Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:3120

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
23-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
C/03/275035 / KG ZA 20-82
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:2321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffen conservatoir derdenbeslag. Aanbieden bankgarantie. Hoogte van het bedrag waarvoor verlof is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummer / rolnummer: C/03/275035 / KG ZA 20-82

Vonnis in kort geding van 23 april 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. B. van Meurs,

tegen

1 [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] ,

wonend te [woonplaats 1] ,

2. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2],

wonend te [woonplaats 2] ,

3. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 3],

wonend te [woonplaats 2] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mrs. J.A.A. van der Weijst en E. de Fretes.

Partijen zullen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] en tezamen gedaagden of eisers in reconventie, dan wel voor zover nodig voor het begrip van dit vonnis [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] , [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 3] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 maart 2020, met 33 producties,

  • -

    de depotakte van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] , met usb-stick,

  • -

    de brief van 13 maart 2020 van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] , met producties 34 tot en met 39,

  • -

    de akte houdende verzoek tot verwijzing naar rechtbank, tevens houdende akte overlegging producties, tevens conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 12b,

  • -

    de brief van 8 april 2020 van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] , met productie 40,

  • -

    de mondelinge behandeling van 9 april 2020, met de pleitnota van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] en de pleitnota van gedaagden / eisers in reconventie.

1.2.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de stelling van gedaagden dat zij niet hebben ontvangen de producties 34 tot en met 39 en evenmin hebben ontvangen een kopie van de gedeponeerde usb-stick, niet onderbouwd door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] is weerlegd, zodat deze producties buiten beschouwing worden gelaten. De genomen maatregelen in verband met de coronacrisis, brachten met zich dat zo het al niet onmogelijk was voor gedaagden om kennis te nemen van de inhoud van de USB-stick op de rechtbank, die immers een groot deel van de periode tussen de depotbrief van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] van 5 maart 2020 en de mondelinge behandeling op 9 april 2020, was gesloten, dit in redelijkheid in elk geval niet van hen kon worden gevergd. Hierbij is meegewogen dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] eenvoudig een kopie van die USB-stick aan gedaagden had kunnen doen toekomen. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de raadsman van gedaagden niet conform de regels van een behoorlijke procesvoering heeft gehandeld door na de ontvangst van productie 40 niet terstond bij de advocaat van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] te informeren hoe het zit met de producties 34 tot en met 39. Dit brengt echter niet met zich dat die producties toch moeten worden geacht in het geding te zijn gebracht. Die sanctie is te zwaar voor dit niet in acht nemen van de regels van een behoorlijke procesvoering.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] drijft een fysiotherapiepraktijk op verschillende locaties in Sittard en op een locatie in Geleen. De praktijk maakt deel uit van een groep fysiotherapiepraktijken van “ [naam 1] ”. Een andere praktijk is gevestigd in Schinveld ( [naam bedrijf 1] .). Bestuurder van beide vennootschappen is [naam bedrijf 2] , vertegenwoordigd door haar DGA / bestuurder de heer [naam bestuurder] .

2.2.

Gedaagden zijn allen fysiotherapeut en hebben in het verleden op basis van een arbeidsovereenkomst gewerkt in een van de vestigingen van de [naam 1] .

2.3.

In het kader van – kort gezegd – arbeidsconflicten zijn tussen (een deel van) partijen al eerder procedures gevoerd. Uit deze procedures, voor zover van belang, het volgende:

  1. het proces-verbaal van de rechtbank Limburg, locatie Roermond van 16 juli 2018, opgemaakt in de verzoekschriftprocedure met zaaknummer 6950007 \ AZ VERZ 18-92, die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] als verzoekers gestart zijn tegen [naam bedrijf 1] . Blijkens het proces-verbaal (productie 6 dagvaarding) heeft de kantonrechter tijdens de zitting aan partijen meegedeeld “dat hij van oordeel is dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] in het verzoekschrift een bewuste keuze hebben gemaakt wie zij willen aanspreken en wie als verwerende partij heeft te gelden en dat dient derhalve – na lezing van Schinveld als Sittard – [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] te zijn. Een hersteld lezen van het verzoekschrift gaat niet zover dat daarin tevens meerdere partijen als werkgever of een natuurlijk persoon als werkgever gelezen kan worden.”

