Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:2745

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
AWB - 18 _ 914
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag op exact hetzelfde tijdstip opgelegd als de betaling parkeerbelasting. Verbalisant moet bij controle of iemand bij de parkeerautomaat stond of onderweg was tussen auto en parkeerautomaat, eiseres over het hoofd hebben gezien. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de bijzondere omstandigheid van naheffing en betaling op exact hetzelfde tijdstip, het over het hoofd zien van eiseres aangemerkt dient te worden als een onrechtmatigheid die voor rekening van verweerder dient te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/1002
FutD 2020-1242
Viditax (FutD), 16-04-2020
V-N 2020/22.19.49
Belastingblad 2020/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: ROE 18/914

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2020 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: M.J.M. Bergers),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Maastricht, verweerder

(gemachtigde: R.G.A. Stassen).

Procesverloop

Op 16 december 2017 is aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

Bij uitspraak op bezwaar van 13 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de naheffingsaanslag gegrond verklaard en de naheffingsaanslag ingetrokken. Een proceskostenvergoeding als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft verweerder daarbij niet toegekend.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben en een verweerschrift ingediend.

Bij uitspraak van 2 januari 2019 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en de vergoeding voor de in bezwaar gemaakte kosten vastgesteld op € 508,00.

Verweerder is in verzet gekomen tegen de uitspraak van 2 januari 2019.

Bij uitspraak van 24 mei 2019 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2019. Eiser is niet verschenen, verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In geschil is enkel de vraag of verweerder bij het bestreden besluit een proceskostenvergoeding had moeten toekennen.

2. Eiseres betoogt in beroep dat verweerder ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij heeft tijdig aan haar betalingsverplichting voor de parkeerbelasting voldaan en heeft geen fout gemaakt, zoals verweerder ook heeft erkend door de vernietiging van de naheffingsaanslag. Eiseres is daarom van mening dat de door haar in bezwaar gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag niet wist dat de parkeerbelasting was voldaan. Dat de naheffingsaanslag achteraf ten onrechte bleek te zijn opgelegd, is niet te wijten aan een fout van verweerder. Doordat verweerder niet onrechtmatig heeft gehandeld, bestaat er geen aanleiding voor het vergoeden van de proceskosten van eiseres. Verweerder heeft dit standpunt onderbouwd met een verwijzing naar jurisprudentie waaruit volgens hem volgt dat er omstandigheden kunnen zijn waarin, ondanks dat een naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd, de proceskosten niet vergoed hoeven te worden.

4. Verweerder heeft een proces-verbaal van bevindingen overgelegd van de verbalisant die de naheffingsaanslag heeft opgelegd. De rechtbank heeft geen reden om aan de inhoud van dit proces-verbaal te twijfelen. De door eiseres genoemde redenen, te weten dat er veel tijd is verstreken tussen het opleggen van de naheffingsaanslag en het opmaken van het proces-verbaal, en dat zij zich niet kan voorstellen dat de betreffende verbalisant zich een jaar na dato nog kan herinneren wat de situatie destijds was, acht de rechtbank daartoe in ieder geval volstrekt onvoldoende. De rechtbank gaat derhalve uit van de juistheid van het proces-verbaal.

De verbalisant heeft onder andere in het proces-verbaal vermeld: “Ik keek vervolgens richting de twee betaalautomaten waar ik niemand bij zag staan. Ik zag ook niemand gebaren maken of in mijn richting lopen. Hierop heb ik het voertuig voorzien van een naheffingsaanslag.” Hoewel de rechtbank er dus van uit gaat dat deze bevindingen van de verbalisant juist zijn, staat eveneens onomstotelijk vast dat én het opleggen van de naheffingsaanslag én de betaling van de parkeerbelasting door eiseres op exact hetzelfde tijdstip hebben plaatsgevonden, namelijk om 10:40 uur. Hoewel de verbalisant niemand heeft waargenomen, moet eiseres er zeker wel geweest zijn. Ondanks dat de verbalisant, anders dan eerder door de rechtbank gesteld, dus wel heeft gecontroleerd of er iemand bij de parkeerautomaat stond of onderweg was tussen auto en parkeerautomaat, is de rechtbank van oordeel dat, nu naheffingsaanslag en betaling exact het zelfde tijdstip hebben, het ervoor gehouden moet worden dat de betreffende verbalisant eiseres over het hoofd heeft gezien. Gelet op de bijzondere omstandigheid van naheffing en betaling op exact hetzelfde tijdstip, is de rechtbank van oordeel dat het over het hoofd zien van eiseres aangemerkt dient te worden als een onrechtmatigheid die voor rekening van verweerder dient te komen. Verweerder heeft daarom ten onrechte geen proceskostenvergoeding aan eiseres toegekend. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover dat ziet op de vergoeding van de proceskosten. De rechtbank zal op dit punt zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.

5. Nu het beroep tegen het bestreden besluit gegrond wordt verklaard, volgt uit artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dat verweerder het griffierecht zal dienen te vergoeden. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 262,50 (één punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 525,00 en wegingsfactor 0.5 nu de procedure in beroep enkel (de hoogte van) de proceskostenvergoeding in bezwaar betreft). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vergoeding van de proceskosten in bezwaar;

- stelt de hoogte van de vergoeding voor de gemaakte proceskosten in bezwaar vast op € 522,00 (wegens kosten van rechtsbijstand);

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besteden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 262,50 (wegens kosten van rechtsbijstand), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van J.W.J.M. van Rijt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 4 februari 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Bosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.