelijk dat zij weer thuis bij haar echtgenoot gaat wonen. Hoewel betrokkene ambivalent is in haar uitspraken ten aanzien van haar verblijfplaats, heeft zij meermaals aangegeven dat zij niet in Wijerode wil blijven. Er is daarom wel degelijk sprake van verzet vanuit betrokkene. Indien de rechterlijke machtiging wordt verleend, zal betrokkene worden overplaatst naar Zorgcentrum Molenpark van Sevagram in Heerlen. Dit zorgcentrum ligt dichter bij de woonplaats van de echtgenoot en de bezoektijden zijn ruimer.

3 De beoordeling

3.1.

Op grond van artikel 24 Wzd verleent de rechter op verzoek van het CIZ een rechterlijke machtiging om betrokkene te doen opnemen en te doen verblijven in een geregistreerde accommodatie indien de opname en het verblijf onvrijwillig is, als bedoeld in het tweede lid, en wordt voldaan aan de in het derde lid genoemde voorwaarden.

3.2.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Wzd beslist de rechter in elk geval binnen drie weken na de datum van indiening van het verzoekschrift op het verzoek tot het verlenen van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf, indien het verzoek betrekking heeft op een betrokkene die reeds in een accommodatie verblijft.

3.2.1.

Het CIZ heeft op 25 maart 2020 een verzoek ingediend om ten aanzien van betrokkene een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen. Nu de rechtbank het verzoek op 23 april 2020 mondeling heeft behandeld, erkent de rechtbank dat zij daarmee de wettelijke beslistermijn van artikel 39, eerste lid, van de Wzd heeft overschreden. De rechtbank wenst in dit verband echter wel te benadrukken dat deze termijnoverschrijding het gevolg is van de uitzonderlijke omstandigheden in de huidige maatschappij. In verband met de uitbraak van het coronavirus zijn immers tal van landelijke maatregelen getroffen. Onderdeel daarvan is dat de Rechtspraak heeft besloten vanaf dinsdag 17 maart 2020 de rechtbanken, gerechtshoven en bijzondere colleges te sluiten. De gerechten hebben sindsdien nog maar een minimale bezetting. Gelet op de beperkte capaciteit van de rechtbank konden in eerste instantie alleen bijzonder urgente zaken doorgang vinden, waardoor de mondelinge behandelingen van andere zaken noodgedwongen verder naar achteren zijn verplaatst. De rechtbank wijst er in dit verband ook op dat de rechtbank de onderhavige zaak niet zonder meer onbehandeld heeft gelaten en voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft onderzocht of er mogelijkheden bestonden de zaak op een alternatieve wijze af te doen.

3.2.2.

Bij beschikking van 17 oktober 2019 is in het kader van de Wet Bopz een voorlopige machtiging verleend om betrokkene te doen opnemen en te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal zes maanden, aldus tot en met

17 april 2020. Op 1 januari 2020 is de Wzd in werking getreden als opvolger van de Wet Bopz. Gedurende de periode van 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2020 geldt overgangsrecht voor machtigingen die al vóór 1 januari 2020 zijn aangevraagd of afgegeven. Ingevolge dit overgangsrecht is de Wet Bopz gedurende de overgangstermijn in volle omvang van toepassing op de lopende machtigingen die onder de Wet Bopz zijn afgegeven. Volgens de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer ECLI:NL:HR:1994:ZC1526) hebben rechterlijke machtigingen die zijn verleend in het kader van de Wet Bopz zogeheten nawerking. Dit brengt met zich mee dat in het geval waarin de verzoekende partij vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van een lopende machtiging een verzoek tot het verlenen van een nieuwe machtiging heeft ingediend, niet gesproken kan worden van een vrijwillig verblijf zolang niet definitief op dit verzoek is beslist. Nu het CIZ op 25 maart 2020, en derhalve tijdig, een verzoek heeft ingediend voor het verlenen van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf was in de onderhavige zaak in beginsel sprake van de voornoemde nawerking en had de machtiging die onder de Wet Bopz is verleend zijn geldigheid behouden tot de rechtbank op het onderhavige verzoek had beslist.

3.2.3.

Uit ECLI:NL:HR:2011:BP2314 volgt dat de geneesheer-directeur ingevolge artikel 48, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bopz een betrokkene op wie hoofdstuk II van de Wet Bopz toepassing heeft gevonden, ontslag uit het ziekenhuis verleent zodra de geldigheidsduur van een van de in hoofdstuk II, paragrafen 1 tot en met 4, bedoelde rechterlijke machtigingen is verstreken, tenzij voor het einde van de termijn een verzoek is gedaan tot het verlenen van een aansluitende rechterlijke machtiging (in welk geval ontslag wordt verleend zodra op het verzoek is beschikt en de beschikking niet strekt tot voortgezet verblijf, dan wel de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken).

3.2.4.

De rechtbank heeft van de advocaat van betrokkene begrepen dat zij de geneesheer-directeur heeft verzocht ontslag te verlenen ten aanzien van betrokkene, nu door de rechtbank de wettelijke beslistermijn van artikel 39, eerste lid, van de Wzd is overschreden. Gelet op de bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan de termijnoverschrijding heeft plaatsgevonden, had het wellicht op de weg van de advocaat gelegen het verloop van de procedure af te wachten alvorens een dergelijk verzoek neer te leggen bij de geneesheer-directeur. De rechtbank ziet zich nu echter voor het feit gesteld dat de lopende machtiging onder de Wet Bopz als gevolg van het ontslag is komen te vervallen, hetgeen moet worden meegewogen bij de inhoudelijke beoordeling van het onderhavige verzoek.