  2. de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, van 30 september 2019 in de verzoekschriftprocedure met zaaknummer 6950007 \ AZ VERZ 18-92 (productie 7 dagvaarding) waarbij in de kop van de beschikking als verweerder is vermeld [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] en waarin onder rov. 2.5. (“Wie is/zijn verweerder(s)?”) het volgende is overwogen:

“2.5.1. De kantonrechter stelt vast dat het inleidende verzoekschrift (slechts) één verweerder kent, namelijk [naam bedrijf 1] . Weliswaar is in het lichaam van het verzoekschrift ook sprake van de bestuurder van [naam bedrijf 1] en de bestuurder daarvan, wordt die laatste zelfs genoemd “gedaagde sub 3” en worden er ook verwijten jegens de bestuurder(s) geformuleerd, maar dit alles maakt niet anders dat uitdrukkelijk in

het verzoekschrift staat “verweerster te dezen is” waarna enkel [naam bedrijf 1] wordt genoemd. Evenmin wordt dit anders nu er in een akte tot oproeping van het geding opeens wel alle hiervoor genoemde (rechts)personen als verweerster worden genoemd. Voor de beantwoording wie als verweerster dient te worden aangemerkt is het verzoekschrift zelf van belang. Overigens sluit dit ook weer aan bij de akte onder punt 23. waar opgemerkt wordt dat het verzoekschrift tegen [naam bedrijf 1] is ingediend.

De kantonrechter heeft ter mondelinge behandeling reeds beslist dat voor [naam bedrijf 1] [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] gelezen dient te worden. Uit het verzoekschrift volgt dat beoogd is de werkgever van de beide verzoekers als verweerster aan te merken. Dit is uiteraard ook logisch, nu de vorderingen voortvloeien uit de tussen die (rechts)personen bestaande arbeidsverhouding. Uit de processtukken, de daarin ingenomen standpunten, de feitelijke invulling die partijen én uit de overgelegde arbeidsovereenkomsten volgt dat de werkgever [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] moet zijn. Nu niet gesteld of gebleken is dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in zijn verdediging is geschaad door de foutieve aanduiding - immers is de onjuistheid voor de zitting al aan de orde gesteld, gaat het om dezelfde gemachtigde en dezelfde inhoudelijke argumenten- kan er geen onduidelijkheid hebben bestaan over de vraag tegen welke partij liet verzoekschrift zich materieel richtte. De kantonrechter zal dan ook het verzoekschrift verbeterd lezen.

De kantonrechter heeft voorts geoordeeld dat het verbeterd lezen niet zover gaat dat daar ook andere (rechts)personen als medegedaagde onder begrepen moeten worden. Deze zaak kent derhalve [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] als verzoekers en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] als verweerster.”

Deze procedure is nog aanhangig.

het als productie 3 dagvaarding overgelegde vonnis in kort geding van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, locatie Roermond, van 11 oktober 2018 met zaaknummer 6950356 \ CV EXPL 18-3406 tussen gedaagden als eisers en [naam bedrijf 1] , [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] , [naam bedrijf 2] en dhr. [naam bestuurder] als gedaagden, waarbij de gevraagde voorlopige voorzieningen – kort gezegd – om een financieel deskundige te benoemen aan wie alle gegevens moeten worden verstrekt om de aanspraken (achterstallig loon) van gedaagden vast te kunnen stellen en de alsdan vastgestelde achterstallige loonaanspraken uit te betalen en het non-concurrentiebeding te schorsen, zijn afgewezen. Gedaagden zijn veroordeeld in de proceskosten begroot op € 600,00.

het als productie 4 dagvaarding overgelegde arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 29 oktober 2019 met zaaknummer 200.249.286/01 tussen gedaagden als eisers en [naam bedrijf 1] , [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] , [naam bedrijf 2] en dhr. [naam bestuurder] als gedaagden, ingesteld tegen het onder (c) genoemde vonnis in kort geding van 11 oktober 2018, waarbij – kort gezegd – het vonnis van 11 oktober 2018 is bekrachtigd. Gedaagden zijn veroordeeld in de proceskosten van (€ 5.382,00 + € 3.759,00 =) € 9.141,00. Hiertegen is geen cassatie ingesteld, zodat het arrest onherroepelijk is geworden.

een nog aanhangig zijnde procedure met zaaknummer 7648776 AZ VERZ 19-56, aangebracht op 29 maart 2019, tussen [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 3] en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] .

