Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:2740

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
03/866144-19 20/176
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Ongegrond verklaring van beklag tegen het klassieke en conservatoire beslag ex artikel 552a Sv. Onderzoeksteam ‘23Basalt’. Verbeurdverklaring registergoed niet hoogstonwaarschijnlijk. Redelijk vermoeden van schuld aan witwassen. Op overtreding van artikel 420bis Sr is een geldboete gesteld van de vijfde categorie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Strafrecht

Zittingsplaats Maastricht

parketnummer : 866144-19

rekestnummer: 20/ 176

beslissing van de raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboortedatum] ,

woonplaats kiezend te [Adres 1] , op het kantoor van zijn raadsman mr. M.M.H. Zuketto, advocaat.

hierna te noemen: de klager.

1 Het verloop van de procedure

Het klaagschrift is op 22 januari 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen. Op 27 februari 2020 is ter griffie van deze rechtbank een aanvullend klaagschrift ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand, bij memorie van 21 februari 2020 en 3 maart 2020, zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 3 maart 2020 zowel het klaagschrift als de aanvulling daarop in openbare raadkamer behandeld. Bij die gelegenheid zijn gehoord mr. B.G. Janssen, advocaat en te dezen waarnemend voor zijn kantoorgenoot mr. Zuketto, en de officier van justitie.

2 Het beklag

Het beklag strekt tot opheffing van zowel het klassieke als het conservatoir beslag op de woning staand en gelegen te [Adres 2] . De klager stelt dat de officier van justitie aan de door hem aangedragen feiten en omstandigheden geen gerechtvaardigd vermoeden van witwassen kan ontlenen. Dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete dan wel een verplichting tot het betalen van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen is dan ook hoogst onwaarschijnlijk. Ook een verbeurdverklaring ligt volgens de klager niet in de rede, zodat bij gebrek van enig strafvorderlijk belang, het beklag gegrond moet worden verklaard en het beslag dient te worden opgeheven.

3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie verzet zich op de daartoe in de memories van 21 februari 2020 en 3 maart 2020 aangevoerde gronden tegen opheffing van zowel het klassiek als het conservatoir beslag en, in het spoor daarvan, teruggave aan de klager van het in beslag genomen registergoed.

4 De beoordeling

4.1.

In geval van een beklag van de beslagene tegen een beslag als bedoeld in artikel 94 Sv dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, zelfs in een zaak betreffende een ander dan de klager, of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Ook verzet het strafvorderlijk belang zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van dat voorwerp zal bevelen.

In de door het openbaar ministerie op voorhand ingediende memorie van 21 februari 2020 (in rubriek 4.6. verdenking) heeft de officier van justitie verduidelijkt dat en waarom de klager wordt verdacht van witwassen, strafbaar gesteld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht. Hoewel het in deze beklagzaak niet erom gaat die verdenking hard te maken, kan de rechtbank niet eraan voorbij zien dat de stukken en het verhandelde in raadkamer voldoende steun bieden voor het door het openbaar ministerie aan de klager gemaakte verwijt van witwassen.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit het op 15 juli 2019 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van verdenking komt naar voren dat het onderzoeksteam [Naam 1] door de inzet van verschillende opsporingsmiddelen zicht heeft gekregen op Albanese groeperingen die zich op grote schaal en waarschijnlijk in georganiseerd verband bezig houden met de teelt van hennep. Onderdeel van de activiteiten van de groep is de aankoop van registergoederen in Nederlands Limburg zonder dat daar een hypothecaire geldlening tegenover staat. Een goede economische verklaring daarvoor lijkt vooralsnog niet voorhanden. De registergoederen worden meestal niet verhuurd en de eigenaar verblijft veelal in het buitenland. Een aantal van de registergoederen kan in rechtsreeks verband worden gebracht met de teelt van hennep. Voor wat betreft het registergoed aan de [Adres 2] te Stein blijkt uit het verhoor van de bij de verkoop betrokken makelaar dat de onderhandelingen over de aankoop van het registergoed in feite zijn gevoerd door mevrouw [Naam 2] en een onbekende man en dat de klager alleen aanwezig was om het voorlopig koopcontract te ondertekenen. Op 1 juni 2017 is het registergoed aan de klager geleverd.

Verder blijkt uit het proces-verbaal van verdenking dat op 21 mei 2019 in het registergoed aan de [Adres 2] te Stein een in werking zijnde hennepplantage met 700 planten is ontmanteld. De ter plaatse aangetroffen [Naam 3] verklaarde dat hij volgens een vaste procedure voor het onderhouden van de hennepplantage een bedrag van € 1.700,- per maand ontving en dat er reeds vijf tot zes eerdere oogsten waren geweest. Een huisbaas had hij nooit gezien, wel wist hij dat die in Griekenland woonde, de mensen die hem betaalden kende hij niet. Het proces-verbaal van verdenking rondt af met de conclusie dat het vermoeden bestaat dat het registergoed met criminele gelden is aangeschaft. Een economische verklaring waarom de klager tot aanschaf is overgegaan ontbreekt. Het ligt in de rede aan te neme n dat de klager door aankoop van het registergoed gelden heeft witgewassen.

In onderling verband en samenhang bezien met de overige uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden, en tegen de achtergrond van de uitvoerige toelichting van de zaaksofficier van justitie, is dat alles voorlopig voldoende voor de conclusie dat het niet hoogstonwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, als bijkomende straf het registergoed op grond van de artikelen 33 juncto 33, eerste lid, aanhef en sub a, b en c van het Wetboek van Strafrecht, verbeurd zal verklaren.

Daarmee is het strafvorderlijk belang bij voortzetting van het klassieke beslag gegeven. Het beklag zal daarom in zoverre ongegrond worden verklaard.

4.2.

Bij de beoordeling van een klaagschrift gericht tegen een beslag als bedoeld in artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter eerst te onderzoeken of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Als er geen sprake is van een dergelijke verdenking moet teruggave van het in beslag genomen voorwerp worden gelast. Als er wel sprake is van een dergelijke verdenking moet de rechter onderzoeken of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager, als verdachte, een geldboete, dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De summiere toets die de rechtbank hierbij ten dienste staat, heeft de officier van justitie met juistheid in zijn memorie van 21 februari 2020 aangehaald.

Daaraan heeft de rechtbank niets meer toe te voegen.

Op overtreding van artikel 420bis Sr is een geldboete gesteld van de vijfde categorie.

Met de officier van justitie en op de door hem daartoe in rubriek 4.6 van de memorie van 21 februari 2020 aangevoerde gronden, die de rechtbank overneemt en tot de hare maakt, komt ook de rechtbank tot de conclusie dat ten aanzien van de klager, afkomstig uit Griekenland en daar ook wonend, en zonder enige band met Nederland, sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan witwassen. In onderling verband en samenhang met de door de officier van justitie verder geschetste feiten en omstandigheden, zoals de manier waarop de onderhandelingen over de aankoop zijn gevoerd, de beperkte rol daarin van de klager en de wijze waarop de betaling van de koopprijs heeft plaatsgevonden, alsook het aantreffen van een hennepplantage en de verklaringen daarover van [Naam 3] , moet daarom worden geoordeeld dat het bij de huidige stand van zaken niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het conservatoire beslag. Ook in zoverre is het beklag dus ongegrond.

5 De beslissing

De rechtbank:

verklaart het beklag tegen zowel het klassieke als het conservatoire beslag ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.L.G. Geisel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. I.M.J. Luyten, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank van 24 maart 2020.1

1 Tegen deze beschikking staat voor de klager beroep in cassatie open bij de Hoge Raad, in te stellen bij deze rechtbank binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking.