Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:2532

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
8356835 CV EXPL 20-957
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil ontruiming huurwoning. Geen nieuwe feiten ten aanzien van eerder executiegeschil mbt dezelfde ontruiming. Betreffende woning is inmiddels reeds ontruimd en verhuurd aan een derde. Ontbreken belang eisers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Burgerlijk recht

Zaaknummer: 8356835 CV EXPL 20-957

Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 1 april 2020

in de zaak van

1 [eiseres sub 1]

en

2. [eiser sub 2]

wonend in [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. R.G.P. Voragen

tegen

de stichting woningstichting Heemwonen,

gevestigd in Kerkrade,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. C.J.P. Schellekens.

Partijen worden hierna [eisers] en Heemwonen genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de aanvraag van [eisers] om Heemwonen in kort geding te mogen dagvaarden en de op die aanvraag door de kantonrechter gegeven toestemming om Heemwonen te mogen dagvaarden om op 30 maart 2020 te 9:30 uur te verschijnen, onder de voorwaarde dat uiterlijk op 9 maart 2020 zal worden gedagvaard

  • -

    het exploot van dagvaarding d.d. 23 maart 2020

  • -

    de nadere producties van de zijde van [eisers]

  • -

    de schriftelijke reactie van Heemwonen d.d. 26 maart 2020 met producties

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting van 30 maart 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] huurden vanaf 23 januari 2012 van Heemwonen de woning aan de [adres] in [woonplaats] (verder te noemen: de woning).

2.2.

Bij vonnis van 18 december 2019 heeft de kantonrechter op vordering van Heemwonen - samengevat en voor zover hier van belang - de huurovereenkomst wegens een huurachterstand ontbonden en [eisers] veroordeeld om de woning binnen twee weken na betekening van dat vonnis te ontruimen. Tegen het vonnis van 18 december 2019 hebben [eisers] hoger beroep ingesteld.

2.3.

Tevens hebben zij in kort geding bij de rechtbank Limburg gevorderd - samengevat - de voorgenomen ontruiming onrechtmatig te verklaren en deze te verbieden, alsmede de tenuitvoerlegging van het vonnis van 18 december 2019 voor de duur van drie maanden te schorsen. Die vordering is bij vonnis van 22 januari 2020 afgewezen. Ook tegen dit vonnis hebben [eisers] hoger beroep ingesteld.

3 De vordering

3.1.

[eisers] vorderen thans - kort gezegd - wederom de ontruiming te verbieden en de tenuitvoerlegging te schorsen voor de duur van drie maanden.

3.2.

Heemwonen heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vaststaat dat [eisers] zich - door eerst op 23 maart 2020 tot dagvaarden over te gaan - niet aan de door de kantonrechter gestelde voorwaarde om Heemwonen uiterlijk op

9 maart 2020 te dagvaarden hebben gehouden. Dat de rechter een dergelijke voorwaarde mag stellen volgt uit art. 3.1 van Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken, kanton. Op grond van art. 1.7 van dat reglement zal de kantonrechter - bij niet naleving van een in dat reglement gegeven voorschrift - daaraan het gevolg geven dat hem met het oog op de aard van het voorschrift en de ernst van het verzuim passend voorkomt.

Zoals ook ter zitting reeds is besproken, zal de kantonrechter in dit geval, nu Heemwonen ter zitting is verschenen en voorts niet is gebleken dat zij, ondanks de (veel) te late dagvaarding, in haar procesbelang is benadeeld, daar verder geen gevolgen aan verbinden.

4.2.

De vordering is in al haar onderdelen - om meerdere redenen - niet toewijsbaar. In de eerste plaats omdat het hier een executiegeschil betreft waarover door de rechtbank Limburg reeds op 22 januari 2020 (afwijzend) is geoordeeld en deze procedure in die zin een herhaling van zetten is: enige relevante wijziging in de omstandigheden dan wel nieuwe feiten ten faveure van [eisers] zijn gesteld noch gebleken. Weliswaar is zijdens [eiseres sub 1] gewezen op de huidige corona-uitbraak en de gezondheidstoestand van [eiseres sub 1] (eiseres sub 1), maar ter zitting is onweersproken komen vast te staan dat de woning reeds op 28 januari 2020 is ontruimd en, naar evenmin gemotiveerd is weersproken, sinds 11 maart 2020 aan een derde is verhuurd. Schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 18 december 2019 is derhalve niet meer mogelijk nu die tenuitvoerlegging reeds heeft plaatsgevonden. Daarmee hebben [eisers] tevens geen belang meer bij de gevorderde schorsing en het overigens gevorderde.

4.3.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Heemwonen tot de datum van dit vonnis begroot op

€ 720,00 aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eisers] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Heemwonen tot de datum van dit vonnis begroot op € 720,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten en is in het openbaar uitgesproken.

RK