2.4.

Omdat gedaagden stelden een loonvordering te hebben op [naam bedrijf 1] waren zij voornemens conservatoir beslag ten laste van haar te laten leggen, tenzij zij voor de (beweerdelijke) loonvorderingen zekerheid door middel van een bankgarantie zou stellen. In dit kader heeft hun advocaat op 11 juni 2018, 14 juni 2018, 19 juni 2018, 21 juni 2018, 22 juni 2018 en 25 juni 2018 e-mailberichten aan de advocaat van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] (Schinveld) gestuurd.

2.5.

Op 2 juli 2018 heeft de Coöperatieve Rabobank U.A. een “Beslaggarantie
nr. GU702354BBG AD EUR 100.000,00” opgemaakt en getekend (productie 2 dagvaarding). Hierin staat – voor zover thans van belang – het volgende:

“(...) in aanmerking nemende dat:

A. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] , [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 3] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] , (...) hierna te noemen: Begunstigde, een vordering pretendeert te hebben op [naam bedrijf 1] , (...) hierna te noemen: Debiteur,

uit hoofde van verzoekschrift en kortgeding, thans begroot op EUR 100.000,00 (...), hierna te noemen: de Vordering,

de Begunstigde ten laste van de Debiteur voor de Vordering conservatoire beslag(en) heeft doen leggen, dan wel daartoe het voornemen heeft

de Debiteur ter opheffing c.q. voorkoming van dit (deze) beslag(en) en ter voorkoming van verdere conservatoire beslagen voor de Vordering de Bank heeft verzocht een bankgarantie te stellen ten behoeve van de Begunstigde;

verklaart het navolgende:

(...)

5. Zodra door de Begunstigde aan deze bankgarantie geen rechten meer kunnen worden ontleend is de Begunstigde verplicht het origineel van deze garantie aan de Bank terug te geven en de Bank schriftelijk mee te

delen dat de Bank uit haar verplichtingen uit hoofde van deze garantie is ontslagen. (...)”.

2.6.

Ten behoeve van de voornoemde bankgarantie heeft [naam bedrijf 1] een contra-garantie van € 100.000,- gesteld bij de Rabobank. Dit geld is afkomstig uit de pensioenvoorziening van dhr. [naam bestuurder] bij [naam bedrijf 2] en staat bij de Rabobank op een geblokkeerde rekening.

2.7.

Bij verzoekschrift ex artikel 700 lid 2 Rv tot het leggen van repeterend conservatoir bankbeslag (derdenbeslag) van 19 december 2019 (productie 1 dagvaarding) hebben – kort gezegd – gedaagden bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg verzocht om ten laste van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] ter verzekering van het verhaal van een vordering op [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] repeterend conservatoir derdenbeslag te mogen doen leggen onder de Rabobank voor een bedrag van € 225.000,-. Ter onderbouwing van dit verzoekschrift hebben gedaagden gesteld dat de zaak de afwikkeling van vier dienstverbanden van gedaagden betreft en dat zij allen in dienst zijn geweest van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] als werkgever en dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] in dit verzoekschrift tevens optreedt als lasthebber van [naam 2] . In het verzoekschrift is melding gemaakt van het door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] op 31 mei 2018 ingediende verzoekschrift, het kort geding en het hoger beroep daartegen en het verzoekschrift van 29 maart 2019 (zie rov. 2.3 hiervoor). Onder 2.2. van het beslagverzoekschrift hebben verzoekers aangevoerd dat de grondslag van die vordering de arbeidsovereenkomst en de nakoming van de op werkgever [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] rustende dwingendrechtelijke bepalingen van het arbeidsrecht en daarmee samenhangende regelingen is en dat zij deswege een opeisbare vordering op [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] hebben. De eis in de hoofdzaak is reeds aanhangig, zo meldden gedaagden ten slotte.

2.8.

Op 19 december 2019 hebben gedaagden uit kracht van de grosse van de beschikking op 19 december 2019 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg ten laste van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] conservatoir derdenbeslag laten leggen op alle lopende rekeningnummers en spaarrekeningen onder de Rabobank voor een bedrag van € 225.000,-.