3.3.

Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie in de vorm van Alzheimer.

3.4.

Betrokkene verblijft sinds oktober 2019 op grond van een inbewaringstelling en later op grond van een rechterlijke machtiging onder de Wet Bopz op de gesloten afdeling van de huidige zorgaccommodatie. Voorafgaand aan de opname bleek dat betrokkene niet langer in staat was om voor zichzelf te zorgen en zichzelf van maaltijden te voorzien. Er was daarnaast sprake van fors decorumverlies, aangezien betrokkene soms naakt over straat liep. Betrokkene was tevens bekend met ernstig dwaalgedrag, waarbij zij nagenoeg iedere avond de weg naar huis niet meer terug kon vinden en in bushokjes sliep. Er was ook sprake van forse verbale en fysieke agressie jegens haar echtgenoot. Betrokkene weigerde ten slotte ondersteuning te accepteren in haar thuissituatie voor de voornoemde problematiek. De ter zitting aanwezige psychiater heeft gemotiveerd gesteld dat als gevolg van het progressieve ziektebeeld van betrokkene de zorgen dat zij zich in haar thuissituatie niet kan handhaven onverminderd groot zijn. Het gedrag van betrokkene als gevolg van deze psychogeriatrische aandoening leidt dientengevolge nog steeds tot ernstig nadeel als bedoeld in artikel 1 tweede lid, van de Wzd. Uit het voorgaande volgt dat het nadeel is gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel, ernstige verwaarlozing, maatschappelijke teloorgang en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.

3.5.

De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene heeft als gevolg van haar ziektebeeld 24 uur per dag begeleiding en toezicht nodig in een veilige omgeving.

3.6.

Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Gelet op de ernst en onomkeerbaarheid van de psychogeriatrische aandoening is de verwachting niet gerechtvaardigd dat thans ambulante ondersteuning in de thuissituatie wel toereikend zal zijn om de veiligheid van betrokkene te waarborgen en het ernstig nadeel af te wenden.

3.7.

Ingevolge artikel 24 van de Wzd is onvrijwillige opname en verblijf op grond van een rechterlijke machtiging alleen mogelijk indien betrokkene zich verzet tegen de opname en het verblijf. De rechtbank ziet zich nu voor de vraag gesteld wanneer gesproken kan worden van verzet als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wzd. Op grond van artikel 21 van de Wzd kan een betrokkene worden opgenomen op basis van een besluit tot opname en verblijf van het CIZ indien betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot de opname en het verblijf, maar zich er ook niet tegen verzet. Uit het derde lid van dit artikel volgt dat indien betrokkene vrijwillig of op grond van een dergelijk besluit tot opname en verblijf van het CIZ is opgenomen en verblijft in een accommodatie, maar zich vervolgens op zodanige wijze verzet tegen verschillende onderdelen van de zorgverlening dat het leveren van cliëntgerichte zorg feitelijk niet mogelijk is, de voortzetting van het verblijf geacht wordt onvrijwillig te zijn, waardoor artikel 24, eerste lid van de Wzd van toepassing is. Als gevolg van het ontslag door de geneesheer-directeur verbleef betrokkene reeds enkele dagen op vrijwillige basis in de zorgaccommodatie. Betrokkene gaf ter zitting weliswaar te kennen dat zij niet langer wenste te blijven en dat zij weer samen met haar echtgenoot wilde gaan wonen, maar zij heeft de accommodatie niet verlaten, noch heeft zij zich op een andere manier op zodanige wijze verzet dat het leveren van cliëntgerichte zorg niet mogelijk was. Er is derhalve bij betrokkene – althans op dit moment – geen sprake van verzet als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wzd, waardoor geen grondslag bestaat voor het verlenen van een rechterlijke machtiging.

3.8.

De rechtbank overweegt ten slotte nog als volgt. Ingevolge artikel 26, zesde lid, van de Wzd overlegt het CIZ ingeval het verzoek tot het verlenen van een machtiging een betrokkene betreft die al in een accommodatie verblijft een verklaring van de zorgaanbieder van de accommodatie waarin betrokkene is opgenomen, alsmede een afschrift van het zorgplan. Het zorgplan dient te voldoen aan de vereisten van artikel 7 van de Wzd.

3.8.1.

Gebleken is dat door het CIZ geen verklaring van de zorgaanbieder van de accommodatie waarin betrokkene is opgenomen is overgelegd. Voorts is gebleken dat het overgelegde behandelplan niet voldoet aan de eisen die artikel 7 van de Wzd aan het zorgplan stellen, nu uit dit behandelplan niet volgt op welke wijze rekening is gehouden met de wensen en voorkeuren van betrokkene en haar vertegenwoordiger. Nu deze wettelijk vereiste bescheiden ontbreken, dan wel niet voldoen aan de wettelijke vereisten, acht de rechtbank het verzoek eveneens niet toewijsbaar.

3.9.

Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de criteria voor het verlenen van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

4 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M.J. van den Acker, rechter, in tegenwoordigheid van S.H.J.M. Jacobs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2020 en op schrift gesteld op 30 april 2020.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.