Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLIM:2020:2493

Instantie
Rechtbank Limburg
Datum uitspraak
31-03-2020
Datum publicatie
07-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2949
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskosten in bezwaar; door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Eiseres heeft tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door verweerder geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat in het onderhavige geval de rechtsbijstand aan haar beroepsmatig is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-04-2020
V-N Vandaag 2020/897
FutD 2020-1126
V-N 2020/27.35.51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: ROE 19 / 2949

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , wonend te [woonplaats] , eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit met dagtekening 16 februari 2019 heeft verweerder krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak [adres onroerende zaak] (hierna: de onroerende zaak) voor het jaar 2019 vastgesteld op [oorspronkelijke waarde] .

Namens eiseres heeft [naam] bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij uitspraak op bezwaar van 19 september 2019 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder dit bezwaar gegrond verklaard en de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op [nieuwe waarde] .

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, waarbij [naam] zich als gemachtigde heeft gesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de bestuursrechter, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat hij kennelijk onbevoegd is of het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

2. Na kennis genomen te hebben van de stukken ziet de rechtbank in deze procedure aanleiding om met toepassing van deze bepaling uitspraak te doen. Zij overweegt hiertoe als volgt.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder (onder meer) overwogen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding omdat niet gebleken is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar. Voorts heeft verweerder overwogen dat er geen hoorzitting in bezwaar heeft kunnen plaatsvinden omdat eiseres niet heeft gereageerd op schriftelijke verzoeken om contact op te nemen voor het bepalen van een datum en evenmin telefonisch bereikbaar was.

4. Eiseres betwist deze overwegingen van verweerder. Verweerders standpunt dat er geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is onjuist en niet gemotiveerd. Er is een no cure no pay-overeenkomst opgemaakt. Verder stelt eiseres dat het bestreden besluit ten onrechte vermeldt dat er geen hoorzitting is geweest nu er op 3 juni 2019 een telefonisch hoorzitting heeft plaatsgevonden.

5. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), voor zover hier van belang, kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

6. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 16 november 2012 (ECLI:NL: HR:2012:BY2770) moet, gelet op de toelichting bij het Bpb, worden aangenomen dat voor het beroepsmatige karakter voldoende is dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening

7. De rechtbank overweegt dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat het verlenen van rechtsbijstand tot een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening van [naam] behoort. Verwezen zij daartoe naar de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 30 oktober 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:4486).

8. Eiseres is hierin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd omdat zij tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door verweerder geen feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt waaruit volgt dat in het onderhavige geval de rechtsbijstand aan haar beroepsmatig is verleend. Dat van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening door [naam] sprake is, is door eiseres niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld aan de hand van recente bescheiden, gegevens van cliënten, tijdsbeslag enzovoorts. Uit de stukken die [naam] wel heeft ingezonden rijst evenmin het beeld op dat sprake is van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening; veeleer lijkt sprake te zijn van activiteiten die incidenteel van aard zijn. Dat er tussen eiseres en [naam] een no cure no pay-overeenkomst is gesloten, maakt dit niet anders.

9. Verweerder heeft daarom met juistheid gesteld geen proceskostenvergoeding verschuldigd te zijn voor de door [naam] verrichte proceshandelingen. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

10. Voor zover in beroep is aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, overweegt de rechtbank – uitgaande van de juistheid van de stelling dat er een telefonische hoorzitting heeft plaatsgevonden en onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de proceskosten in bezwaar – dat eiseres niet heeft gemotiveerd – en evenmin is gebleken – dat zij door deze alsdan kennelijk onjuiste vermelding in het bestreden besluit in haar belangen is geschaad. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

11. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenvergoeding voor in beroep gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in aanwezigheid van J.B.J.C.L. Caelers-Sijbers, griffier.

Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 31 maart 2020

AC

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen. De termijn voor het doen van verzet bedraagt zes weken na de dag van verzending van de uitspraak. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.