2.9.

Bij e-mailbericht van 23 december 2019 11:19 (productie 16 dagvaarding) heeft de advocaat van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] – kort gezegd – de advocaat van gedaagden verzocht, en voor zoveel nodig gesommeerd, om de door [naam bedrijf 1] afgegeven bankgarantie van € 100.000,- diezelfde dag aan zijn kantoor te retourneren.

2.10.

In reactie daarop heeft de advocaat van gedaagden – kort gezegd – bij e-mailbericht van 24 december 2019 om 00:08 (productie 17 dagvaarding) laten weten niet aan het verzoek van 23 december 2019 te zullen voldoen.

2.11.

Bij vonnis in kort geding van 11 februari 2020 (C/03/273503 KG ZA 20-22) is beslist dat, op straffe van verbeurte van een dwangsom en onder veroordeling in de kosten, gedaagden de bankgarantie van de Rabobank U.A. met nummer GU702354BBG, groot
€ 100.000,-, die op 2 juli 2018 door of namens [naam bedrijf 1] is verstrekt, terug dienden te geven door middel van afgifte van alle originele exemplaren van die bankgarantie aan de Rabobank. Gedaagden hebben uitvoering gegeven aan deze veroordeling (nr. 3.31 dagvaarding).

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] vordert bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad dat de voorzieningenrechter:

Primair

(1) Gedaagden hoofdelijk veroordeelt om binnen vierentwintig uur na afgifte van een bankgarantie van € 100.000,- aan gedaagden conform het ontwerp met nummer GD2OTO1756 dat als productie 21 aan de dagvaarding is gehecht, het conservatoir derdenbeslag van 19 december 2019 ten laste van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] onder de Rabobank U.A. op te heffen en opgeheven te houden;

(2) de veroordeling onder sub 1 te versterken met een dwangsom van € 100.000,- (zegge: honderdduizend euro) per persoon, althans met een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom;

Subsidiair

(3) De vordering van gedaagden opnieuw begroot op € 131 .560,-, althans op € 182.100,- althans op een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, en gedaagden hoofdelijk veroordeelt om binnen 24 uur na afgifte aan gedaagden van een bankgarantie groot € 131.560,-, althans groot € 182.100,- dan wel een bankgarantie voor een door de voorzieningenrechter in goedejustitiete te begroten bedrag, zulks conform het ontwerp met nummer GD20T01756 zoals bijgevoegd als productie 21, het conservatoir derdenbeslag van 19 december 2019 ten laste van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] onder de Rabobank U.A. op te heffen en opgeheven te houden;

(4) de veroordeling onder sub 3 te versterken met een dwangsom van € 100.000,- (zegge: honderdduizend euro) per persoon, althans met een door U.E.A. in goede justitie te bepalen dwangsom;

Meer subsidiair

(5) Gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot het beperken van het conservatoir derdenbeslag van 19 december 2019 ten laste van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] onder de Rabobank U.A. tot € 225.000,= en daartoe zowel deurwaarder [naam deurwaarder] alsook de Rabobank U.A. binnen 24 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis schriftelijk te berichten dat het conservatoir derdenbeslag van 19 december 2019 wordt beperkt tot € 225.000,- en dat dit conservatoir derdenbeslag wordt opgeheven en opgeheven wordt gehouden voor het gedeelte dat het beslag voor meer dan € 225.000,= doel heeft getroffen;

(6) de veroordeling onder sub 5 te versterken met een dwangsom van € 100.000,- (zegge: honderdduizend euro) per persoon, althans met een door door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom;

In alle gevallen

Gedaagden veroordeelt in de kosten van deze procedure, zijnde de integrale proceskosten, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na het in deze te wijzen vonnis, als gedaagden in gebreke blijven met betaling van de in het vonnis vastgestelde proceskostenveroordeling, zulks tot de dag der algehele voldoening.

3.2.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] legt aan de vorderingen ten grondslag dat de vordering van gedaagden ondeugdelijk is, omdat deze gebaseerd is op onjuiste aannames. Bovendien heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] het loon gecontroleerd en voor zover er te weinig betaald was, heeft zij dit rechtgetrokken. Voor zover de deugdelijkheid van de vordering toch summierlijk zou blijken, stelt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] , onder meer, dat het bedrag waarvoor beslagverlof is verleend van meet af aan onjuist (te hoog) is en herberekend dient te worden, met inachtneming van het feit dat de vordering van de heer [naam 2] niet meegenomen mag worden, de opslagen niet juist zijn vastgesteld en ten onrechte wordt gerekend met handelsrente. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] biedt aan een bankgarantie af te geven voor € 100.000,-.

3.3.

Gedaagden voeren gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

Eisers in reconventie vorderen aanvullende toestemming om aanvullend voor een bedrag van € 25.000,00 conservatoir derdenbeslag te mogen leggen.

4.2.

Eisers in reconventie leggen aan de vordering ten grondslag dat inmiddels door tijdsverloop (rente) de vordering is gestegen tot € 213.141,06.

4.3.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] voert gemotiveerd verweer.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in conventie

Verwijzing naar de rechtbank

5.1.

Gedaagden stellen zich op het standpunt dat gelet op de aard en de omvang van de dagvaarding en de onderliggende producties behandeling in kort geding niet aan de orde kan zijn wegens strijd met de goede procesorde.

5.2.

De voorzieningenrechter wijst dit verzoek af, omdat hij op grond van artikel 705 lid 1 Rv zonder meer bevoegd is te beslissen op de ingestelde vordering(en). Het dossier is omvangrijk, maar niet zodanig dat met inachtneming van de verstreken tijd tussen uitreiking dagvaarding en mondelinge behandeling, een redelijk bekwaam advocaat niet in staat zou zijn een behoorlijke verdediging te voeren. Indien een of meer van de vorderingen in een kort geding niet te zijn beoordelen, dient deze vordering in beginsel te worden afgewezen.

in conventie en in reconventie

Het conservatoir derdenbeslag

5.3.

Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger, hier dus de gedaagden, ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert, [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] , om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481).

Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van gedaagden bij handhaving van het beslag op grond van de door hen naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] bij opheffing van het beslag.

De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

5.4.

De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, dient in beginsel te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen. In dit kader kan niet worden gezegd dat de volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] met art. 21 Rv strijdige informatievoorziening van gedaagden aan de beslagverlof verlenende rechter, zo al juist, gevolgen moet hebben. Er wordt daarom voorbij gegaan aan al hetgeen [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] omtrent art. 21 Rv heeft aangevoerd.

De vordering in de hoofdzaak

5.5.

Vast staat dat in de bodemprocedure nog geen einduitspraak is gedaan en er kan van worden uitgegaan dat binnen afzienbare termijn een deskundige zal worden benoemd om een onderzoek te verrichten naar de omvang van de loonvordering van (in ieder geval) [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] . [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 3] heeft in een door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in 2019 gestarte bodemprocedure haar loonvordering als tegenverzoek in geding gebracht.

De vorderingen van gedaagden in kort geding zijn in eerste aanleg (11 oktober 2018) en in appel (29 oktober 2019) afgewezen. Hierbij zijn die loonvorderingen niet materieel-inhoudelijk aan de orde geweest. Die loonvorderingen zijn afgewezen omdat de rechter niet heeft willen benoemen een deskundige die het ten onrechte niet uitgekeerde loon moest berekenen.

5.6.

Gedaagden onderbouwen hun loonvordering met een rapportage van [naam 3] (productie 3 akte houdende verzoek verwijzing …) die door registeraccountant [naam registeraccountant] van een goedkeurende verklaring is voorzien (productie 4 akte houdende verzoek verwijzing …).

5.7.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] stelt daartegenover dat de deskundigen van gedaagden uitgaan van onjuiste aannames en dat looncontrole op basis van onderzoek van de eigen loonadministratie heeft geresulteerd in nabetaling, die inmiddels ook heeft plaatsgevonden aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] en [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 3] .

5.8.

Het gewicht dat voorshands aan de rapportage van [naam 3] bezien in samenhang met de verklaring van [naam registeraccountant] moet worden gegeven, is zodanig veel zwaarder dan de daartegenover staande eigen loonadministratie van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] , dat niet kan worden geoordeeld dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] met die loonadministratie summierlijk de ondeugdelijkheid van de vordering van gedaagden voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De onderbouwing van het partijstandpunt door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] op basis van de eigen administratie is onvoldoende neutraal en doorwrocht. Waarde wordt tevens gehecht aan het feit dat de kantonrechter in de bodemprocedure termen aanwezig heeft geacht om een deskundige te benoemen teneinde een loonberekening te maken. Uit die beslissing kan worden afgeleid dat de loonvordering in elk geval zodanig behoorlijk is onderbouwd, dat in die bodemprocedure tot bewijslevering moet worden overgegaan. Omdat de kort gedingprocedure zich naar de aard niet leent voor nadere bewijsvoering, moet dan ook worden geoordeeld dat betwisting van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] van het deskundigenrapport van gedaagden van onvoldoende gewicht is om te moeten oordelen dat de vordering van de wederpartij summierlijk ondeugdelijk is.

Anders dan gedaagden lijken te menen (zie nr. 3.28 pleitnota) kan in elk geval aan de hand van de in dit geding overgelegde stukken uit de zaak met nummer 6950007 niet worden geoordeeld dat appel had moeten worden ingesteld en dat de appeltermijn is verstreken tegen de beslissing van de rechter in die zaak dat geen “all-in-loon” is overeengekomen. In dit geding blijkt uit niets dat de kantonrechter deze beslissing in een dictum heeft neergelegd en dat tevens sprake is van een eindoordeel waarbij omtrent enig deel van het gevorderde een eind is gemaakt. Het lijkt erop dat de kantonrechter niet meer heeft gedaan dan een betwisting verwerpen.

De positie van [naam 2]

5.9.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] is van mening dat bij de begroting van het bedrag waarvoor beslag kan worden gelegd, niet mag worden meegenomen de loonvordering van [naam 2] . Een dergelijke loonvordering is niet (tijdig) ingesteld.

In de brief van de stafjurist van 20 maart 2019 in de zaak met nummer 6950007 (productie 8 dagvaarding) is vermeld dat [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] een akte hebben genomen waarin de eerdere eis is vermeerderd en aangevuld met vorderingen van andere werknemers dan verzoekers. De voorzieningenrechter begrijpt dat in elk geval [naam 2] valt onder “die andere werknemers”. De brief vermeldt verder: “De gemachtigde van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] verzet zich tegen de akte en de producties. Wat betreft de vermeerdering van eis stelt de kantonrechter allereerst vast dat dit op grond van artikel 283 Rv mogelijk is, doch dat verweerder bevoegd is hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter beslist, partijen gehoord, zo spoedig mogelijk. De rechter kan op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten. De kantonrechter zal op grond van het vorenstaande de eisvermeerdering buiten beschouwing laten.(…)”. Er van uitgaande dat deze brief, waarin geen motivering is te vinden, de naam van de kantonrechter niet is vermeld en een rechterlijke handtekening ontbreekt, moet worden beschouwd als een uitspraak, is dit een uitspraak waaruit niet zonder meer volgt dat het beslag voor zover gelegd door [naam 2] niet meer bestaat of terstond moet worden opgeheven. De thans ontstane situatie lijkt op het geval dat een eiser beslag heeft gelegd en in de bodem een vordering instelt, die door de eerste aanlegrechter wordt afgewezen. In een dergelijk geval brengt de afwijzing van de vordering niet zonder meer met dat het beslag moet worden opgeheven (verg. HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559). In dit geval heeft te gelden dat [naam 2] beslag heeft gelegd en in elk geval een vordering/verzoek heeft ingediend. Die is op formele gronden afgewezen, maar dat doet niet af aan het feit dat hij een vordering heeft ingediend, zodat dit geval analoog aan het net genoemd arrest moet worden beoordeeld. Dit betekent allereerst dat ook de vordering van [naam 2] zal worden meegenomen bij de begroting van de volledige loonvordering. Verder betekent dit dat de wederzijdse belangen van partijen moeten worden afgewogen, waarover meer in rov. 5.13 en verder.

Wijziging van het bedrag waarvoor beslagverlof is verleend

5.10.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] wenst verlaging van het bedrag waarvoor beslagverlof is verleend en eisers in reconventie wensen verhoging daarvan.

In het beslagverlof hebben eisers in reconventie hun vordering begroot op € 61.037,72 voor Nadine de Jong, € 14.135,47 voor [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 1] , € 26.017,09 voor [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] en € 21.963,65 voor [naam 2] . In totaal € 123.154,53, te vermeerderen met 50% vertragingsrente ex art. 7:625 BW zijnde € 61.577,26 en de wettelijke rente over hoofdsom en rente ex art. 7:625 BW voor in totaal € 8.178,81. Alles bij elkaar € 192.910,60 per 18 december 2019. Inclusief rente en kosten is vervolgens beslagverlof verleend voor € 225.000,-. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] heeft, mede gelet op het rapport van [naam 3] en de verklaring van [naam registeraccountant] , onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit bedrag te hoog is. Eisers in reconventie hebben onvoldoende inzichtelijk berekend dat thans reeds het voor rente en kosten begrote bedrag van ruim € 32.000,- (€ 225.000,- min € 192.910,60) zodanig is opgesoupeerd dat hun vermeerdering van eis moet worden toegewezen. Dit alleen al omdat op pag. 4 akte houdende verzoek (…) eisers in reconventie rekenen met wettelijke rente voor handelstransacties. Het is niet aan de voorzieningenrechter om die berekening zelf aan te passen. De reconventionele vordering wordt dus afgewezen.

De vordering tot beperking van het bedrag dat door het derdenbeslag is getroffen tot € 225.000,- en in het verlangde daarvan vrijgeven van het meerdere dat door het beslag is getroffen, moet worden afgewezen wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag.

De bankgarantie

5.11.

Gelet op het oordeel in rov. 5.10 is de thans door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] aangeboden bankgarantie van € 100.000,- niet toereikend en hoeft deze niet geaccepteerd te worden door gedaagden.

Afspraken uit 2018

5.12.

Gedaagden hebben betwist dat zou zijn afgesproken dat zij met de bankgarantie in 2018 op zak, zouden afzien van verder beslag. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] hebben de stelling dat gedaagden hebben toegezegd af te zien van het leggen van verdere beslagen niet zodanig onderbouwd dat deze stelling in dit geding aannemelijk is geworden. Daarvoor is bewijslevering vereist, waarvoor dit kort geding zich niet leent. Er zal dus niet van worden uitgegaan dat partijen een afspraak hebben gemaakt dat gedaagden na de bankgarantie van 2018 geen (verder) beslag meer zouden leggen.

Belangenafweging

5.13.

[eiseres in conventie, verweerster in reconventie] stelt dat zij haar personeel in december 2019 geen loon heeft kunnen betalen en dat door het beslag alle financiële reserves zijn getroffen. Als gevolg van de huidige van overheidswege opgelegde maatregelen in verband met het Covid-19 virus wordt ongeveer 90% minder omzet gedraaid, zodat het personeel niet uit lopende inkomsten kan worden betaald, zoals in de maanden na december 2019 het geval was.

5.14.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het niet betalen van personeel gedurende een maand, alsmede het niet kunnen uitbetalen van gereserveerd vakantiegeld over (een deel van) het jaar 2019 ernstig is. Door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] is evenwel niet gesteld en dat is ook niet anderszins gebleken dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] niet in aanmerking komt voor de door de (rijks)overheid ingestelde noodmaatregelen, dan wel dat een faillissement aan de orde is. Evenmin is een voldoende overtuigende accountantsverklaring overgelegd door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] waaruit kan worden afgeleid dat he water haar tot de lippen staat en dat zij dreigt te verdrinken bij handhaving van het beslag. Het belang van gedaagden bij handhaving van het beslag wegens te weinig betaald loon, weegt aldus zwaarder dan het belang van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] .

5.15.

De conclusie van dit al is dat de conventionele en reconventionele vorderingen worden afgewezen. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] zal worden veroordeeld in de kosten van de conventie. Eisers in reconventie zullen worden veroordeeld in de kosten van de reconventie. In beide gevallen worden die kosten aan de zijde van de partij die daar recht op heeft, begroot op € 980,- aan salaris advocaat.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1

wijst de vordering af;

6.2

veroordeelt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] in de kosten van het geding, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 980,-;

in reconventie

6.3

wijst de vordering af;

6.4

veroordeeld eisers in reconventie in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie] tot op heden begroot op € 980,-,

in conventie en in reconventie

6.5

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2020.1

1 type: EvB coll: